Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-08-13
ECLI:NL:GHARL:2025:5039
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,712 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002632-24
Uitspraak d.d.: 13 augustus 2025
VERSTEK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 21 juni 2024 met parketnummer 18-024855-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 juli 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte voor het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde tot een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 500,-. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw recht doen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
feit 1 primair.hij op of omstreeks 22 januari 2024 te [plaats] , gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] met een (metalen) kookrek, althans een soortgelijk voorwerp, tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 1 subsidiair.hij op of omstreeks 22 januari 2024 te [plaats] , gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (metalen) kookrek, althans een soortgelijk voorwerp, tegen het hoofd te slaan;
feit 2.hij op of omstreeks 22 januari 2024 te [plaats] , gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: "We slaan je hartstikke dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Verdachte wordt onder feit 1 primair en subsidiair verweten dat hij tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer] met een (metalen) kookrek, althans een soortgelijk voorwerp, tegen het hoofd heeft geslagen.
Het hof constateert dat aangever [slachtoffer] in zijn aangifte heeft verklaard dat hij op 22 januari 2024 is geslagen met een houten voorwerp, en dat verdachte bij dit geweldsincident betrokken is geweest. Aangever heeft echter niets over het ook geslagen zijn met een (metalen) kookrek verklaard. Uitsluitend de getuige [getuige] heeft verklaard dat er tevens met een kookrek is geslagen. Het dossier bevat afgezien van die verklaring geen informatie over een kookrek dan wel een soortgelijk voorwerp. Een dergelijk voorwerp is niet in beslaggenomen of aan nader sporen(onderzoek) onderworpen. Het hof acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een metalen kookrek of een soortgelijk voorwerp heeft geslagen.
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat een bewezenverklaring kan volgen voor het (tezamen en in vereniging) slaan met “een voorwerp.” Naar het oordeel van het hof zou daarmee echter de grondslag van de tenlastelegging worden verlaten, nu de tenlastelegging uitdrukkelijk is beperkt tot het slaan met een (metalen) kookrek of een soortgelijk voorwerp. Daaronder kunnen niet alle mogelijke voorwerpen begrepen worden.
Gelet op het voorgaande dient verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
Bewijsoverwegingen
Het hof acht het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte van [slachtoffer] en de verklaring van getuige [getuige] . Gelet op de context waarin verdachte en medeverdachte (zijn broer) de bedreigingen hebben geuit, te weten tijdens een mishandeling van aangever door de broer van verdachte, terwijl verdachte daarbij stond, is het hof van oordeel dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking, gericht op het bedreigen van aangever om de door zijn broer gepleegde mishandeling kracht bij te zetten en de kans op mogelijk verzet aldus te verkleinen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 2.hij op 22 januari 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: "We slaan je hartstikke dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2:
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich samen met zijn broer schuldig gemaakt aan bedreiging met de dood van aangever [slachtoffer] . Deze bedreiging vond plaats terwijl verdachtes broer aangever op dat moment ook fysiek mishandelde door deze tegen het hoofd te slaan met een houten voorwerp. Door in deze context gezamenlijk aangever te bedreigen is de impact op aangever aanzienlijk geweest, getuige ook de stukken die ten behoeve van de vordering tot schadevergoeding zijn overgelegd.
Het hof heeft gelet op een de verdachte betreffend uittreksel van 24 juni 2025, waaruit enerzijds blijkt dat verdachte meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, maar anderzijds dat op zijn strafblad – behoudens een veroordeling voor openlijke geweldpleging van 25 jaar geleden – geen bedreigingen of geweldsdelicten voorkomen. Over de persoon van verdachte is verder weinig bekend, nu hij in eerste aanleg noch in hoger beroep ter terechtzitting is verschenen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 250,- (tweehonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 250,- (tweehonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 januari 2024.
Aldus gewezen door
mr. A.J. Rietveld, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. P.S. Bakker, raadsheren,
in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier,
en op 13 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.