Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-08-27
ECLI:NL:GHARL:2025:5261
Strafrecht
Hoger beroep
2,703 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004190-24
Uitspraakdatum: 27 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 20 september 2024 met parketnummer 18-066147-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
wonende te [woonplaats] , [adres]
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 augustus 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.D. Arends, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft bij vonnis van 20 september 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit veroordeeld tot een geldboete van € 300,00, subsidiair zes dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 27 november 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een vuistslag tegen het oog, in elk geval tegen het hoofd te geven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd ter zake van het tenlastegelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft met betrekking tot de verklaringen van de [voetbalclub 2] -spelers aangevoerd dat deze betrouwbaarder zijn dan de verklaringen van de [voetbalclub 1] -spelers, nu zij korte, feitelijke verklaringen hebben afgelegd en zij tevens verdachtes vuistslag niet onbenoemd hebben gelaten.
Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken, dan wel te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een geslaagd beroep op noodweer, dan wel noodweerexces toekomt. Daartoe heeft zij - kort samengevat - aangevoerd dat verdachte zeer bang was nadat hij door aangever [slachtoffer] naar de grond was werkt gewerkt en meerdere keren tegen zijn benen werd getrapt. Verdachte heeft vervolgens, om te voorkomen dat het geweld richting hem zou escaleren, aangever [slachtoffer] eenmaal geslagen.
Oordeel van het hof
Naar het oordeel van het hof behoeft hetgeen de raadsvrouw heeft opgemerkt omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van de [voetbalclub 2] -spelers geen nadere bespreking, nu geen sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt voorzien van een conclusie.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de bekennende verklaring voor zover die ziet op de tenlastegelegde feitelijke gedraging van verdachte en de aangifte van aangever [slachtoffer] , wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling door aangever een vuistslag tegen het hoofd te geven.
Voor wat betreft het beroep op noodweer overweegt het hof als volgt. Het hof stelt op grond van het dossier en onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 27 november 2023 vindt er een zaalvoetbalwedstrijd plaats tussen [voetbalclub 1] en [voetbalclub 2] in de sporthal in [plaats] . Ongeveer tien minuten na het begin van de tweede helft komt de bal bij verdachte en aangever [slachtoffer] terecht. Wanneer verdachte en aangever daarop beiden de bal proberen te bemachtigen, komen zij ten val. Er ontstaat vervolgens irritatie tussen verdachte en aangever, waarbij - terwijl zij beiden op de grond liggen - over en weer trappende bewegingen naar elkaars benen worden gemaakt. Op enig moment staat verdachte op, buigt zich voorover en slaat hij aangever, die nog steeds op de grond ligt, hard in het gezicht met een vuist. Ten gevolge hiervan heeft aangever pijn en letsel aan zijn linkeroog en kaak opgelopen.
Voor een geslaagd beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht moet sprake zijn van een situatie waarin het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.
Het hof is van oordeel dat, voor zover al sprake was van een noodweersituatie op het moment dat verdachte en aangever [slachtoffer] op de grond lagen en elkaar over en weer tegen de benen trapten, deze situatie reeds was geëindigd op het moment dat verdachte op stond. Het hof verwerpt derhalve het beroep op noodweer en acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 27 november 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een vuistslag tegen het hoofd te geven.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Hiervoor is reeds overwegen dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces, zoals betoogd door de verdediging, al daarom niet kan slagen. Het verweer wordt daarom verworpen. Het hof merkt daarbij op dat ook al zou sprake zijn van een noodweersituatie, verdachte wisselend heeft verklaard omtrent zijn gemoedstoestand ten tijde van de bewezenverklaarde handelingen. Er is niet gebleken van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte gelet op de wijze waarop het handelen van verdachte door de getuigen worden beschreven.
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 300,00, subsidiair zes dagen hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft - bij een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit - verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en hem een geldboete van € 300,00, subsidiair zes dagen hechtenis, op te leggen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 458,43 (vierhonderdachtenvijftig euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 58,43 (achtenvijftig euro en drieënveertig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 458,43 (vierhonderdachtenvijftig euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 58,43 (achtenvijftig euro en drieënveertig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 november 2023.
Aldus gewezen door
mr. H.J. Deuring, voorzitter,
mr. A.J. Rietveld en mr. L. Pieters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,
en op 27 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.