Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-01-28
ECLI:NL:GHARL:2025:432
Civiel recht
Hoger beroep
3,738 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.336.917
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 539044
arrest van 28 januari 2025
in de zaak van
Vlasakker Milieu Management B.V.
die is gevestigd in Maasdriel
die hoger beroep heeft ingesteld (appellante)
en bij de rechtbank optrad als eisende partij
hierna: VMM (vrouwelijk, enkelvoud)
advocaat: mr. E.C.M. Braun
tegen
1 [geïntimeerde1]
die woont in Loosdrecht
2. Tribecca Advocaten B.V.
die is gevestigd in Blaricum
die gedaagden zijn in hoger beroep (geïntimeerden)
en bij de rechtbank optraden als gedaagde partijen
hierna: samen: [geïntimeerden] en ieder afzonderlijk: [de advocaat] en Tribecca Advocaten
advocaat: mr. M.D. Meerkerk-van den Boogaard
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
VMM heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 18 oktober 2023 van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht.
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van VMM
het anticipatie-exploot van [geïntimeerden]
de memorie van grieven (met producties 1-4)
de memorie van antwoord (met producties 13-14)
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling van 21 november 2024.
2De kern van de zaak
Waarover gaat het?
2.1
[de advocaat] , werkzaam bij Tribecca Advocaten, heeft VMM vertegenwoordigd in een al lopende procedure van VMM tegen [de derde] Tegen de vordering van VMM had [de derde] in de conclusie van antwoord een beroep gedaan op verjaring omdat de stuitingsbrief van 20 december 2012 haar niet had bereikt. In oktober-november 2015 is [de advocaat] bij de zaak betrokken geraakt. VMM heeft toen enkele dozen met stukken (van de lopende procedure) aan [de advocaat] overhandigd.
2.2
[de advocaat] heeft namens VMM een conclusie van repliek ingediend. De originele stuitingsstukken zijn toen niet in het geding gebracht. In de conclusie van dupliek is wederom een beroep gedaan op verjaring, want geen stuiting.
2.3
Vlak voor de mondelinge behandeling heeft [de advocaat] zich op 22 februari 2016 onttrokken als advocaat, waarna een opvolgend advocaat de zaak heeft overgenomen.
2.4
In het eindvonnis van 16 november 2016 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat de vordering van VMM is verjaard, omdat onvoldoende was onderbouwd dat de verjaring tijdig was gestuit. Het had op de weg van VMM gelegen om te stellen en gemotiveerd te onderbouwen dat de (stuitings)brief van 20 december 20212 [de derde] ook had bereikt en dat heeft VMM nagelaten. De rechtbank heeft nog extra overwogen dat als de vordering niet zou zijn verjaard, dat dan de vordering van VMM gegrond op onrechtmatig handelen ook zou worden afgewezen. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
2.5
Per brief van 16 november 2021 heeft VMM Tribecca Advocaten (t.a.v. [de advocaat] ) aansprakelijk gesteld omdat, kort gezegd, [geïntimeerden] tekortgeschoten zijn is hun dienstverlening aan VMM door niet de originele stuitingsstukken in het geding van VMM tegen [de derde] te brengen, waardoor de vordering van VMM is afgewezen.
2.6
Per brief van 29 november 2021 heeft Tribecca Advocaten aansprakelijkheid afgewezen. De brief is ondertekend door [de advocaat] .
De rechtbankprocedure
2.7
VMM heeft bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat zowel Tribecca Advocaten als [de advocaat] onrechtmatig hebben gehandeld door de originele stuitingsstukken kwijt te maken en daarom aansprakelijk zijn voor de schade van VMM, op te maken bij staat.
2.8
[geïntimeerden] hebben zich beroepen op verjaring van de vorderingen van VMM op hen omdat al in februari 2016 aan VMM bekend was dat de originele stukken niet bij [geïntimeerden] aanwezig waren, dat deze stukken ook niet in het geding tussen VMM en [de derde] gebracht waren (bij de conclusie van repliek) en dat bekend was/zou zijn dat de vorderingen van VMM op [de derde] afgewezen zouden worden op grond van verjaring.
2.9
De rechtbank heeft het beroep op verjaring door [geïntimeerden] gehonoreerd en de vorderingen van VMM afgewezen en haar veroordeeld in de kosten.
2.10
Met dit oordeel is VMM het niet eens en zij heeft daarom hoger beroep ingesteld. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.
Beoordeling
Is de vordering van VMM verjaard?
3.1
Als uitgangspunt kan genomen worden dat met de brief van 16 november 2021 aan Tribecca Advocaten (t.a.v. [de advocaat] ) de vordering van VMM is gestuit. Omdat het hier gaat om een vordering tot schadevergoeding is de regeling van artikel 3:310 lid 1 BW van toepassing, waarin sprake is van een verjaringstermijn van vijf jaren. Deze verjaringstermijn begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen. Dit is het geval, samengevat (en zoals de rechtbank al correct heeft weergegeven onder 3.3 van het eindvonnis), als de benadeelde voldoende zekerheid heeft gekregen dat de schade is veroorzaakt door het (foutief) handelen van de aansprakelijk te stellen persoon. Daarvan is sprake als de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon.In het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2003 overwoog de Hoge Raad met betrekking tot regresvorderingen dat voor het aanvangen van de vijfjarige verjaringstermijn in elk geval is vereist dat daadwerkelijk schade is ontstaan. Later is dit door de Hoge Raad verduidelijkt met betrekking tot regresvorderingen dat de korte verjaringstermijn niet kan gaan lopen voordat de schadevordering opeisbaar is geworden. Hieruit kan niet de conclusie getrokken worden dat deze rechtspraak alleen geldt voor regresvorderingen. Weliswaar wordt in art. 3:310 lid 1 BW de opeisbaarheid van de schadevordering niet uitdrukkelijk genoemd als voorwaarde voor het gaan lopen van de korte verjaringstermijn, maar dit ligt wel besloten in de eis van bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, en de eis dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen.
3.2
[geïntimeerden] menen dat VMM al op 16 februari 2016 op de hoogte was van de door haar geleden of te lijden schade en de hiervoor aansprakelijke persoon. Immers, toen was bekend dat de originele stuitingsstukken niet voorhanden waren en dus ook niet konden worden overgelegd, als gevolg waarvan de vordering van VMM dan zou worden afgewezen.
3.3
VMM daarentegen voeren aan dat zij pas met de schade bekend is geworden met de uitspraak van de rechtbank van 16 november 2016 toen de vordering van VMM werd afgewezen omdat de VMM onvoldoende had gesteld en onderbouwd dat de schriftelijke aansprakelijkstelling van 20 december 2012 de wederpartij [de derde] ook daadwerkelijk had bereikt en wel vóór 30 december 2012.
3.4
Het hof oordeelt als volgt. Met de uitspraak van de rechtbank van 16 november 2016 werd (pas) duidelijk dat sprake was van een afwijzing van de vordering van VMM omdat de originele stuitingsstukken niet in het geding waren gebracht en waardoor VMM schade zou lijden. Pas op dat moment kon VMM een vordering tot schadevergoeding (waarvan de hoogte nog niet vast behoefde te staan) instellen jegens [geïntimeerden] vanwege een tekortkoming (beroepsfout) dan wel onrechtmatig handelen (kwijtmaken stukken). Vóór de uitspraak van 16 november 2016 kon daarvan nog geen sprake zijn om de eenvoudige reden dat niet bekend was wat de rechtbank zou gaan beslissen; er was nog geen sprake van enige schade althans dat er enige schade zou worden geleden.
3.5
[geïntimeerden] hebben nog aangevoerd dat in ieder geval de vordering op [de advocaat] zelf is verjaard, want de brief van 16 december 2021 is enkel gericht aan Tribecca Advocaten en niet aan [de advocaat] .
3.6
Dit betoog van [geïntimeerden] snijdt geen hout. De brief van 16 november 2021 is gericht aan Tribecca Advocaten “t.a.v. de heer [de advocaat] ”. Op deze brief is door Tribecca Advocaten gereageerd per brief van 29 november 2021, die is ondertekend door [de advocaat] zelf. In de daaropvolgende reactie in de brief van 4 januari 2022 schrijft mr. Braun namens VMM onder meer dat de brief (van 16 november 2021) niet alleen per post is verzonden maar ook naar het zakelijk e- mail adres van Tribecca Advocaten én naar het persoonlijk zakelijk e-mailadres van [de advocaat] . Die verzendingen zijn in de daaropvolgende correspondentie niet weersproken door [geïntimeerden] Dat betekent dat ook [de advocaat] zelf op de hoogte was van de aansprakelijkstelling in de brief van 16 november 2021 en dat die brief ook aan hem was gericht. Al deze feiten en omstandigheden tezamen leiden tot het oordeel dat ook [de advocaat] met de brief van 16 november 2021 op de hoogte was van een vordering op hem persoonlijk vanwege een beroepsfout en/of onrechtmatig handelen.
3.7
Dat betekent dat de verjaring van de vordering van VMM op [geïntimeerden] met de brief van 16 november 2021 tijdig is gestuit. Daarmee is echter nog niet gezegd dat de vordering van VMM toegewezen kan worden. Dat zal het hof hierna uitleggen, na bespreking van de preliminaire verweren.
Rechtsverwerking? Schending klachtplicht?
3.8
Kern van het verweer van [geïntimeerden] is dat VMM door vijf jaar niets van zich te laten horen er sprake is van rechtsverwerking dan wel schending van de klachtplicht. VMM was na het indienen van de conclusie van repliek op 14 november 2015 ermee bekend dat de originele stuitingsstukken niet waren overgelegd en was bovendien ook akkoord gegaan met de conclusie van repliek, waarin geen verwijzing naar de “originele stuitingsbrieven” was vermeld. Voordat de conclusie van repliek werd opgesteld heeft [geïntimeerden] meerdere malen om de originele stuitingsstukken gevraagd. VMM zet daartegenover dat op 16 februari 2016 telefonisch (mondeling) is geklaagd toen [de advocaat] haar meldde dat hij de stuitingsstukken niet had ontvangen; bij dit telefoongesprek waren ook getuigen aanwezig.
3.9
Voor rechtsverwerking is meer nodig dan enkel ‘stilzitten’. Om rechtsverwerking te kunnen aannemen is nodig dat de rechthebbende/schuldeiser (hier: VMM) zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van haar recht (art. 6:2 lid 2 BW). Anders gezegd: er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij (hier: [geïntimeerden] ) gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende haar aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht alsnog geldend wordt gemaakt. De feiten en omstandigheden die [geïntimeerden] hiervoor hebben aangedragen, kunnen dit beroep op rechtsverwerking niet dragen. Weliswaar werkt de verlopen tijd in het nadeel van [geïntimeerden] , maar ook in het nadeel van VMM omdat partijen en/of getuigen mogelijk geen scherpe herinnering meer hebben aan wat in het verleden (precies) heeft plaatsgevonden of wat is gezegd. Dit laatste leidt echter nog niet tot een onredelijke verzwaring of benadeling van de positie van [geïntimeerden] Hetzelfde geldt voor de toelichting die tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gegeven naar aanleiding van vragen van het hof. De stukken die in de kelder lagen opgeslagen, hebben waterschade opgelopen, maar volgens [de advocaat] waren dat geen stukken die de verdediging hebben geschaad. Door wisseling provider en het e-mail systeem in 2018 kunnen geen berichten van voor die tijd worden teruggehaald. Dit laatste aspect ligt echter geheel in de risicosfeer van [geïntimeerden] en vond bovendien al plaats in 2018 dus twee jaar na het laatste contact – en dit viel ook nog ruim binnen de lopende verjaringstermijn. Niet gesteld of gebleken is dat er toen een moment was waarop VMM had moeten en kunnen klagen.
Dictum
Het hof:
4.1
Het hof laat VMM toe om te bewijzen dat in oktober 2015 op het kantoor van [geïntimeerden] de originele stuitingsstukken zijn overhandigd (de originele stuitingsbrief/brieven en de retourbewijzen van de ontvangstbevestiging) en dat deze stukken door [geïntimeerden] zijn kwijtgemaakt.
4.2
Als VMM getuigen wil laten horen, zal raadsheer-commissaris mevr. mr. R.A. Dozy de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.
4.3
VMM moet op dinsdag 25 februari 2025 (roldatum) laten weten hoeveel getuigen zij wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Het gaat om de periode maart-juli 2025. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.
4.4
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, S.M. Evers en R.J.A. Dil en in afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste raadsheer en door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2025.
Zie onder andere HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003: AB8168 en de daarna gewezen arresten waarin de Hoge Raad de vereisten hiervoor heeft herhaald en verder verfijnd; zie bijvoorbeeld HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:653
Zie bijvoorbeeld HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1688
ECLI:NL:HR:2003:AF9416
Zie Asser/Sieburgh 6-II 2021, nrs. 411 en 415b
HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593