Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-09-23
ECLI:NL:GHARL:2025:5850
Civiel recht
Hoger beroep
3,662 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.347.033/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 565564
arrest van 23 september 2025
in de zaak van
[appellant]
,
die thans woont in [woonplaats1] (Zwitserland),
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de voorzieningenrechter optrad als gedaagde,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. J.T. Maalderink te 's-Gravenhage,
tegen
Noble House B.V.,
die is gevestigd in Almere,
en bij de voorzieningenrechter optrad als eiseres,
hierna: Noble House,
advocaat: mr. I.K.M. Hoffmann LLM. te Enschede.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad op 29 maart 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven (met producties)
• de memorie van antwoord
• een akte van [appellant]
• een antwoordakte van Noble House
2De kern van de zaak
2.1
In het kortgedingvonnis waartegen dit hoger beroep zich richt, is Noble House in het ongelijk gesteld. Zij is veroordeeld tot betaling aan [appellant] van de gebruikelijke ‘geliquideerde’ proceskosten die deze partij heeft gemaakt. Toch is het [appellant] die hoger beroep heeft ingesteld. Hij wil daarmee bereiken dat Noble House wordt veroordeeld tot betaling van de reële proceskosten. Dat is een hoger bedrag. Die vordering heeft de volgende achtergrond.
2.2
Eind 2021 heeft Noble House voor [appellant] werkzaamheden verricht aan een Aston Martin. Nadat discussie was ontstaan over de voor dat werk in rekening gebrachte bedragen, heeft Noble House zich op een retentierecht beroepen (het recht om te auto niet af te leveren zolang de rekeningen niet worden betaald). De discussie daarover heeft geresulteerd in een vonnis van 20 december 2023 waarin de voorzieningenrechter Nobel House heeft veroordeeld de auto (inclusief trailer, onderdelen en toebehoren) uiterlijk op 8 februari 2024 af te geven, onder de opschortende voorwaarden dat [appellant] zekerheid zou stellen. Aan deze veroordeling was een dwangsom van € 500 per dag verbonden. Op 7 februari heeft [appellant] de vereiste bankgarantie gesteld. De auto met toebehoren is daarna op 15 februari 2024 afgegeven.
2.3
De door de voorzieningenrechter bepaalde datum is in overleg verschoven, maar [appellant] heeft wel aanleiding gezien een dwangsom van € 500 te incasseren omdat de auto op 13 februari 2024 nog niet was afgegeven. Daarna is op 23 februari 2024 een tweede bevel tot betaling van een dwangsom van € 500 betekend, omdat dat de volgende dag ook nog niet was gebeurd. Noble House wilde deze tweede dwangsom niet betalen en vreesde dat [appellant] nog vaker aanspraak op dwangsommen zou maken als de rechter hem dat niet zou beletten. Daarom heeft zij zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek [appellant] te verbieden nadere executiemaatregelen te treffen. In dit tweede kort geding heeft de voorzieningenrechter die vordering op 29 maart 2024 afgewezen. Zoals gezegd, is Noble House toen volgens het zogenoemde standaard liquidatietarief veroordeeld tot betaling aan [appellant] van € 1.035 aan proceskosten.
2.4
[appellant] is het met die kostenveroordeling niet eens. Hij voert aan dat de voorzieningenrechter gebruik had moeten maken van de mogelijkheid om Noble House te veroordelen tot betaling van het aanzienlijk hogere bedrag van de reële proceskosten (€ 12.733 voor de procedure bij de voorzieningenrechter), omdat Noble House in de inleidende dagvaarding een vals beeld heeft geschetst van wat zich heeft afgespeeld en ook heeft geprobeerd dat beeld tijdens de mondelinge behandeling overeind te houden.
Beoordeling
Inleiding
3.1
Het hof zal de verwijten die [appellant] aan het adres van Noble House maakt hierna schetsen. De bezwaren (grieven) zullen daarbij thematisch worden behandeld. Eerst zal het hof echter uiteenzetten aan welke criteria de vordering van [appellant] moet voldoen. De conclusie zal zijn dat het bestreden vonnis in stand kan blijven. Dat wordt hierna uitgelegd.
Uitgangspunten
3.2
Een vordering tot betaling van integrale proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Dat is alleen aan de orde als de vordering van Noble House is gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.
Beoordeling
3.3
De verwijten die [appellant] aan het adres van Noble House maakt, komen erop neer dat Noble House de onjuiste suggestie heeft gewekt (i) dat [appellant] niet inhoudelijk heeft gereageerd op een e-mail van 9 februari 2024, (ii) dat hij de datum 13 februari 2024 zonder overleg heeft aangewezen alsmede (iii) dat hij heeft aangegeven dat het vermoedelijk twee dagen zou duren om de auto op te halen, en Noble House daarvoor dus 13 en 14 februari 2024 moest vrijhouden. Bovendien klopt het volgens [appellant] niet (iv) dat Noble House 14 februari 2024 als datum heeft voorgesteld toen 13 februari 2024 niet mogelijk bleek.
3.4
Het hof zal deze verwijten hierna in hun onderlinge verband bespreken aan de hand van de door Noble House bij de inleidende dagvaarding overgelegde correspondentie.
3.5
Op woensdag 7 en 8 februari 2024 vond de volgende e-mailwisseling plaats tussen (de advocaten van) Noble House en [appellant] : Noble House deelde [appellant] mee dat alles in gereedheid was gebracht, en dat zij graag nadere informatie zou ontvangen over wie de auto de volgende dag zou komen ophalen en hoe laat dat zou gebeuren. In deze e-mail is gewezen op de verplichting om eerst een bankgarantie af te geven. Daarop antwoordde [appellant] dat de bankgarantie was gesteld. Het verzoek om dan voor ontvangst te tekenen, wees [appellant] in deze en een latere e-mail af. Daarop volgde de mededeling dat de auto maandag 12 februari 2024 zou worden opgehaald. Vijf minuten later antwoordde Noble House echter dat de specialistische chauffeur die de auto uit de garage zou halen niet op maandag werkte, en dat de afspraak opnieuw gearrangeerd moest worden op dinsdag (13), woensdag (14) of donderdag (15) februari 2024. Nadat vervolgens de datum 13 februari 2024 door [appellant] was bevestigd, kwam Noble House ook daarop een dag later - op 8 februari 2024 - terug: zij had die dag een belangrijke zakenbespreking die zij niet kon afzeggen. De aflevering moest naar haar mening daarom naar woensdag 14 februari 2024 worden verschoven. Maar dat was voor [appellant] geen optie: “Noble House moet het door haar ingeroepen retentierecht (ook op dinsdag 13 februari) staken en gestaakt houden en meewerken aan de afgifte. De auto en toebehoren zullen dan ook op het eerder doorgegeven moment worden opgehaald (en geïnspecteerd).” De reactie van Noble House op 8 februari 2024: “Voor vandaag stond alles klaar…conform vonnis. Uw cliënt deelde gisteren ter elfde ure mee, dat het ophalen vandaag niet lukte. In overleg kan dan uiteraard een nieuwe datum gezocht worden, maar dat is geen eenrichtingsverkeer…Uw achterban kan de auto …woensdag 14 februari ophalen.” Het antwoord van [appellant] luidde dat hem niet regardeert dat iemand op 13 februari 2024 kennelijk een belangrijke afspraak heeft. In andere bewoordingen herhaalt Noble House daarna op 9 februari 2024 dat - hoewel zij zelf conform het vonnis had gehandeld - een nieuwe afspraak moest worden gemaakt waarbij partijen in redelijkheid dienen te handelen: “Uw client kan de auto op 14 februari as ophalen”. Ook [appellant] herhaalt zijn standpunt dat het irrelevant is dat een bestuurder aanwezig wil zijn: “Ik constateer al met al dat Noble House met onderstaande e-mail aangeeft dat zij niet zal medewerken aan de afgifte van de Aston Martin, trailer, onderdelen en toebehoren op dinsdag 13 februari 2024”. Later op de dag komt [appellant] hierop terug: hij heeft de planning herzien. De auto zal 14 februari 2024 worden geïnspecteerd en meegenomen. Daaraan wordt toegevoegd dat het kan zijn dat dit uitloopt tot donderdag
15 februari 2024. Uiteindelijk is de auto ook op die dag meegenomen.
3.6
Deze correspondentie laat naar het oordeel van het hof de door Noble House daaraan gegeven uitleg toe dat [appellant] 13 februari 2024 zonder overleg heeft aangewezen, dat hij heeft aangegeven dat het vermoedelijk twee dagen zou duren om de auto op te halen en dat Noble House daarvoor dus 13 en 14 februari 2024 moest vrijhouden. Noble House heeft uiteraard haar eigen inkleuring gegeven van de gang van zaken, maar er is zelfs bij benadering niet sprake van door haar gepresenteerde feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen. Het feit dat [appellant] in deze procedure een semantische discussie aangaat over de vraag of wel twee dagen ‘moesten’ worden vrijgehouden en of Noble House wel een nieuwe datum heeft ‘voorgesteld’, is tekenend voor het niveau waarin de discussie tussen partijen is beland – een discussie die zich in wezen beperkt tot een afspraak die uiteindelijk vrij eenvoudig kon worden gemaakt en uitgevoerd (14 februari 2024 was voor [appellant] kennelijk geen beletsel), maar die desalniettemin heeft geresulteerd in procedures over enkele honderden euro’s aan beweerdelijk verbeurde dwangsommen over de afgifte van een Aston Martin.
3.7
Ook blijkt uit de correspondentie dat Noble House 14 februari 2024 als datum heeft voorgesteld toen 13 februari 2024 (voor haar) niet mogelijk bleek. Het hof voegt hieraan ter toelichting toe dat Noble House bereid en in staat was aan haar verplichtingen te voldoen, maar dat de door de voorzieningenrechter gestelde uiterste datum niet is gehaald door omstandigheden die niet in haar invloedsfeer lagen, maar in die van [appellant] . Weliswaar moest Noble House in het overleg daarover - in korte tijd - tot twee keer toe terugkomen op een door haar voorgestelde nadere datum, maar daarvoor had zij argumenten die [appellant] niet als irrelevant terzijde kon schuiven (in de woorden van Noble House: argumenten die [appellant] niet zonder overleg kon afwijzen). Meer in het bijzonder geldt dat voor de tweede keer. Gelet op de achtergrond van de zaak, het feit dat het om een zeer kostbare auto ging en gelet ook op de opgelopen spanningen, lag het zondermeer in de rede dat een leidinggevende van Noble House bij de afgifte aanwezig zou zijn. Dat hij daartoe op 13 februari 2024 verhinderd was vanwege een al eerder gemaakte afspraak, staat niet ter discussie. Dit zijn precies de omstandigheden waarop Noble House in de inleidende dagvaarding de nadruk heeft gelegd. Vertekenend is het daarmee geschetste beeld geenszins, en [appellant] had vervolgens alle gelegenheid om zijn visie te geven op de (complete) correspondentie die Noble House al had overgelegd.
3.8
Noble House heeft bij de weergave van de gebeurtenissen weliswaar niet aan al de hiervoor behandelde e-mails gerefereerd, maar ook dat maakt haar weergave van de gebeurtenissen op geen enkele manier vertekenend, laat staan leugenachtig. [appellant] erkent dat ook, maar legt in zijn vele pagina’s tellende processtukken over dit onderwerp - waarvan het hof het belang echt niet in kan zien -, niet uit waarom die conclusie (afgezien van wat hiervoor is besproken) dan wel moet worden getrokken.
De conclusie
3.9
Het hoger beroep slaagt niet. Voor een veroordeling in de reële proceskosten in eerste aanleg bestaat geen aanleiding – uiteraard evenmin voor de door [appellant] gevorderde reële proceskostenveroordeling in hoger beroep. Voor toewijzing van die laatste vordering zou overigens voor de procedure in hoger beroep de procesvoering van Noble House zelfstandig moeten worden getoetst aan het onder 3.2 weergegeven criterium.
3.10
Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen, berekend volgens het gebruikelijke tarief. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
Dictum
Het hof:
4.1
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 29 maart 2024;
4.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Noble House:
€ 798 aan procedurele kosten
€ 1.2821 aan salaris van de advocaat van Noble House (1,5 procespunten x appeltarief II)
4.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, J.H. Kuiper en H. de Hek, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
23 september 2025.
ECLI:NL:RBMNE:2023:6873.
HR 29 juni 2007, LJN BA3516, NJ 2007/353 en HR 6 april 2012; ECLI:NL:HR:2012:BV7828.
HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.