Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-05-28
ECLI:NL:GHARL:2025:5076
Strafrecht
Hoger beroep
2,725 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003568-20
Uitspraak d.d.: 28 mei 2025
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 30 september 2020 met parketnummer 16-659200-18, dat bij herstelvonnis van 8 oktober 2020 is hersteld, op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 3 december 2024 en 14 mei 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en haar raadsmanmr. M.C.F. Jansen (neemt waar voor mr. J.J.J. van Rijsbergen), naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Procesafspraken
Voorafgaand aan (het plannen van) de zitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal laten weten met de verdediging in gesprek te zijn over de afdoening van de ontnemingszaak van de betrokkene en dat partijen beogen te komen tot procesafspraken. Op 11 september 2024 heeft het hof de ondertekende overeenkomst met procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de betrokkene ontvangen.
Het gezamenlijke afdoeningsvoorstel houdt – voor zover relevant – in dat:
de betrokkene in het kader van deze overeenkomst:
geen onderzoekswensen indient;
geen bewijsverweren voert en al ingediende onderzoekswensen intrekt;
geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
afstand doet van het in beslag genomen goed;
geen verweer voert tegen de hoogte van het wederrechtelijk verkregenvoordeel en de gevorderde betalingsverplichting.
het Openbaar Ministerie in het kader van deze overeenkomst:
ter terechtzitting zal rekwireren tot vaststelling van de hoogte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 80.553,75, en, met de in mindering te brengen bedragen, vaststelling van de betalingsverplichting op een bedrag van € 0,-.
het gerechtshof zal worden gevraagd de betalingsverplichting vast te stellen op: € 0. Dit bedrag wijkt af van het vonnis van de rechtbank. De redenen hiervoor zijn de volgende:- het Openbaar Ministerie ziet af van toepassing van de mogelijkheid van een hoofdelijke veroordeling en gaat in deze zaak uit van het deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat aan de betrokkene persoonlijk kan worden toegerekend omdat pogingen tot het maken van procesafspraken met [medeverdachte 1] niet tot het gewenste (positieve) resultaat hebben geleid;
- de waarde van de in de strafzaak tegen de [medeverdachte 1] verbeurdverklaarde gelden ter hoogte van € 53.305,75 wordt in mindering gebracht;- de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen waarvan afstand is gedaan, wordt in mindering gebracht, te waarderen op € 14.134 en te vermeerderen met de inmiddels opgebouwde rentevergoeding.
De betrokkene is er nadrukkelijk op gewezen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat wordt ontnomen als gevolg van de lager vast te stellen betalingsverplichting, vermogen blijft dat (onmiddellijk of middellijk) uit misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat de betrokkene zich schuldig maakt aan witwassen als blijkt dat de betrokkene nog over een niet-ontnomen deel van het wederrechtelijkvoordeel beschikt en ter zake daarvan kan worden vervolgd.
Verder zien beide partijen af van cassatie indien de ontnemingsmaatregel door het gerechtshof conform deze overeenkomst plaatsvindt.
overige afspraken:
de betrokkene doet hierbij ten overstaan van de advocaat-generaal, in diens hoedanigheid van plaatsvervangend officier van justitie, afstand van het volgende voorwerp (met inbegrip van de daarover opgebouwde rentevergoeding) dat, bij haar in beslag is genomen en verklaart dat dit voorwerp haar toebehoort:16-659200-18 1 STK Personenauto [kenteken] met waarde bij DVOMF € 14.134,00;
voor zover van toepassing doet de betrokkene daarbij eveneens afstand van de eventueel ter zake van het beslag opgebouwde rentevergoeding.
de betrokkene (indien het hof in de ontnemingszaak arrest wijst conform deze overeenkomst) verklaart betalingsbereid te zijn, in staat te zijn tot betaling en geen draagkrachtverweer te zullen voeren voor wat betreft diens financiële verplichtingen voortvloeiende uit de ontnemingszaak;
de betrokkene ermee instemt dat een afschrift van de overeenkomst aan het Centraal Justitieel Incassobureau wordt verstrekt.
de betrokkene verklaart de procesafspraken te hebben gelezen, de inhoud ervan volledig te begrijpen, in de gelegenheid te zijn gesteld hieromtrent onafhankelijk juridisch advies in te winnen en deze schikking volledig vrijwillig te ondertekenen.
De vordering van het Openbaar Ministerie
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 92.653,75 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van datzelfde bedrag.
Bij conclusie van repliek heeft de officier van justitie de vordering bijgesteld en gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 39.348,75 en dat aan de betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat daarvan wordt opgelegd.
In de hiervoor genoemde procesafspraken is overeengekomen dat de advocaat-generaal in hoger beroep zal rekwireren tot vaststelling van de hoogte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 80.553,75 en vaststelling van de betalingsverplichting op een bedrag van € 0,-.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep – in afwijking van de procesafspraken – gevorderd dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op nihil en dat de vordering wordt afgewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering van de advocaat-generaal te volgen.
Beoordeling
De procesafspraken zijn ter zitting van 14 mei 2025 besproken.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de procesafspraken en de totstandkoming daarvan door beide partijen bevestigd en toegelicht. Daarbij is besproken dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van de voorliggende zaak vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl zij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot een ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het voorliggende afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.
Ter zitting heeft de advocaat-generaal – in afwijking van de procesafspraken – gevorderd dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op nihil en dat de vordering wordt afgewezen.
De verdediging heeft ingestemd met het voorstel van de advocaat-generaal om de procesafspraken op dit onderdeel aan te passen.
De betrokkene heeft ter zitting in aanwezigheid van haar raadsman ondubbelzinnig aangegeven zich volledig te kunnen vinden in de gemaakte procesafspraken en de daaraan ter zitting gemaakt aanpassing en daarmee akkoord te gaan. Daarmee komen de (aangepaste) afspraken voor een beoordeling door het hof in aanmerking.
Beoordeling
Voor het overnemen van de procesafspraken kijkt het hof niet alleen of zij bijdragen aan het verkorten van de procedure en het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waar de afspraken op zien, maar ook of de overeengekomen afspraken voor de afdoening van de zaak redelijk en passend zijn.
Gelet op het voorgaande en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de persoon van de betrokkene en de termijnoverschrijding naar voren is gekomen, acht het hof de procesafspraken zoals die ter zitting in hoger beroep zijn besproken redelijk en passend.
Afwijzing vordering
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 27 juli 2021 (parketnummer 21-004386-18) voor het opzettelijk handelen in strijd met in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en overtredingen van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot straf.
Gelet op de vaststellingen die het hof in de hoofdzaak heeft gedaan en hetgeen overigens uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, is naar het oordeel van het hof onvoldoende komen vast te staan dat de betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen of uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.
Het hof zal daarom, conform de procesafspraken tussen de betrokkene en het Openbaar Ministerie en de aanpassingen daarvan zoals die op de terechtzitting zijn besproken, de vordering afwijzen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door
mr. L.J. Hofstra, voorzitter,
mr. G. Mintjes en mr. T. Bertens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,
en op 28 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.