Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-05-28
ECLI:NL:GHARL:2025:5077
Strafrecht
Hoger beroep
3,260 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000065-22
Uitspraak d.d.: 28 mei 2025
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 28 december 2021 met parketnummer 18-850093-15 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 mei 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman,mr. E.J.M.J. Damen, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Procesafspraken
Voorafgaand aan (het plannen van) de zitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal laten weten met de verdediging in gesprek te zijn over de afdoening van de ontnemingszaak van de betrokkene en dat partijen beogen te komen tot procesafspraken. Op 11 maart 2025 heeft het hof de ondertekende overeenkomst met procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de betrokkene ontvangen.
Het gezamenlijke afdoeningsvoorstel houdt – voor zover relevant – in dat:
de betrokkene in het kader van deze overeenkomst:
geen onderzoekswensen indient;
geen bewijsverweren voert en al ingediende onderzoekswensen intrekt;
geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
binnen een termijn van 6 weken na ondertekening van deze procesafspraken afstand doet van de conservatoir in beslag genomen contante geldbedragen ter hoogte van€ 30.146,19;
binnen een termijn van vier maanden na ondertekening van deze procesafspraken een bedrag van € 43.854,81 stort op een daartoe aangewezen bankrekening van het Openbaar Ministerie ter zekerheidstelling van de voor de betrokkene uit de ontnemingszaak voortvloeiende financiële verplichtingen (ontnemingsmaatregel), ter voorkoming van uitwinning van de door de Staat ten laste van de betrokkene gelegde conservatoire beslagen;
binnen een termijn van vier weken na storting van de zekerheidstelling afstand doet van dit geldbedrag;
geen verweer voert tegen de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de gevorderde betalingsverplichting.
het Openbaar Ministerie in het kader van deze overeenkomst:
ter terechtzitting zal rekwireren tot vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 74.000,00. Deze afwijking van het vonnis van de rechtbank is gebaseerd op een andere waardering van de rol van de betrokkene bij de bewezenverklaarde hennepteelt;
ter terechtzitting zal rekwireren tot oplegging van de betalingsverplichting ter hoogte van € 0,-. Dit bedrag wijkt om twee redenen af van het vonnis van de rechtbank.De eerste reden betreft de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 74.000,00. De tweede reden voor een op € 0,- te bepalen betalingsverplichting is dat de betrokkene in het kader van de opheffing van conservatoir in beslag genomen voorwerpen zekerheid heeft gesteld tot een bedrag van € 74.000,00 en vervolgens van dit geldbedrag afstand heeft gedaan.
na de afstand van de conservatoir in beslag genomen geldbedragen zal overgaan tot opheffing van de ten laste van de betrokkene gelegde conservatoire beslagen, met uitzondering van het beslag op het pand [adres] ;
na de afstand van de zekerheidstelling overgaat tot opheffing van het beslag op het pand [adres] .
De betrokkene is er nadrukkelijk op gewezen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat wordt ontnomen als gevolg van de lager vast te stellen betalingsverplichting, vermogen blijft dat (onmiddellijk of middellijk) uit misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat de betrokkene zich schuldig maakt aan witwassen als blijkt dat de betrokkene nog over een niet-ontnomen deel van het wederrechtelijk voordeel beschikt en ter zake daarvan kan worden vervolgd.
Verder zien beide partijen af van cassatie indien de ontnemingsmaatregel door het gerechtshof conform deze overeenkomst plaatsvindt.
de afspraken ten behoeve van de inning:
de betrokkene verklaart bereid te zijn binnen de genoemde termijn afstand te doen van het bedrag van de zekerheidstelling. Het formulier waaruit blijkt van deze afstand zal als bijlage bij deze procesafspraken worden gevoegd.
de betrokkene stemt er mee in dat een afschrift van de overeenkomst (en eventuele bijlage(n)) aan het Centraal Justitieel Incassobureau zal (zullen) worden verstrekt.
de betrokkene verklaart de procesafspraken te hebben gelezen, de inhoud ervan volledig te begrijpen, in de gelegenheid te zijn gesteld hieromtrent onafhankelijk juridisch advies in te winnen en deze schikking volledig vrijwillig te ondertekenen.
De vordering van het Openbaar Ministerie
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 300.865,68 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van datzelfde bedrag.
In de hiervoor genoemde procesafspraken is overeengekomen dat de advocaat-generaal in hoger beroep zal rekwireren tot vaststelling van de hoogte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 74.000,00 en vaststelling van de betalingsverplichting op een bedrag van € 0,-.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep – deels in afwijking van de procesafspraken – gevorderd dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 74.000,00 en dat aan de betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de tussen het Openbaar Ministerie en de betrokkene gemaakte procesafspraken en de daarop ter terechtzitting gemaakte aanvullingen te volgen. Daarbij is door de betrokkene verklaard dat hij instemt met deze aanpassingen. Het bedrag waarop zowel het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat als waarop de betalingsverplichting kan worden gesteld, kan worden vastgesteld op € 74.000,00.
Beoordeling
De procesafspraken zijn ter zitting van 14 mei 2025 besproken.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de procesafspraken en de totstandkoming daarvan door beide partijen bevestigd en toegelicht. Daarbij is besproken dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van de voorliggende zaak vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot een ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het voorliggende afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechter.
De raadsman van de betrokkene was niet fysiek ter zitting aanwezig, maar heeft telefonisch aan de zitting deelgenomen. De betrokkene heeft hiermee ingestemd.
Ter zitting is gebleken dat door de betrokkene (nog) geen afstand is gedaan van de conservatoir in beslag genomen contante geldbedragen ter hoogte van € 30.146,19 en dat ook het afgesproken bedrag van € 43.854,81 (nog) niet is gestort op een daartoe aangewezen bankrekening van het Openbaar Ministerie ter zekerheidstelling
Gelet hierop heeft de advocaat-generaal – in afwijking van de procesafspraken – gevorderd dat de betalingsverplichting aan de Staat wordt vastgesteld op € 74.000,00 in plaats van€ 0,-.
De verdediging heeft ingestemd met het voorstel van de advocaat-generaal om de procesafspraken op dit onderdeel aan te passen.
Omdat de procesafspraken op basis van vrijwilligheid en op basis van wederkerigheid tot stand zijn gekomen en de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep, terwijl hij (telefonisch) werd bijgestaan door zijn raadsman, meermalen ondubbelzinnig heeft aangegeven zich volledig te kunnen vinden in de gemaakte procesafspraken en daarmee akkoord te gaan, komen deze afspraken voor een beoordeling door het hof in aanmerking.
Beoordeling
Voor het overnemen van de procesafspraken kijkt het hof niet alleen of zij bijdragen aan het verkorten van de procedure en het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waar de afspraken op zien, maar ook of de overeengekomen afspraken voor de afdoening van de zaak redelijk en passend zijn.
Gelet op het voorgaande en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de persoon van de betrokkene en de termijnoverschrijding naar voren is gekomen, acht het hof de in de procesafspraken opgenomen afdoening redelijk en passend.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 28 december 2021 (parketnummer 18-850093-15) voor het tweemaal medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, veroordeeld tot straffen.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Het hof zal het wederrechtelijk verkregen voordeel conform de procesafspraken tussen de betrokkene en het Openbaar Ministerie schatten op een bedrag van € 74.000,00. Het hof acht de door de advocaat-generaal voorgestelde afdoening redelijk en passend nu deze aansluit bij de eigen verklaring van de betrokkene, zoals afgelegd bij de politie en in hoger beroep, dat zijn opbrengst uit de hennepteelt € 74.000,00 bedroeg.
De verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof zal de verplichting tot betaling aan de Staat conform de procesafspraken tussen de betrokkene en het Openbaar Ministerie, zoals die ter zitting in hoger beroep zijn besproken, vaststellen op een bedrag van € 74.000,00.
Het hof zal de betalingsverplichting op hetzelfde bedrag vaststellen, omdat door de betrokkene (nog) geen afstand is gedaan van de conservatoir in beslag genomen contante geldbedragen ter hoogte van € 30.146,19 en ook het afgesproken bedrag van € 43.854,81 (nog) niet is gestort op een daartoe aangewezen bankrekening van het Openbaar Ministerie ter zekerheidstelling. Als alsnog wordt voldaan aan de gemaakte afspraken kunnen deze bedragen conform de overeenkomst tussen de betrokkene en het Openbaar Ministerie in de executiefase op de betalingsverplichting in mindering worden gebracht.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 74.000,00 (vierenzeventigduizend euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 74.000,00 (vierenzeventigduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Aldus gewezen door
mr. L.J. Hofstra, voorzitter,
mr. G. Mintjes en mr. T. Bertens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,
en op 28 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.