Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-05-28
ECLI:NL:GHARL:2025:5075
Strafrecht
Hoger beroep
3,040 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000199-17
Uitspraak d.d.: 28 mei 2025
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 5 januari 2017 met parketnummer 07-663175-10 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 18 oktober 2019 en 14 mei 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsman,mr. W. Hendrickx, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Procesafspraken
Voorafgaand aan (het plannen van) de zitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal laten weten met de verdediging in gesprek te zijn over de afdoening van de straf- en ontnemingszaken van de betrokkene en zijn medebetrokkenen [mede betrokkene] en [mede betrokkene 1] en dat partijen beogen te komen tot procesafspraken. Op 11 september 2024 heeft het hof de ondertekende overeenkomst met procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de betrokkene en medebetrokkenen ontvangen.
Het gezamenlijke afdoeningsvoorstel houdt – voor zover relevant – in dat:
de betrokkenen in het kader van deze overeenkomst:
geen onderzoekswensen indienen;
geen bewijs- of kwalificatieverweren voeren en al ingediende onderzoekswensen intrekken;
geen (nadere) verklaring hoeven af te leggen;
afstand doen van het hiervoor genoemde beslag genomen goederen;
geen verweer voeren tegen de hoogte van het wederrechtelijk verkregenvoordeel en de gevorderde betalingsverplichting.
het Openbaar Ministerie in het kader van deze overeenkomst, voor zover relevant voor betrokkene:
ter terechtzitting zal rekwireren tot vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en oplegging van de betalingsverplichting in zijn ontnemingszaak als hiervoor weergegeven;
het gerechtshof zal worden gevraagd om het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op € 169.404,34. Dit bedrag wijkt niet af van het vonnis van de rechtbank.
het gerechtshof zal worden gevraagd om de betalingsverplichting vast te stellen op€ 0,-. Dit bedrag wijkt wel af van het vonnis van de rechtbank. De reden daarvoor is gelegen in het volgende:
- de ouderdom van de feiten en de forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De laatste regiezitting was namelijk op 18 oktober 2019. Vervolgens zijn op verzoek van de verdediging getuigen gehoord. Daarna heeft de zaak erg lang stilgelegen. Zonder overschrijding van de redelijke termijnen had de zaak namelijk binnen twee jaren afgedaan moeten zijn, te weten begin januari 2019, twee jaren na het instellen van appel;
- in de zaak tegen [betrokkene] bedraagt de waarde van conservatoir inbeslaggenomen voorwerpen € 38.860,00, te vermeerderen met de inmiddels opgebouwde rentevergoeding. Door de [betrokkene] is afstand gedaan van deze waarde van het beslag;
- in de zaak tegen [mede betrokkene] bedraagt de waarde van conservatoir inbeslaggenomen voorwerpen € 338.757,10, te vermeerderen met de inmiddels opgebouwde rentevergoeding. [mede betrokkene] heeft afstand gedaan van deze waarde van het beslag;
- de gezamenlijke afdoening van de ontnemingszaken van [betrokkene] en [mede betrokkene] komt erop neer dat de gezamenlijke betalingsverplichtingen worden afgezet tegen het geheel van de in beide zaken conservatoir in beslag genomen vermogensbestanddelen, met inbegrip van de opgebouwde rentevergoedingen. In deze gezamenlijkheid heeft de door [betrokkene] en [mede betrokkene] gedane afstand van de conservatoir in beslag genomen voorwerpen en de rentevergoedingen tot gevolg dat in beide zaken de betalingsverplichting kan worden bepaald op € 0,-.
de afspraken omtrent het beslag:
de [betrokkene] doet hierbij ten overstaan van de advocaat-generaal, in diens hoedanigheid van plaatsvervangend officier van justitie, afstand van de in de (schriftelijke) procesafspraken genoemde voorwerpen (en de daarvoor afgegeven zekerheidsstellingen), die bij hem in beslag zijn genomen en verklaart dat deze voorwerpen hem toebehoren;
[mede betrokkene] doet hierbij ten overstaan van de advocaat-generaal, in diens hoedanigheid van plaatsvervangend officier van justitie, afstand van de in de (schriftelijke) procesafspraken genoemde voorwerpen (en de daarvoor afgegeven zekerheidsstellingen), die bij hem in beslag zijn genomen en verklaart dat deze voorwerpen hem toebehoren.
de afspraken ten behoeve van executie:
[betrokkene] en [mede betrokkene] verklaren betalingsbereid te zijn, in staat te zijn tot betaling en geen draagkrachtverweer te zullen voeren voor wat betreft hun financiële verplichtingen voortvloeiende uit de ontnemingszaken;
de betrokkenen stemmen ermee in dat een afschrift van de overeenkomst (en eventuele bijlage(n)) aan het Centraal Justitieel Incassobureau zal (zullen) worden verstrekt;
de betrokkenen verklaren de procesafspraken te hebben gelezen, de inhoud ervan volledig te begrijpen, in de gelegenheid te zijn gesteld hieromtrent onafhankelijk juridisch advies in te winnen en deze schikking volledig vrijwillig te ondertekenen.
De betrokkenen zijn er nadrukkelijk op gewezen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat niet wordt ontnomen als gevolg van de lager vast te stellen betalingsverplichting, vermogen blijft dat (onmiddellijk of middellijk) uit misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat de betrokkene zich schuldig maakt aan witwassen als blijkt dat de betrokkene nog over een niet-ontnomen deel van het wederrechtelijk voordeel beschikt en ter zake daarvan kan worden vervolgd.
Verder zien beide partijen af van cassatie indien de oplegging van de straf en de ontnemingsmaatregel en de betalingsverplichting door het gerechtshof conform deze overeenkomst plaatsvindt.
De vordering van het Openbaar Ministerie
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 169.404,34 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van datzelfde bedrag.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 169.404,34 en dat de verplichting tot betaling aan de Staat wordt vastgesteld op € 0,-
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de tussen het Openbaar Ministerie en de betrokkene gemaakte procesafspraken te volgen.
Beoordeling
De procesafspraken zijn ter zitting van 14 mei 2025 besproken.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de procesafspraken en de totstandkoming daarvan door beide partijen bevestigd en toegelicht. Daarbij is besproken dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van de voorliggende zaak vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot een ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het voorliggende afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.
Omdat de procesafspraken op basis van vrijwilligheid en op basis van wederkerigheid tot stand zijn gekomen en de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep in aanwezigheid van zijn raadsman meermalen ondubbelzinnig heeft aangegeven zich volledig te kunnen vinden in de gemaakte procesafspraken en daarmee akkoord te gaan, komen deze afspraken voor een beoordeling door het hof in aanmerking.
Beoordeling
Voor het overnemen van de procesafspraken kijkt het hof niet alleen of zij bijdragen aan het verkorten van de procedure en het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waar de afspraken op zien, maar ook of de overeengekomen afspraken voor de afdoening van de zaak redelijk en passend zijn.
Gelet op het voorgaande en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de persoon van de betrokkene en de termijnoverschrijding naar voren is gekomen, acht het hof de in de procesafspraken opgenomen afdoening redelijk en passend.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 28 mei 2025 (parketnummer 21-003489-16) voor het een gewoonte maken van witwassen veroordeeld tot straf.
Dit is een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en tegen betrokkene is een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld. Op grond van artikel 36e, derde lid (oud) Wetboek van Strafrecht kan daarom aan betrokkene de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat uit dat onderzoek aannemelijk is geworden dat betrokkene uit andere strafbare feiten voordeel heeft verkregen.
Het hof zal het wederrechtelijk verkregen voordeel conform de procesafspraken tussen de betrokkene en het Openbaar Ministerie schatten op een bedrag van € 169.404,34. Het hof acht deze afdoening redelijk en passend nu deze aansluit bij de berekening zoals weergegeven in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling van 31 juli 2012 en het aanvullend proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 5 december 2012.
De verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof zal de verplichting tot betaling aan de Staat conform de procesafspraken tussen de betrokkene en het Openbaar Ministerie vaststellen op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 169.404,34 (honderdnegenenzestigduizend vierhonderdvier euro en vierendertig cent).
Stelt de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op nihil.
Aldus gewezen door
mr. L.J. Hofstra, voorzitter,
mr. G. Mintjes en mr. T. Bertens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,
en op 28 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.