Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-07-28
ECLI:NL:GHARL:2025:4669
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
3,413 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005008-22
Uitspraak d.d.: 28 juli 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van
14 oktober 2022 met parketnummer 16-253569-21 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
wonende te [adres]
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 juli 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. S. Rahimzadeh, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft verdachte ter zake van een poging tot oplichting en valsheid in geschrift veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft de politierechter een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis opgelegd.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1.zij in of omstreeks 27 mei 2020 t/m 03 juli 2020 te [plaats] , althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een persoonlijke lening van € 3000,- door een aanvraag voor die lening in te dienen en de benodigde onderbouwende documenten aan te leveren, waarbij het overgelegde rekeningafschrift en/of loonstrook en/of handtekening valselijk bleek te zijn opgemaakt. terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.zij in of omstreeks 27 mei 2020 t/m 03 juli 2020 te [plaats] geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een rekeningafschrift en/of loonstrook en/of handtekening valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door
- persoonsgegevens op een loonstrook te 'plakken' die van iemand anders lijken te zijn en/of - bedragen op een rekeningafschrift aan te passen ( groter en ander lettertype zichtbaar)
- een handtekening van [medeverdachte] te noteren die niet lijkt op de handtekening in het paspoort van [medeverdachte] met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
De advocaat-generaal acht het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. Uit de aangifte blijkt dat er een persoonlijke lening bij [slachtoffer] . is aangevraagd op de naam van verdachte en haar (toenmalige) vriend [medeverdachte] . Bij de aanvraag is verzocht om het bedrag te storten op de rekening van verdachte. Na het ontvangen van de leningsovereenkomst, identiteitsbewijzen, bankafschriften en loonstroken kreeg de bank ernstige twijfels bij de juistheid van de stukken wegens zichtbaar aangepaste pagina’s door een groter en ander lettertype in zowel de bankafschriften als de loonstrook van verdachte. Bovendien kwam de handtekening van [medeverdachte] op de leningsovereenkomst niet overeen met de handtekening op zijn paspoort. Aangever vermoedde dan ook dat verdachte de handtekening van [medeverdachte] heeft gezet, omdat deze handtekening qua stijl gelijkend is aan haar handtekening. Het hof stelt op basis van het dossier vast dat de handtekening op de identiteitskaart van verdachte gelijksoortige ronde kenmerken bevat als de twee handtekeningen op de leningsovereenkomst.
Er is vervolgens door de bank telefonisch contact gezocht met het telefoonnummer dat door de aanvrager(s) is opgegeven bij de aanvraag van de lening. Blijkens de aangifte heeft een medewerker van de afdeling veiligheidszaken vervolgens op dit telefoonnummer contact gehad met een vrouw en deze vrouw verklaarde het bankafschrift zo te hebben gedownload en dat [medeverdachte] de kredietaanvraag wel degelijk mede had aangevraagd. Verdachte heeft bij de politie bevestigd dat dit telefoonnummer van haar is.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. P.A.H. Lemaire, voorzitter,
mr. C.A. Baardman en mr. R.A.J. Hübel, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H.E. Schoenmakers, griffier,
en op 28 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam] , brigadier van de politie Eenheid Midden-Nederland, district Gooi en Vechtstreek, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0900-20225139, gesloten op 3 augustus 2021, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte, p. 8.
Proces-verbaal van overeenkomst persoonlijke lening, p. 17;
kopie ID [slachtoffer] , p. 39;
kopie ID [medeverdachte] , p. 40.
Proces-verbaal van aangifte, p. 8.
Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 32.
Inleiding
Uit het dossier blijkt niet van enige aanwijzing dat een ander dan verdachte gebruik heeft gemaakt van het betreffende 06-nummer, terwijl de verdachte daarvoor evenmin een aannemelijke verklaring heeft gegeven.
Op grond van de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden dat de lening is aangevraagd op naam en rekening van verdachte en de bank contact heeft gehad met een vrouw op het telefoonnummer van verdachte – in hun onderling verband en samenhang bezien – is naar het oordeel van het hof vast komen te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot oplichting en het valselijk opmaken van geschriften.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.zij in de periode of omstreeks 27 mei 2020 t/m 03 juli 2020 te [plaats] , althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een persoonlijke lening van € 3000,- door een aanvraag voor die lening in te dienen en de benodigde onderbouwende documenten aan te leveren, waarbij het overgelegde rekeningafschrift en/of loonstrook en/of handtekening valselijk bleek te zijn opgemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.zij in de periode of omstreeks 27 mei 2020 t/m 03 juli 2020 te [plaats] geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een rekeningafschrift en/of loonstrook en/of handtekening valselijk heeft opgemaakt en heeft vervalst, door
- persoonsgegevens op een loonstrook te 'plakken' die van iemand anders lijken te zijn en/of - bedragen op een rekeningafschrift aan te passen (groter en ander lettertype zichtbaar) en/of
- een handtekening van [medeverdachte] te noteren die niet lijkt op de handtekening in het paspoort van [medeverdachte] met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
poging tot oplichting.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
valsheid in geschrift.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De advocaat-generaal heeft een taakstraf van 60 uren gevorderd.
De raadsman heeft in het geval van een bewezenverklaring een geheel voorwaardelijke straf bepleit.
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot oplichting en valsheid in geschrift. Zij heeft geprobeerd zich wederrechtelijk te bevoordelen door bij het aanvragen van een krediet van in totaal € 3.000,- gebruik te maken van valse en vervalste gegevens. Kredietverstrekkers moeten kunnen vertrouwen op de echtheid van de door aanvragers verstrekte documenten. Verdachte heeft dit vertrouwen beschaamd.
Bij de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met de justitiële documentatie van 12 juni 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op het gegeven dat onderhavige feiten uit 2020 stammen.
Bovendien heeft het hof geconstateerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden , nu het hof pas na twee jaar en zeven maanden na het instellen van het hoger beroep uitspraak doet. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmaat.
In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, te weten ernstige zorgen over de gezondheid van de jonge dochter van verdachte en de daarmee samenhangende moederlijke zorg, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf van 60 uren, passend en geboden is. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de taakstraf verminderen tot 50 uren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 45, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.