Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-08-25
ECLI:NL:GHARL:2025:5194
Civiel recht
Hoger beroep
2,234 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.853
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden 11429507
beschikking van 25 augustus 2025
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
hierna: Dexia
advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats1]
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. J.B. Maliepaard
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
Dexia heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, op 12 maart 2025 heeft gegeven. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
het beroepschrift
de uitlating over de ontvankelijkheid van Dexia
de uitlating over schriftelijke afdoening van de ontvankelijkheid van [geïntimeerde]
de uitlating over schriftelijke afdoening van de ontvankelijkheid van Dexia.
2De kern van de zaak
2.1.
[geïntimeerde] heeft Dexia bij dagvaarding van 2 oktober 2024 gedagvaard omdat hij een overeenkomst van effectenlease heeft gesloten met Dexia en stelt daarbij te zijn geadviseerd door tussenpersoon “ [naam1] ” waarmee Dexia bekend had moeten zijn. Op grond van artikel 41 van de toenmalige Nadere regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999) heeft Dexia daarmee onrechtmatig gehandeld, aldus [geïntimeerde] . [naam1] is een handelsnaam van [naam2] (hierna: [naam2] ).
2.2.
Dexia heeft de kantonrechter bij verzoekschrift d.d. 29 november 2024 verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten, waarbij Dexia heeft verzocht getuigen te horen om haar bewijspositie te concretiseren ten aanzien van de stelling van [geïntimeerde] dat [naam1] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had met betrekking tot die advisering. Dexia heeft verzocht om [geïntimeerde] en [naam2] als getuigen te horen. Daarnaast heeft Dexia verzocht om drie oud-medewerkers van de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) als getuigen te horen. Het betreft de heren [naam3] , [naam4] en [naam5] . De kantonrechter heeft bij beschikking van 12 maart 2025 het verzoek met betrekking tot [geïntimeerde] en [naam2] toegewezen. Het verzoek met betrekking tot de oud-medewerkers van de STE is afgewezen, omdat de kantonrechter van oordeel is dat Dexia hierbij onvoldoende belang heeft. Dexia heeft volgens de kantonrechter geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat de oud-medewerkers van de STE/AFM (AFM is de opvolger van de STE) in de zaak van [geïntimeerde] concreet kunnen aangeven dat geen sprake is geweest van advisering door [naam1] .
2.3.
Dexia komt in hoger beroep van die beschikking. Dexia verzoekt het hof om de beschikking te vernietigen en het oorspronkelijk verzoek alsnog volledig toe te wijzen. In de kern komt dit erop neer dat Dexia wil dat haar verzoek tot het horen van de heren [naam3] , [naam4] en [naam5] (oud-medewerkers van de STE/AFM) alsnog wordt toegewezen.
2.4.
Het hof zal Dexia niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep en licht dat hierna toe.
3De toelichting op de beslissing van het hof
Het nieuwe bewijsrecht is van toepassing
3.1.
Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. De nieuwe regels gelden voor gerechtelijke procedures die op of na 1 januari 2025 zijn gestart. Als een procedure vóór 1 januari 2025 is aangespannen, blijft het oude bewijsrecht gelden totdat de procedure bij die instantie is geëindigd. Dat volgt uit artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, dat het overgangsrecht regelt.
3.2.
Volgens Dexia moet haar hoger beroep worden beoordeeld volgens de regels zoals die golden onder het oude bewijsrecht, omdat het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor vóór 2025 (namelijk in 2024) is gedaan. Het destijds geldende recht blijft daarom op de procedure van toepassing. Daarnaast is artikel 200 lid 2 Rv niet op de onderhavige situatie van toepassing, omdat deze bepaling ziet op ‘voorlopige bewijsverrichtingen’, waarmee ingevolge artikel 196 Rv wordt bedoeld een bewijsverrichting die voorafgaand aan het aanhangig maken van de bodemprocedure (of voorafgaand aan de inschrijving daarvan op de rol) wordt verzocht. In deze zaak was ten tijde van het verzoek de bodemzaak al aanhangig. Naar de letter van de wet is in dit hoger beroep dus artikel 358 Rv van toepassing gebleven, aldus Dexia. Verder kan volgens Dexia uit de parlementaire geschiedenis worden afgeleid dat de nieuwe rechtsregels pas vanaf de volgende instantie van toepassing zijn en dat de nieuwe regels geen toepassing vinden op de mogelijkheid van het instellen van beroep of op de termijn van het instellen van een rechtsmiddel. Onverkorte toepassing van het nieuwe artikel 200 lid 2 Rv zou in een geval als het onderhavige ook ongerijmde gevolgen hebben. Zo werd de procedure bij de kantonrechter beheerst door het oude recht en de kantonrechter kon daarom niet bepalen dat er een rechtsmiddel openstaat tegen zijn beschikking. Ook zou bij onverkorte toepassing van artikel 200 lid 2 Rv de beroepstermijn in gevallen waarin uitspraak is gedaan in de periode van 1 oktober 2024 tot en met 31 december 2024, per 1 januari 2025 van rechtswege bekort zijn, aldus telkens Dexia.
3.3.
Het hof oordeelt als volgt. De procedure bij het hof, die is aangevangen met de indiening van het beroepschrift ter griffie van het gerechtshof op 12 juni 2025, is een afzonderlijke procedure bij een nieuwe instantie. Omdat het beroepschrift na 1 januari 2025 bij het hof is ingediend, is het nieuwe bewijsrecht van toepassing op de procedure in hoger beroep. Daarvoor is niet van belang dat voor de procedure bij de kantonrechter het oude bewijsrecht geldt en dat die procedure nog niet volledig is geëindigd (in die zin dat het verzoek van Dexia door de kantonrechter deels is toegewezen en dat de kantonrechter in zoverre dus ook een voorlopig getuigenverhoor heeft bevolen). Dat is immers een andere procedure die aanhangig is bij een andere instantie. Ook de gedachte dat de appeltermijn van beschikkingen gewezen vanaf 1 oktober (of: begin november) tot en met 31 december 2024 van rechtswege wordt bekort doet hieraan niet af. Dit is een gevolg van de wetswijziging. De wetgever heeft met deze wetswijziging beoogd om vertraging en verdere juridisering en escalatie van het geschil te voorkomen. De beoogde doelstellingen van de waarheidsvinding, het inschatten van de eigen procespositie en het vinden van een buitengerechtelijke oplossing voor het geschil rechtvaardigen volgens de wetgever een kortere beroepstermijn. Dat de kantonrechter in een door het ‘oude’ bewijsrecht beheerste procedure niet de mogelijkheid zou hebben om – met de oog op de toepassing van het nieuwe bewijsrecht op het hoger beroep – te bepalen dat er hoger beroep openstaat tegen zijn beschikking, valt overigens ook niet in te zien.
Dexia is niet-ontvankelijk in haar hoger beroep
3.4.
Artikel 200 lid 2 Rv (nieuw bewijsrecht) bevat een rechtsmiddelenverbod. Dat houdt in dat tegen een beslissing op een verzoek om (onder meer) een voorlopig getuigenverhoor geen hoger beroep openstaat, tenzij de rechter anders bepaalt.
3.5.
Dexia stelt dat geen sprake is van een voorlopige bewijsverrichting in de zin van artikel 196 lid 1 Rv en dat daarom het rechtsmiddelenverbod van artikel 200 lid 2 Rv niet geldt.
Dictum
Het hof:
- verklaart Dexia niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, C. Bakker en A.A.J. Smelt, en is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2025.
Wet van 6 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht, Stb. 2024, 62.
Art. 359 Rv.
Zie ook de conclusie van AG De Bock van 4 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:753 onder 4.4.
Kamerstukken II 2019/2020, 35 498, nr. 3, p. 63.
Kamerstukken II 2019/2020, 35 498, nr. 3, p. 10 en 55.