Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-09-11
ECLI:NL:GHARL:2025:5650
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006013-23 Uitspraakdatum: 11 september 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 19 december 2023 met parketnummer 18-116939-22 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, wonende te [woonplaats] Het hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 augustus 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd: vernietiging van het vonnis; bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde; veroordeling tot een taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten; verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 2.244,56. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.A.G.M. Landerloo, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis: verdachte vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde; het onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde bewezenverklaard; verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis; de teruggave gelast van de onder verdachte inbeslaggenomen geldbedragen van € 514,56 en € 1.730,-. Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 24 september 2021 te [pleegplaats] , een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad; 2.hij op of omstreeks 24 september 2021 te [pleegplaats] , een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad; 3.hij op of omstreeks 24 september 2021 te [pleegplaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal)ongeveer 4,55 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 4.hij op of omstreeks 24 september 2021 te [pleegplaats] (van) één of meer voorwerpen, te weten één of meer geldbedrag(en) van in totaal (ten minste) 2244,56 euro, althans een grote hoeveelheid geld, bestaande uit een (grote) hoeveelheid bankbiljetten (in coupures van 5,10,20 en 50 euro (te weten (in totaal 1730 euro) en/of een hoeveelheid muntgeld (te weten (in totaal) 514,56 euro), Sub a -de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel -heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/althans één of meer voorwerp(en), te weten één of meer geldbedrag(en) van in totaal (ten minste) 2244,56 euro, althans een grote hoeveelheid geld, bestaande uit een (grote) hoeveelheid bankbiljetten (in coupures van 5,10,20 en 50 euro (te weten (in totaal) 1730 euro) en/of een hoeveelheid muntgeld (te weten (in totaal) 514,56 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of gebruik De rechter-commissaris heeft op 24 september 2021 een mondelinge vordering doorzoeking op basis van artikel 110 Sv toegewezen en deze op 29 september 2021 schriftelijk bevestigd. In de woning van verdachte werden geld, verdovende middelen en een taser aangetroffen. Het hof merkt op dat uit de inhoud van het dossier volgt dat er ten tijde van de doorzoeking meer informatie over verdachte en/of zijn familieleden beschikbaar was dan alleen de (geverifieerde) TCI-informatie, te weten dat ambtshalve bekendheid bestond van eerdere observaties, maar dat deze informatie in de beginfase van het onderzoek niet is geverbaliseerd. Hoewel het zorgvuldiger was geweest om deze informatie vanaf de start van het onderzoek in het dossier op te nemen, is het hof van oordeel dat op basis van de geverifieerde TCI-informatie, aangevuld met de bij de politie reeds bekende informatie, redelijkerwijs het vermoeden kon ontstaan dat verdachte uit misdrijf afkomstig geld in zijn woning bewaarde. Op basis van die verdenking was een doorzoeking gerechtvaardigd en heeft de rechter-commissaris in redelijkheid tot de doorzoeking kunnen komen. Het verweer, strekkende tot bewijsuitsluiting op grond van het bepaalde in artikel 359a Sv wordt verworpen. Vrijspraak feit 4 De verdediging heeft vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde bepleit. Primair is aangevoerd dat de feiten en omstandigheden die het Openbaar Ministerie heeft aangedragen, geen redelijk vermoeden van witwassen opleveren. Subsidiair is aangevoerd dat, mocht geoordeeld worden dat er wel sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, verdachte daarvoor een concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft. Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijvingen van de artikelen 420bis/420quater, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen. Gronddelict In deze zaak is geen direct bewijs voor een specifiek gronddelict. Dat de onder verdachte inbeslaggenomen geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn, is niet een gegeven uit een veroordeling en volgt niet uit opsporingshandelingen. Vermoeden van witwassen Er is naar het oordeel van het hof wel sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Verdac Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een busje pepperspray en een stroomstootwapen. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan het ongecontroleerde bezit van wapens dat een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengt en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarnaast heeft verdachte opzettelijk 4,55 gram heroïne aanwezig gehad. Daarmee heeft verdachte als afnemer van harddrugs bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. Het is algemeen bekend dat het bestaan van dit drugscircuit nadelige maatschappelijke gevolgen kent, waaronder gezondheidsschade voor drugsgebruikers. Het drugscircuit gaat bovendien doorgaans gepaard met andere vormen van criminaliteit. Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 juli 2025 is gebleken dat verdachte eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk tot een straf of maatregel is veroordeeld. Dit betreft voornamelijk oudere recidive, die niet in belangrijke mate bij de straftoemeting zal worden betrokken. Ook heeft het hof de landelijke oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht in aanmerking genomen. De oriëntatiepunten geven, voor zover in deze zaak van belang, als uitgangspunt een geldboete. Het hof ziet, evenals de rechtbank, aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten. Het aantreffen van alle goederen tezamen rechtvaardigt de oplegging van een taakstraf. Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf, een taakstraf voor de duur van 30 uren, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht, een passende en geboden bestraffing vormt. Daarom zal verdachte ook in hoger beroep tot die straf worden veroordeeld. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting in de procedure bij de rechtbank is overschreden. Verdachte is op 24 september 2021 in verzekering gesteld en de zaak is afgedaan op 19 december 2023. De redelijke termijn, die wordt gesteld op twee jaren, is daarmee met drie maanden overschreden. Mede vanwege de aard en de hoogte van de opgelegde taakstraf volstaat het hof met de enkele constatering van de overschrijding. Beslag Met betrekking tot feit 4 is onder verdachte een geldbedrag van € 2.244,56 (bestaande uit € 514,56 aan muntgeld uit de auto en € 1.730,- aan coupures uit de keuken) inbeslaggenomen. Nu het hof verdachte zal vrijspreken van het onder 4 tenlastegelegde zal de teruggave aan verdachte gelast worden van dit geldbedrag. Het belang van strafvordering verzet zich hier niet tegen. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1,