Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-07-17
ECLI:NL:GHARL:2025:4428
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,735 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummers gerechtshof
200.349.160 ( hoger beroep van de vader) en
200.349.422 (hoger beroep van de moeder)
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 574685
beschikking van 17 juli 2025
over de beëindiging van het gezag over
[de minderjarige1]
en
[de minderjarige2]
in de zaak van
1 [verzoekster] (de moeder)
die woont in [woonplaats1]advocaat: mr. F. Pool
en
2 [verzoeker] (de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. C.J.W. Tijsseling
en
de raad voor de kinderbescherming (de raad)
die is gevestigd in Utrecht
en
(als overige belanghebbenden)
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (de GI als voogd)
die is gevestigd in Utrecht
en
de pleegouders
die wonen op een bij de GI bekend adres.
1
1. Samenvatting
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft op 2 oktober 2024 het gezag van de ouders over de kinderen beëindigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
Feiten
2.1.
De ouders hebben twee kinderen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is geboren [in] 2014 en [de minderjarige2] [in] juli 2019.
2.2.
De ouders hadden tot 2 oktober 2024 samen het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen zijn op 21 juni 2019 onder toezicht gesteld van de GI. [de minderjarige2] was toen nog niet geboren.
2.4.
Op 19 mei 2020 heeft de kinderrechter de GI gemachtigd de kinderen uit huis te plaatsen .
2.5
De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn steeds verlengd en golden tot aan de beëindiging van het gezag van de ouders.
2.6
De kinderen wonen sinds 23 juni 2020 bij de pleegouders.
Procesverloop
3.1.
De raad heeft op 25 april 2024 de rechtbank verzocht het gezag van de ouders over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te beëindigen.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 2 oktober 2024. De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beslissing onmiddellijk is ingegaan en nu geldt, ondanks het door de beide ouders daartegen ingestelde hoger beroep.
Procesverloop
4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. Als het hof dit verzoek niet toewijst, dan verzoekt de moeder om de beslissing over het gezag met zes maanden aan te houden.
4.2.
De vader is het ook niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt, met veroordeling van de raad in de kosten van deze procedure.
4.3.
De raad wil dat de beslissing in stand blijft.
4.4.
.4. De GI wil ook dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
In de zaak met nummer 200.349.422:
het beroepschrift van de moeder, met bijlagen
het verweerschrift van de raad, met bijlage
het journaalbericht van mr. Pool van 22 mei 2025, met bijlage en
het journaalbericht van mr. Pool van 28 mei 2025, met bijlage.
In de zaak met nummer 200.349.160
het beroepschrift van de vader, met bijlagen
het verweerschrift van de raad, met bijlage
het journaalbericht van mr. Tijsseling van 8 mei 2025 met bijlagen.
4.4.
[de minderjarige1] is door het hof uitgenodigd om te komen vertellen wat hij vindt van de beëindiging van het gezag van zijn ouders of om zijn mening daarover in een brief aan het hof te zetten. [de minderjarige1] heeft van die uitnodiging geen gebruik gemaakt.
4.5.
De gezamenlijke mondelinge behandeling van het hoger beroep van de vader en het hoger beroep van de moeder bij het hof was op 3 juni 2025. Aanwezig waren:
de moeder met mr. M. Krol (als vervanger van mr. Pool)
de vader met zijn advocaat
een vertegenwoordiger van de raad
twee vertegenwoordigers van de GI.
Beoordeling
Het hof maakt gelet op de gezamenlijke behandeling van de zaken en de standpunten van de ouders hierna bij de beoordeling van de beide zaken niet steeds expliciet onderscheid tussen de beide ouders.
Wat staat in de wet?
5.1.
In artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechtbank het gezag van een ouder kan beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt.
5.2.
Op grond van artikel 8 lid 1 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft iedereen recht op respect voor zijn privé leven, familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Op grond van lid 2 is geen inmenging van openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Standpunten
5.3.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank waarbij haar gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is beëindigd. Volgens de moeder is de aanvaardbare termijn voor de kinderen niet verstreken. Volgens het rapport van de raad stagneert de ontwikkeling van de kinderen niet, maar laten zij juist een positieve lijn in hun ontwikkeling zien. Hoewel de moeder vindt dat de Gl na de uithuisplaatsing onvoldoende hulpverlening heeft ingezet om aan thuisplaatsing van de kinderen te werken, is zij van mening dat haar opvoedvaardigheden inmiddels zijn verbeterd. De moeder zou het liefst zien dat de kinderen, als dat niet bij haar kan, bij de vader opgroeien, maar geeft ook aan dat het perspectief inmiddels ook voor haar duidelijk is: de kinderen blijven in het pleeggezin. Wanneer de GI de nodige hulpverlening inzet om de moeder te ondersteunen in het accepteren dat het opgroeiperspectief voor de kinderen niet bij haar is, dan is een gezagsbeëindiging wat de moeder betreft niet nodig. Als het hof haar verzoek om het gezag te behouden nu niet toewijsbaar vindt, dan verzoekt de moeder het hof de behandeling van de zaak met zes maanden aan te houden, zodat zij kan laten zien of zij daadwerkelijk vorderingen maakt in haar acceptatieproces.
5.4.
De vader vindt net als de moeder dat beëindiging van hun gezag niet nodig is. Hij verwijst in dat kader naar jurisprudentie op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM): voortzetting van de familieband is niet schadelijk voor de kinderen. De vader erkent dat er over de uithuisplaatsing veel strijd is geweest. Hij heeft voor zichzelf de conclusie getrokken dat dit hem niets heeft opgeleverd en hij legt zich inmiddels neer bij de plaatsing van de kinderen bij de pleegouders. In het voorjaar van 2024 is er een herstelgesprek met de pleegouders geweest. De vader vindt dat overleg over de kinderen prima kan plaatsvinden in een vrijwillig kader. Tot slot is de vader het niet eens met de benoeming van de GI tot voogd. Vanwege de moeizame relatie van vader met de GI vindt de vader het onbegrijpelijk en niet in het belang van de kinderen dat juist deze GI de voogdij heeft gekregen. De slechte verhouding kan zeker niet alleen vader worden verweten.
5.5.
De raad ziet dat de ouders het afgelopen jaar grote stappen hebben gemaakt naar acceptatie van een opgroeiperspectief voor de kinderen dat niet bij hen, maar bij de pleegouders is. Dat neemt niet weg dat de aanvaardbare termijn naar de mening van de raad in dit geval ruimschoots is verstrekken. Over het opvoedperspectief van de kinderen mag geen onduidelijkheid meer bestaan. In het algemeen gaat het volgens de raad goed met de kinderen maar zij hebben ook hun moeilijke momenten. De raad is van mening dat handhaving van het gezag van de ouders en voortzetting van de pleeggezinsplaatsing van de kinderen met hulpverlening vanuit het vrijwillig kader hier niet voldoende is. Het blijft nodig dat er een regievoerder met mandaat vanuit het gedwongen kader betrokken blijft, die keuzes maakt in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , de pleegouders bijstaat en ook kan bijsturen als de samenwerking tussen de betrokken volwassenen moeilijker verloopt. De voogdij dient te worden opgedragen aan de GI, die al lange tijd bij de kinderen betrokken is en hun geschiedenis kent. Het is niet in het belang van de kinderen dat een andere GI betrokken raakt.
Hoe oordeelt het hof?
5.6.
Het hof is na eigen onderzoek van oordeel dat de rechtbank het gezag van de ouders terecht heeft beëindigd. Het hof heeft daarvoor dezelfde redenen als de rechtbank, die het hof overneemt. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.7.
Er zijn de afgelopen jaren veel vormen van hulpverlening ingezet om de kinderen bij (een van) hun ouders te laten opgroeien. Zo is van april 2018 tot en met juli 2019 PCIT (Parent-Child Interaction Therapy) van [naam1] ingezet. Van juli 2019 tot en met september 2019 is [naam2] driemaal per week een dagdeel in het gezin geweest. Die hulp is gevolgd door [naam3] met begeleidingsadviezen. In juli 2020 is een 2thePointtraject gestart, met als doel te onderzoeken of de kinderen terug kunnen naar (een van) de ouders. Dit traject is niet van de grond gekomen vanwege onduidelijkheid bij de ouders over hun relatiestatus: de ouders werden het daardoor bij het afnemen van de beoordelingsboog niet met elkaar eens op welke opvoedingssituatie (ouders bij elkaar of niet) het traject zich zou moeten richten en op welke doelen. De ouders zijn in 2021 uit elkaar gegaan. In mei 2023 is de uitkomst van een NIFP onderzoek dat het opvoedperspectief voor de kinderen niet meer bij de moeder en -hoewel de vader dat anders ziet- ook niet bij de vader ligt.
5.8.
Het hof ziet, net als de raad, dat de ouders sinds de uitkomst van het NIFP rapport stappen hebben gezet. Na een herstelgesprek in het voorjaar van 2024 zijn de ouders tot een verbetering in de samenwerking met de GI en de pleegouders gekomen. Die vooruitgang is echter onvoldoende voor plaatsing van de kinderen in het pleeggezin op vrijwillige basis. Daarvoor zijn de vader en moeder ieder voor zich en samen nog onvoldoende in staat om het jarenlange patroon van strijd helemaal los te laten. Zo blijft de moeder wisselend in het geven van haar emotionele toestemming om de kinderen bij de pleegouders te laten opgroeien, lopen er procedures van zowel vader als moeder over de omgang, is er recent nog een tuchtzaak geweest tussen de vader en de GI en laten de ouders bijvoorbeeld tijdens de mondelinge behandeling bij het hof met betrekking tot de keuze van een sport door [de minderjarige1] zien dat zij inspraak willen hebben op een manier die niet past bij hun rol van ouders op afstand.
5.9.
De kinderen lijken inmiddels meer tot rust te zijn gekomen in het pleeggezin. Volgens de GI gaat het in het algemeen goed met de kinderen. [de minderjarige1] is zover dat hij met therapie bij [naam4] is gestart. Het duurt vanwege zijn belaste verleden lang om zijn vertrouwen te winnen. De therapie lijkt [de minderjarige1] volgens informatie van de raad meer te doen dan dat op het eerste gezicht lijkt.
Dictum
Proceskosten
5.14.
Iedere partij moet de eigen kosten dragen (compensatie van proceskosten), omdat het hier gaat om de beëindiging van het gezag van de ouders.
Dictum
Het hof:
in de zaak met nummer 200.349.160
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 2 oktober 2024 ten aanzien van de beëindiging van het gezag van de vader over de kinderen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ;
in de zaak met nummer 200.349.422
6.2
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 2 oktober 2024 ten aanzien van de beëindiging van het gezag van de moeder over de kinderen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ;
6.3
bekrachtigt de benoeming van de GI tot voogd over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ;
in beide zaken
6.4
wijst af het meer of anders verzochte;
6.5
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.6
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, M.H.F. van Vugt en S. Kropman, leden, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard, als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2025.