Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-07-28
ECLI:NL:GHARL:2025:4668
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
4,716 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001789-23
Uitspraak d.d.: 28 juli 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 28 maart 2023 met parketnummer 16-318640-21 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
wonende te [adres 1] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 juli 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.M.J. Nuijten, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft verdachte ter zake van – kort gezegd – het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en het aanwezig hebben van cocaïne veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en daaraan gekoppeld algemene en bijzondere voorwaarden. Tevens zijn er beslissingen genomen omtrent het beslag.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 24 november 2021 te [plaats] , althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen/pistool, van het merk Walther, model PPQ, kaliber 9x19, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
2.hij op of omstreeks 24 november 2021 te [plaats] , althans in Nederland, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één of meerdere (10), scherpe patronen van het kaliber 9mm Luger (=9x19mm) voorhanden heeft gehad;
3.hij op of omstreeks 24 november 2021 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,73 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
De advocaat-generaal acht het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wettige en overtuigend bewezen.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft hij zich gerefereerd.
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof kan zich vinden in de navolgende overwegingen van de rechtbank. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne. Waar ‘rechtbank’ staat, dient ‘hof’ te worden gelezen. Waar de overweging van de rechtbank aanvulling of – op kleine punten – verbetering behoeft, is dit aangegeven met niet-cursieve tekst. Indien in de overwegingen van de rechtbank taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Bewijsmiddelen
Opmerking hof: onderstaand bewijsmiddel wordt gebezigd voor de feiten 1 en 2.
In een proces-verbaal van bevindingen
is door [verbalisant 1] het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Op woensdag 24 november 2021 te 14.28 uur betrad ik, te samen met genoemde verbalisanten de woning. Hierbij werd de hoofdbewoonster, en tevens later aangehouden verdachte, [naam 1] naar buiten geleid door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] . In de woning waren op dat moment de later aangehouden [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aanwezig.
Op de stoel bevond zich [medeverdachte 2] . Op de rechter tweezitsbank bevond zich [verdachte] . Op het bed bevond zich [medeverdachte 1] . In de keuken bevond zich [medeverdachte 3] . Ik zag en hoorde dat genoemde verbalisanten, de aanwezigen sommeerden hun handen te laten zien en niet verder te bewegen. Hierna werden de aanwezigen één voor één staande gehouden en gefouilleerd.
Nadat alle aanwezigen waren gefouilleerd, is om 14.35 uur gestart met de doorzoeking. Hierbij is eerst de linker tweezitsbank gecontroleerd, waarna [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] plaats namen op deze tweezitsbank.
Nadat [verdachte] gefouilleerd was, bleef hij staan bij het dressoir, waarna de rechter tweezitsbank werd gecontroleerd. Ik zag toen [verbalisant 4] het aan de linkerzijde van de rechter tweezitsbank gelegen kussen optilde dat er een zwart handvuurwapen op de bank lag. Ik zag dat dit handvuurwapen leek op het dienstvuurwapen van de nationale politie.
Opmerking hof: onderstaande bewijsmiddelen worden gebezigd voor feit 3.
In een proces-verbaal van bevindingen
is door [verbalisant 5] en [verbalisant 2] het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Ik, [verbalisant 5] , vroeg ik het bijzijn van [verbalisant 2] , aan de [verdachte] : "Bij deze vorder ik de uitlevering van verdovende middelen." Ik hoorde [verdachte] zeggen: "Kijk maar in mijn zak, daar zit meer." Ik [verbalisant 5] vroeg aan [verdachte] : "Wat bedoel je hier mee." Ik [verbalisant 5] hoorde [verdachte] zeggen: "Kijk nou maar in me zak. daar zit wat in."
Hierop heb ik [verbalisant 5] in de broekzak van [verdachte] gekeken. Ik zag en voelde dat er verschillende kleine zakjes in zijn broekzak zaten. Het is mij ambtshalve bekent dat deze zakje vaak worden gebruik voor drugs. Ik [verbalisant 5] , pakte de zakje en zag dat er een witte poeder in de zakje zat. Wij verbalisanten herkenden ambtshalve deze witte poeder als vermoedelijk cocaïne. Ik [verbalisant 5] zag en voelde dat dit zeven (7) zakjes betrof.
Opmerking hof: onderstaande bewijsmiddelen worden gebezigd voor de feiten 1 en 2.
In een proces-verbaal van relaas
is door [verbalisant 2] het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Inbeslagname: vuurwapen (goednummer: 2911614)
In een proces-verbaal van bevindingen
is door [verbalisant 6] het volgende gerelateerd, zakelijk weergeven:
Naar aanleiding van de aangetroffen, in beslag genomen voorwerpen, werd door mij, in het kader van de Wet wapens en munitie, op donderdag 25 november 2021, een eerste oppervlakkig onderzoek aan een paar van deze voorwerpen ingesteld. Hierbij werd het volgende vastgesteld.
1 .
Conclusie
Opmerking hof: onderstaande bewijsmiddelen worden gebezigd voor de feiten 1 en 2.
In een proces-verbaal van bevindingen betreffende een nader onderzoek in het kader van de Wet wapens en munitie
is onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Het voorwerp (SIN AAPC9317NL (pistool) en AAPC9318NL (patroonmagazijn)) betreft een vuurwapen, merk Walther, model PPQ, kaliber 9x19mm, voorzien van het wapennummer [nummer] . De werking van dit pistool berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.
De voorwerpen met SIN AABD2589NL betreffen 10 scherpe patronen van het kaliber 9mm Luger (=9x 19mm), merken S&B 8x) en G.F.L. (2x), zijn afkomstig uit het patroonmagazijn van het bovengenoemd vuurwapen. Deze patronen zijn munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van dit vuurwapen en elk ander scherpschietend vuurwapen kaliber 9x19mm af te schieten. Derhalve zijn deze patronen munitie in de zin van artikel 1 aanhef onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III in de Wet wapens en munitie.
Ter terechtzitting van het hof op 15 juli 2025 heeft verdachte verklaard, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op de bank zat. Ik heb het wapen aangeraakt. Ik voelde het wapen. Ik wist dat het daar lag.
Bewijsoverwegingen feiten 1 en 2
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst is vereist dat de verdachte een wapen of munitie bewust aanwezig heeft gehad. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Het is derhalve niet vereist dat verdachte eigenaar was van een wapen of de munitie.
Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij op de bank – waar het wapen later door de politie is aangetroffen – heeft gezeten. Ook heeft hij verklaard dat hij het wapen heeft aangeraakt en zich bewust was van het feit dat het wapen daar aanwezig was. Dit wordt gesteund door de uitkomsten van het uitgevoerde forensisch onderzoek, waaruit blijkt dat de aangetroffen DNA-mengprofielen op het wapen elk meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker zijn wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van drie willekeurig onbekende personen.
Gelet op de eigen verklaring van verdachte dat hij het vuurwapen heeft aangeraakt en zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen, de uitkomst van het forensisch onderzoek en de omstandigheid dat het wapen is aangetroffen op de bank waarop verdachte zat, staat voor het hof vast dat verdachte het wapen en munitie bewust voorhanden heeft gehad en dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Het hof acht het onder 1 en 2 tenlastegelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.
De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om getuige [medeverdachte 3] te horen, naar het hof begrijpt voor het geval het hof voornemens zou zijn diens verklaring als steunbewijs te gebruiken. Het hof gebruikt de verklaring van getuige [medeverdachte 3] niet voor het bewijs. Daarmee is de voorwaarde die aan het verzoek is verbonden niet vervuld. Voor het geval de raadsman echter mede heeft bedoeld om aan te geven dat de getuige dient te worden gehoord in geval het hof tot een bewezenverklaring mocht komen, overweegt het hof als volgt. De getuige [medeverdachte 3] heeft verklaard dat verdachte “altijd op die plek op de bank zit”. Het hof acht dit niet van belang voor het bewijs, omdat het tenlastegelegde betrekking heeft op één dag. Verdachte ontkent ook niet dat hij op die dag daar op de bank zat. Dat hij daar mogelijk ook op andere dagen zat, is niet relevant. Het verhoor van de getuige is derhalve niet noodzakelijk. De verdachte is door het niet-horen van deze getuige niet geschaad in de verdediging. Het verzoek wordt afgewezen.
Het verweer van de raadsman dat de op verdachtes smartphone aangetroffen afbeelding van een vuurwapen niet bruikbaar is voor het bewijs, nu er geen machtiging was afgegeven voor onderzoek aan de telefoon wordt door het hof niet verder besproken, nu het hof de aangetroffen afbeelding niet voor het bewijs gebruikt.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij op of omstreeks 24 november 2021 te [plaats] , althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen/pistool, van het merk Walther, model PPQ, kaliber 9x19, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
2.hij op of omstreeks 24 november 2021 te [plaats] , althans in Nederland, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één of meerdere (10), scherpe patronen van het kaliber 9mm Luger (=9x19mm) voorhanden heeft gehad;
3.hij op of omstreeks 24 november 2021 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,73 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De advocaat-generaal heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van drie jaar gevorderd.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een pistool (goednummer PL0900-2021371962-2911614);
- een patroonhouder (goednummer PL0900-2021371962-2911615);
- verdovende middelen (7 stk cocaïne) (goednummer PL0900-2021372068-G2911628).
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een geldbedrag ad € 20,- (goednummer G2911627, IBG 24-11-2021).
Aldus gewezen door
mr. C.A. Baardman, voorzitter,
mr. P.A.H. Lemaire en mr. R.A.J. Hübel, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H.E. Schoenmakers, griffier,
en op 28 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 16 maart 2022, met procesverbaalnummers 2021260563, 2021371962 en 2021372068 opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 171. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Pagina's 31-33.
Pagina's 82 en 83.
Pagina 11.
Pagina’s 51 en 52.
Pagina’s 90-96.
Pagina 155.
Pagina’s 87-89.
Pagina 90.
Pagina’s 44, 45 en 46.
Pagina’s 44 en 45.
Pagina’s 45 en 46.
Verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof op 15 juli 2025.