Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-07-08
ECLI:NL:GHARL:2025:4208
Civiel recht
Hoger beroep
2,749 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.295.225
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 359614
arrest van 8 juli 2025
in de zaak van
Guliker B.V.,
die is gevestigd te Nijkerk
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiser en verweerder op de tegenvordering,
hierna: Guliker (in mannelijk enkelvoud)
advocaat: mr. J.P.J. Botterblom
tegen:
1 [geïntimeerde1]
2. [geïntimeerde2]
die wonen in [woonplaats1]
die ook hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als gedaagden op de vordering van Guliker en eisers van de tegenvordering
hierna gezamenlijk: [geïntimeerde1] (in mannelijk enkelvoud)
advocaat: mr. E.C.M.J. van Kempen
1Het verdere verloop van de procedure bij het hof
Het hof verwijst naar het tussenarrest van 11 februari 2025. Na dit tussenarrest heeft mr. Botterblom middels H-berichten van 28 en 31 maart 2025 gewezen op de afwezigheid van een overweging over de deskundigenkosten en erop gewezen dat Guliker ter uitvoering van het vonnis van de rechtbank € 19.781,15 aan [geïntimeerde1] heeft betaald. [geïntimeerde1] heeft op 15 april 2025 een akte genomen, zoals ook in dat tussenarrest bepaald.
2De verdere beoordeling in hoger beroep
Wat na het vorige tussenarrest aan de orde is
2.1.
Na het vorige tussenarrest moet nog op twee punten beslist worden.
De tegels van D’Ouwe steen
2.2.
Tussen partijen is in geschil of Guliker een bedrag van € 2.720,50 excl. btw (dus: € 3.291,81 incl. btw) voor nieuwe tegels van [geïntimeerde1] aan D’Ouwe Steen heeft betaald. Guliker heeft ter onderbouwing van dat bedrag verwezen naar drie facturen (productie 15 bij memorie van antwoord in incidenteel appel) voor respectievelijk € 2.724,51 incl. btw met factuurnummer 237072, € 600,85 incl. btw met factuurnummer 239505 en € 71,21 incl. btw met factuurnummer 239620, in totaal dus: € 3.396,57. Het hof heeft (r.o. 2.10 van het tussenarrest van 2 mei 2023) geoordeeld dat indien vastgesteld kan worden dat Guliker het bedrag van € 2.720,50 excl. btw ook daadwerkelijk aan D’Ouwe Steen betaald heeft, deze post voor toewijzing in aanmerking komt. Guliker heeft betalingsbewijzen overgelegd voor deze facturen, behalve dat voor factuur 239505 niet € 600,85 is betaald, maar € 539,76. In totaal komen deze betalingsbewijzen neer op een bedrag van € 3.335.48 (incl. btw). Daarmee heeft Guliker op het eerste gezicht aangetoond dat hij (ten minste) het bedrag van € 2.720,50 excl. btw (€ 3.291,81 incl. btw) betaald heeft. [geïntimeerde1] mocht daarop nog reageren.
2.3.
In zijn akte van 15 april 2025 betoogt [geïntimeerde1] dat op de facturen van Guliker voor materialen die hij voor [geïntimeerde1] heeft besteld meerdere items staan die ook al op facturen die d’Ouwe Steen aan [geïntimeerde1] had gestuurd zijn opgenomen. Hij ziet niet in waarom hij twee keer voor hetzelfde moet betalen. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 6 september 2022 (r.o. 2.21) geoordeeld dat Guliker voor [geïntimeerde1] tegels heeft gekocht. In het tussenarrest van 2 mei 2023 (r.o. 2.10) heeft het hof geoordeeld dat het bezwaar van [geïntimeerde1] dat hij de facturen voor deze tegels zelf heeft betaald niet opgaat, omdat de facturen waarnaar hij verwijst niet voor dezelfde bedragen en ook voor andere materialen zijn, waarbij was meegewogen dat Guliker heeft gesteld (en dit is door [geïntimeerde1] niet (voldoende) gemotiveerd betwist) dat dit om extra stenen ging. Ook als op de facturen die [geïntimeerde1] zelf heeft betaald en de facturen die Guliker voor [geïntimeerde1] heeft betaald gedeeltelijk dezelfde materialen staan, betekent dat niet dat Guliker niet extra materiaal voor [geïntimeerde1] heeft besteld. Niet aangevoerd is dat en waarom het niet mogelijk zou zijn dat het hier om extra materiaal gaat of dat het gaat om materiaal dat wel besteld is, maar niet is gebruikt. Het hof ziet daarom geen reden om terug te komen van zijn eerder genomen beslissing. Aan de orde was ook uitsluitend of Guliker d’Ouwe Steen ook betaald heeft. [geïntimeerde1] heeft dat in zijn akte van 15 april 2025 niet betwist. Het hof blijft op dit punt dus bij zijn oordeel. Dit betekent dat [geïntimeerde1] zal worden veroordeeld om aan Guliker het bedrag van € 3.291,81 (incl. btw) te betalen.
Post m) Geluidisolatie spanplafonds
2.4.
Voor de redelijke prijs voor post m) geluidisolatie spanplafonds heeft de deskundige een redelijke prijs van € 635 excl. btw bepaald, maar daarin de materiaalkosten niet meegenomen. Guliker heeft daar in zijn commentaar op het concept- deskundigenrapport op gewezen. Als antwoord heeft de deskundige opgemerkt dat als materiaalkosten meegenomen moeten worden, deze bij dit bedrag moeten worden opgeteld. Het hof heeft in het tussenarrest van 11 februari geoordeeld dat tot de redelijke prijs voor deze werkzaamheden van Guliker op dit punt ook de materiaalkosten horen (r.o. 2.22). De materiaalkosten bedragen volgens Guliker € 1.397,96 excl. btw (€ 1.691,53 incl. btw). [geïntimeerde1] mocht op dit bedrag nog reageren. Hij heeft dat in zijn akte van 15 april 2025 niet gedaan. Het hof zal dus, zoals het in het vorige tussenarrest ook al had gedaan, uitgaan van € 1.691,53 incl. btw.
Samenvatting van de beslissingen
2.5.
Zoals het hof in het vorige tussenarrest heeft bepaald, komt het hof dan ook tot de volgende conclusie: het hoger beroep van Guliker slaagt, het hoger beroep van [geïntimeerde1] faalt.
2.6.
In de vordering van Guliker op [geïntimeerde1] moet [geïntimeerde1] aan Guliker betalen (bedragen incl. btw), zie r.o. 2.1, 2.24 en 2.25 van het tussenarrest van 11 februari 2025:
- door [geïntimeerde1] te betalen voor afgesproken posten € 125.032,88
- redelijke prijs voor extra werkzaamheden € 47.424,00
Subtotaal € 172.456,88
Door Guliker al aan [geïntimeerde1] betaald: - € 130.000,00
Restant door [geïntimeerde1] aan Guliker te betalen € 42.456,88
2.7.
Dit bedrag moet nog worden verhoogd met (zie hierboven):
- facturen D’Ouwe Steen € 3.291,81
- materiaalkosten voor de geluidsisolatie van de spanplafonds € 1.691,53
Subtotaal € 4.983,34
Totaal € 47.440,22
Verrekening van vordering tot schadevergoeding van [geïntimeerde1] op Guliker
2.8.
In r.o. 2.43 van het arrest van 6 september 2022 heeft het hof geoordeeld dat Guliker € 19.781,15 aan [geïntimeerde1] moet betalen als schadevergoeding, met wettelijke rente vanaf 28 december 2018. [geïntimeerde1] heeft zich echter op verrekening beroepen van deze vordering tot vergoeding van zijn schade met zijn verbintenis om Guliker te betalen (nr. 45 van het verweerschrift in de procedure bij de rechtbank). Omdat het hof tot de conclusie komt dat [geïntimeerde1] toch nog een bedrag aan Guliker moet betalen, is dat beroep op verrekening weer relevant. Als gevolg van de verrekening gaat de vordering van Guliker op [geïntimeerde1] teniet voor een bedrag van € 19.781,15. Er resteert dan een bedrag dat [geïntimeerde1] aan Guliker moet betalen van € 27.659,07.
2.9.
Guliker heeft erop gewezen dat hij al € 19.781,15 aan [geïntimeerde1] betaald heeft.
Dictum
Het hof:
3.1.
vernietigt de vonnissen van de rechtbank in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 11 september 2019, 4 november 2020 en 24 februari 2021 en beslist zoals hieronder bepaald.
In de vordering van Guliker
3.2.
veroordeelt [geïntimeerde1] hoofdelijk om € 27.659,07 aan Guliker te betalen, met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 24 november 2018;
3.3.
veroordeelt [geïntimeerde1] tot terugbetaling aan Guliker van alles wat Guliker op grond van het vonnis van 24 februari 2021 aan [geïntimeerde1] heeft betaald;
In de vordering van [geïntimeerde1]
3.4.
verklaart voor recht dat Guliker toerekenbaar tekort is geschoten in de met [geïntimeerde1] gesloten aannemingsovereenkomst, ontbindt die aannemingsovereenkomst voor zover het de ondeugdelijke verrichte werkzaamheden betreft en verklaart voor recht dat [geïntimeerde1] in zoverre van zijn betalingsverplichtingen jegens Guliker is bevrijd;
In de vorderingen van Guliker en [geïntimeerde1]
3.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure bij de rechtbank in de vorderingen van zowel Guliker als van [geïntimeerde1] ;
3.6.
veroordeelt [geïntimeerde1] tot betaling van de volgende proceskosten van Guliker in het hoger beroep van Guliker:
€ 5.610,- aan griffierecht
€ 89,41 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde1]
€ 4.713,- aan salaris van de advocaat van Guliker (3 procespunten x tarief III)
€ 752,98 aan beslagkosten
€ 4.750,- aan deskundigenkosten;
3.7.
veroordeelt [geïntimeerde1] tot betaling van de volgende proceskosten van Guliker in het hoger beroep van [geïntimeerde1] :
€ 2.356,50 aan salaris van de advocaat van Guliker (1/2 x 3 procespunten x tarief III);
3.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.9.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A van Dam, L.A. de Vrey en J.C.J. Luijten en is door de rolraadsheer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2025.
In r.o. 2.33 van het tussenarrest van 11 februari 2025 stond per abuis een bedrag van € 223,60 vermeld, terwijl het proces-verbaal van beslaglegging het bedrag van € 223,40 vermeldt.