Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-07-01
ECLI:NL:GHARL:2025:4039
Civiel recht
Hoger beroep
6,051 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.349.826
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Amersfoort: 10958615
beschikking van 1 juli 2025
in de zaak van
1 [verzoeker1] ( [verzoeker1] )
en
2. [verzoekster2] ( [verzoekster2] )
die wonen in [woonplaats1]
advocaat: mr. P.I. Meijers
en
Vereniging van Eigenaars van het gebouw [naam gebouw] , [adres] te [woonplaats1] (VvE Gebouw B)
die is gevestigd in [woonplaats1]
advocaat: mr. A.J.C. Goldhoorn
en als belanghebbenden
1 [belanghebbende1]
2. [belanghebbende2]
3. [belanghebbende3]
4. [belanghebbende4]
5. [belanghebbende5]
6. [belanghebbende6]
7. [belanghebbende7]
8. [belanghebbende8]
9. [belanghebbende9]
die wonen in [woonplaats1]
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[verzoeker1] en [verzoekster2] (hierna samen: [verzoekers] ) hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Amersfoort (hierna: de kantonrechter), op 11 december 2024 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
het beroepschrift van [verzoekers] ;
het verweerschrift van VvE Gebouw B;
de nagekomen stukken van [verzoekers] ;
de nagekomen stukken van VvE Gebouw B.
1.2.
Op 14 mei 2025 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden, waarbij [verzoeker1] en [verzoekster2] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Meijers en namens VvE Gebouw B is verschenen mevrouw [belanghebbende6] , bestuurder van VvE Gebouw B, bijgestaan door mr. Goldhoorn. Ook zijn enkele appartementseigenaren als belanghebbenden en de beheerder van VvE Gebouw B verschenen.
2De kern van de zaak
2.1.
[verzoekers] zijn eigenaar van een appartementsrecht in het gebouw gelegen aan de [adres] in [woonplaats1] . [verzoekers] hebben een balkonscherm van bamboepalen op hun balkon geplaatst. In zowel de hoofdsplitsingsakte als in de ondersplitsingsakte van VvE Gebouw B is bepaald dat het zichtbaar aanbrengen van (onder andere) wind- en terrasschermen alleen mag met toestemming van de algemene ledenvergadering (hierna ook: de vergadering). Die toestemming hebben [verzoekers] niet van te voren gevraagd. VvE Gebouw B heeft [verzoekers] mede daarom verzocht om het balkonscherm te verwijderen. [verzoekers] hebben dit niet gedaan. In een extra vergadering is het besluit genomen dat het balkonscherm wordt afgekeurd en door [verzoekers] verwijderd moet worden (hierna: het besluit). Volgens [verzoekers] moet het besluit vernietigd worden, omdat het tot stand is gekomen in strijd met de statutaire bepalingen dan wel in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
2.2.
[verzoekers] hebben de kantonrechter verzocht het besluit te vernietigen en hen een vervangende machtiging te verlenen om het balkonscherm te mogen behouden voor zolang zij eigenaar zijn van het appartementsrecht. Daarnaast hebben [verzoekers] de kantonrechter verzocht een besluit van de hoofd-VvE met betrekking tot een verhoging van de maandelijkse bijdrage voor tuinonderhoud nietig te verklaren. Dit laatste verzoek maakt geen onderdeel uit van het hoger beroep.
2.3.
De kantonrechter heeft [verzoekers] . niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek jegens VvE Gebouw B. De bedoeling van het hoger beroep is dat het verzoek tot vernietiging van het besluit alsnog wordt toegewezen.
2.4.
Het hof zal beslissen dat [verzoekers] wel ontvankelijk zijn in hun verzoek ten aanzien van VvE Gebouw B, maar dat geen sprake is van een vernietigbaar besluit. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking van de kantonrechter vernietigen voor zover het gaat over de beslissing dat [verzoekers] niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek ten aanzien van VvE Gebouw B. Het hof zal het verzoek in zoverre alsnog afwijzen en voor het overige de beschikking in stand laten. Hierna legt het hof uit hoe het tot dat oordeel is gekomen.
Feiten
3.1.
Bij akte van hoofdsplitsing in appartementsrechten van 7 juni 2021 is het project [adres] te [woonplaats1] , (het Project) gesplitst in drie appartementsrechten. Het Project bestaat uit Gebouw A, Gebouw B, parkeerplaatsen en om- en onderliggend terrein. Bij de hoofdsplitsing zijn drie appartementsrechten ontstaan die recht geven op het exclusieve gebruik van Gebouw A, Gebouw B, respectievelijk de parkeerplaatsen.
Deze drie appartementsrechten zijn op hun beurt, bij akten van ondersplitsing van eveneens 7 juni 2021, gesplitst in appartementsrechten.
[verzoekers] zijn gerechtigd tot (eigenaar van) een (onder)appartementsrecht gelegen in Gebouw B.
3.2.
In zowel de hoofdsplitsingsakte als in de ondersplitsingsakte van VvE Gebouw B is in artikel 24 het volgende bepaald:
“
Artikel 24
Verbodsbepalingen Gebouw en Gemeenschappelijke Gedeelten
(…)
24.3
Het zichtbaar aanbrengen in of aan het Gebouw dan wel op de Grond van naamborden, reclameaanduidingen, uithangborden, zonweringen, wind- en - terrasschermen, rolluiken, zonnepanelen, boilers, vlaggen, spandoeken, bloembakken, schijnwerpers, (schotel-) antennes, antennes van zendamateurs, alarminstallaties, luchtbehandelings- en koelinstallaties, en in het algemeen van uitstekende voorwerpen, alsmede het in het zicht hangen van wasgoed, mag slechts geschieden met toestemming van de Vergadering of volgens regels te bepalen in het Huishoudelijk Reglement. Het in de vorige zin
bepaalde geldt mede voor de tot de Privé-gedeelten behorende buitenruimten.
(…)”
3.3.
Halverwege 2023 hebben [verzoekers] vanwege privacyoverwegingen een balkonscherm van bamboepalen aan de zijkant van hun balkon geplaatst, zonder voorafgaand toestemming te vragen. Namens het bestuur is bij e-mail van 6 september 2023 en van 26 oktober 2023 aan [verzoekers] verzocht tot verwijdering van het balkonscherm over te gaan, omdat geen toestemming is verleend door de vergadering. Daarnaast gaat de architect van het gebouw niet akkoord met het balkonscherm omdat het afbreuk doet aan zijn ontwerp.
3.4.
[verzoekers] hebben hun balkonscherm vervolgens niet verwijderd. Volgens [verzoekers] is onder andere sprake van willekeur aangezien het bestuur tegen diverse wijzigingen, aanpassingen of gebruikmaking van de gemeenschappelijke delen in strijd met het splitsingsreglement, want zonder toestemming van de VVE, door anderen niet heeft opgetreden. [verzoekers] hebben hiervan een lijst opgesteld en aan het bestuur toegezonden.
3.5.
Uiteindelijk is een vergadering uitgeroepen op 2 februari 2024. Zowel het balkonscherm van [verzoekers] als alle punten die op de lijst van [verzoekers] stonden zijn op de agenda geplaatst.
3.6.
Tijdens deze vergadering zijn alle punten op de lijst van [verzoekers] doorgenomen. Ook is alsnog gestemd over het balkonscherm van [verzoekers] Met een meerderheid van stemmen is besloten dat het balkonscherm moet worden verwijderd.
4De toelichting op de beslissing van het hof
Greven c.s. zijn ontvankelijk in hun verzoek ten aanzien van VvE Gebouw B
4.1.
Volgens VvE Gebouw B zijn [verzoekers] niet-ontvankelijk in hun verzoek. VvE Gebouw B voert daartoe aan dat het verzoek tot vernietiging van een besluit van de VvE bij de kantonrechter ingediend moet worden binnen een maand na de dag waarop de verzoeker van het besluit kennis heeft genomen (artikel 5:130 lid 2 BW). Het oorspronkelijke verzoekschrift van [verzoekers] is weliswaar binnen die termijn ingediend, maar volgens VvE Gebouw B is dit verzoekschrift enkel gericht tegen de hoofd-VvE. Niet de hoofd-VvE, maar VvE Gebouw B heeft echter het besluit genomen. In een herziene versie van het verzoekschrift (hierna: verzoekschrift 2) – die buiten de termijn van één maand is ingediend – wordt pas melding gemaakt van VvE Gebouw B als verweerder. Volgens [verzoekers] hebben zij hun verzoek verduidelijkt in verzoekschrift 2, hetgeen is toegestaan op grond van artikel 1.2.7. van het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton. De datum van indiening van het eerste verzoekschrift heeft dan ook volgens [verzoekers] te gelden als de datum waarop het verzoekschrift is ingediend. Volgens VvE Gebouw B biedt dit artikel slechts de mogelijkheid om het verzoekschrift aan te vullen waar het gaat om de omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het verzoek berust. Het aanvullen van procespartijen valt daar niet onder. Het verzoekschrift 2 is dan ook te laat ingediend, aldus VvE Gebouw B.
4.2.
Het hof stelt voorop dat de wet alleen voorschrijft dat het verzoekschrift de voornamen, naam en woonplaats of het werkelijk verblijf van de verzoeker vermeldt, naast een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust (artikel 278 lid 1 Rv). De wet voorziet niet in een bepaling dat belanghebbenden (of zoals VvE Gebouw B zegt: ‘verweerders’) moeten worden genoemd in het verzoekschrift. Het is op grond van artikel 279 lid 1 Rv aan de rechter om op basis van de inhoud van het verzoek belanghebbenden op te roepen. Hij kan daarbij ook belanghebbenden oproepen die niet zijn vermeld in het verzoekschrift. In het geval van een verzoek tot vernietiging van een besluit van een VvE moeten in ieder geval worden opgeroepen alle andere stemgerechtigden en de VvE (artikel 5:130 lid 3 BW). Iedere belanghebbende kan op grond van artikel 282 Rv vervolgens een verweerschrift indienen. Het was op grond van het oorspronkelijke verzoekschrift voldoende duidelijk dat het verzoek tot vernietiging van [verzoekers] is gericht tegen het besluit van VvE Gebouw B van 2 februari 2024. Dat betekent dat het oorspronkelijke verzoekschrift in zoverre voldoet aan de wettelijke eisen. Het verzoek is daarmee ook tijdig ingediend bij de kantonrechter. De bestreden beschikking zal dan ook op dit punt vernietigd worden.
Juridisch kader: vernietigbaarheid van VvE-besluiten
4.3.
Een besluit van een orgaan van een VvE kan op grond van artikel 2:15 lid 1 BW onder andere worden vernietigd als sprake is van (sub a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of (sub b) strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Artikel 2:8 lid 1 BW bevat een gedragsregel die inhoudt dat een rechtspersoon (de VvE) en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken (zoals de vergadering, het bestuur en de leden) zich tegenover elkaar moeten gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid. Een besluit is pas vernietigbaar op deze grond als een besluit naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de genoemde gedragsregel. Dit is een marginale toets. De toetsingsmaatstaf voor de rechter is of de vergadering van VvE Gebouw B bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.
Vernietiging op grond van strijd met statutaire bepalingen?
4.4.
Volgens [verzoekers] is het besluit vernietigbaar op grond van sub a omdat het besluit niet op de voorgeschreven manier is genomen. Allereerst is volgens hen de vergadering van 2 februari 2024 waarin het besluit is genomen niet door het bestuur uitgeroepen, terwijl dit gelet op artikel 50 van de ondersplitsingsakte van VvE Gebouw B wel is vereist. Het hof gaat hier niet in mee. Uit de overgelegde stukken volgt dat de vergadering van 2 februari 2024 is uitgeroepen namens het bestuur van VvE Gebouw B. Dat deze uitroeping onbevoegd zou hebben plaatsgevonden is niet gebleken.
Conclusie
4.13.
De slotsom is dat [verzoekers] weliswaar ontvankelijk zijn in hun verzoek ten aanzien van VvE Gebouw B, maar dat het verzoek op inhoudelijke gronden zal worden afgewezen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het verzoek van [verzoekers] in hoger beroep om voor recht te verklaren dat het besluit over het palenscherm niet met een meerderheid van stemmen is genomen en dus is verworpen ook niet toewijsbaar. Omdat [verzoekers] grotendeels in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten van VvE Gebouw B in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
4.14.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4.15.
Tot slot overweegt het hof dat het heeft geconstateerd dat tussen partijen meer speelt dan alleen de kwestie omtrent het balkonscherm. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen te kennen gegeven dat zij bereid zijn om mediaton te beproeven. In het kader van die mediaton zou ook aan de orde gesteld kunnen worden of er alternatieve oplossingen zijn voor de door [verzoekers] gewenste privacy. Tijdens de mondelinge behandeling zijn vanuit de VvE Gebouw B reeds verkennende suggesties gegeven (zoals een plantenbak met daarin hoge beplanting) die mogelijk een uitkomst kunnen bieden voor de door [verzoekers] gewenste privacy.
Dictum
Het hof:
5.1.
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Amersfoort, van 11 december 2024, voor zover daarin onder 4.3 [verzoekers] niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun verzoek tot vernietiging en vervangende machtiging jegens VvE Gebouw B en beslist in zoverre opnieuw als volgt;
5.2.
wijst het verzoek van [verzoekers] tot vernietiging en vervangende machtiging ten aanzien van VvE Gebouw B en het verzoek tot verklaring voor recht af;
5.3.
bekrachtigt voor het overige, voor zover aan hoger beroep onderworpen, de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Amersfoort, van 11 december 2024;
5.4.
veroordeelt [verzoekers] tot betaling van de volgende proceskosten van VvE Gebouw B:
€ 827,- aan griffierecht
€ 2.428,- aan salaris van de advocaat van VvE Gebouw B (2 procespunten x appeltarief II)
5.5.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
5.6.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst af wat verder is gevorderd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F van Vugt, H.L. Wattel en M. Wallart, en is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2025.
HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.
Feiten
Los daarvan is ook niet gesteld of gebleken dat [verzoekers] voorafgaand aan en/of tijdens de vergadering bezwaar hebben gemaakt tegen de wijze van uitroeping. [verzoekers] zijn zelfs ter vergadering verschenen. Als al geconcludeerd moet worden dat niet het (gehele) bestuur de vergadering heeft uitgeroepen, is niet gebleken dat [verzoekers] daardoor in hun belangen zijn geschaad.
4.5.
Verder is volgens [verzoekers] een te korte oproepingstermijn gehanteerd. In artikel 50.2 van de ondersplitsingsakte van VvE Gebouw B is opgenomen dat tenminste een termijn van vijftien dagen moet zitten tussen de dag waarop de uitnodiging wordt verstuurd en de dag van de vergadering. Daarbij tellen niet mee de dag waarop de vergadering plaatsvindt en de dag van de uitnodiging. Strikt genomen is deze oproepingstermijn niet in acht genomen nu niet vijftien, maar veertien dagen tussen de uitnodiging en de dag van de vergadering zaten. Anders dan [verzoekers] menen, leidt dit echter niet zonder meer tot vernietigbaarheid van het besluit. De gedachte achter de termijnbepaling is dat VvE-leden tijdig kennis kunnen nemen van de agendapunten en zo voldoende tijd hebben om zich op de geagendeerde onderwerpen voor te bereiden. De termijn van veertien dagen is niet dusdanig kort dat [verzoekers] en de andere VvE-leden zich niet goed hebben kunnen voorbereiden op de punten die ter beslissing voorlagen. Er is ook niet gesteld of gebleken dat [verzoekers] door de verkorting van de termijn met één dag op enige wijze in hun belangen zijn geschaad. Onder die omstandigheden is het ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat zij zich op de bedoelde regel in de splitsingsakte beroepen.
4.6.
[verzoekers] voeren verder aan dat onduidelijk was waarover tijdens de vergadering van 2 februari 2024 gestemd zou moeten worden. Het hof volgt [verzoekers] ook hierin niet. Bij de e-mail waarin de vergadering werd uitgeroepen, is namelijk een agenda gevoegd met daarop het punt ‘Palenscherm familie [verzoeker1] ’. Daarnaast is de gehele correspondentie tussen [verzoekers] en de VvE Gebouw B (en hun gemachtigden) over het geplaatste balkonscherm toegevoegd aan diezelfde e-mail. Daaruit bleek duidelijk waarop het betreffende agendapunt betrekking had. Uit de notulen van de vergadering blijkt ook niet dat er enige onduidelijkheid bestond over de kwestie waarover gestemd moest worden.
4.7.
Ook aan de stelling van [verzoekers] dat een (rechtsgeldige) machtiging ontbrak voor een uitgebrachte stem namens een afwezig lid (hierna: [belanghebbende5] ), gaat het hof voorbij. VvE Gebouw B heeft de machtiging overgelegd. [verzoekers] hebben tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep de echtheid van de machtiging betwist. Deze betwisting acht het hof echter onvoldoende gemotiveerd. De omstandigheid dat [belanghebbende5] eerder aan [verzoekers] te kennen heeft gegeven dat zij voor het mogen handhaven van het balkonscherm zou stemmen, maakt nog niet dat de overgelegde machtiging niet echt zou zijn. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat [belanghebbende5] – als zij daadwerkelijk heeft gezegd dat zij geen bezwaar had tegen het balkonscherm – in de tussentijd van mening is veranderd. Dat doorgaans machtigingen per e-mail worden verstuurd en de machtiging pas later in het geding is gebracht, levert ook geen omstandigheden op waaruit volgt dat de machtiging niet echt is. [verzoekers] hadden verder bij [belanghebbende5] kunnen verifiëren of zij de overgelegde machtiging heeft verstrekt. Dat hebben zij kennelijk niet gedaan. Een kale betwisting van de echtheid van de machtiging volstaat dan niet.
Vernietiging op grond van strijd met de redelijkheid en billijkheid
4.8.
[verzoekers] hebben ook aangevoerd dat het besluit vernietigbaar is op grond van sub b van artikel 2:15 lid 1 BW, oftewel dat het besluit is genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Zij voeren daartoe allereest aan dat zij vóór de vergadering van 2 februari 2024 een schriftelijke meerderheid hadden verkregen van de andere leden. Het hof acht dit echter niet relevant. Ook als dat het geval is, neemt dat niet weg dat tijdens de vergadering de uiteindelijke besluitvorming plaatsvindt (daar is de vergadering ook voor bedoeld). Wat in het voorstadium is geuit door de leden doet dan ook niet ter zake. Het standpunt van [verzoekers] dat op grond van het ondertekende document de stemmen in ieder geval staakten en dat het voorstel daarom geacht moet worden te zijn verworpen, kan dus ook niet worden gevolgd.
4.9.
Verder is van ongeoorloofde beïnvloeding van het bestuur, zoals gesteld door [verzoekers] , niet gebleken. Dat het bestuur de mening van de architect heeft gevraagd en deze vervolgens heeft gedeeld met de leden, is op zich zelf niet vreemd, te meer omdat in de hoofd- en ondersplitsingsakten bepalingen zijn opgenomen waaruit volgt dat voor veranderingen met betrekking tot het architectonisch uiterlijk toestemming van de vergadering noodzakelijk is. Dat de indruk is ontstaan onder de leden dat het noodzakelijk is dat de architect akkoord moest gaan, volgt nergens uit. Dat leden wellicht bij hun keuze rekening hebben gehouden met de mening van de architect, maakt nog niet dat zij onacceptabel zijn beïnvloed door het bestuur.
4.10.
Evenmin is gebleken dat sprake is geweest van onzorgvuldige besluitvorming, zoals [verzoekers] hebben aangevoerd. Volgens [verzoekers] was er te weinig tijd (één uur) om alle agendapunten (22 punten) te bespreken en werd geen tijd ingeruimd voor toelichting en vragen. Pogingen daartoe werden afgekapt. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat [verzoekers] hun punt niet voldoende naar voren hebben kunnen brengen. Alle leden beschikten voor de vergadering immers al over de in 4.6 genoemde correspondentie tussen partijen. Uit die correspondentie volgt duidelijk wat het standpunt is van [verzoekers] Dat standpunt hebben [verzoekers] consistent uitgedragen. Dat er niet voldoende tijd is geweest om het betreffende onderwerp tijdens de vergadering te bespreken, is als zodanig niet voldoende gesteld.
4.11.
Tot slot stellen [verzoekers] zich op het standpunt dat sprake is van willekeur omdat het bestuur niet consequent optreedt in soortgelijke gevallen. Ter onderbouwing daarvan hebben [verzoekers] een lijst overgelegd van andere gevallen waarin de vergadering om toestemming gevraagd had moeten worden, maar waarin dat niet is gebeurd en ook niet handhavend is opgetreden. Het hof volgt [verzoekers] hierin niet. Het hof stelt allereerst vast dat sommige punten niet onder de besluitvormingsbevoegdheid van VvE Gebouw B vallen, waardoor deze punten niet relevant zijn voor de vraag of VvE Gebouw B willekeurig heeft gehandeld. Uit de notulen van de vergadering van 2 februari 2024 volgt verder dat elk door [verzoekers] naar voren gebracht punt aan de orde is gekomen. De vergadering heeft besloten dat voor sommige punten geen toestemming vereist is, dat sommige punten al afgehandeld waren en heeft over sommige situaties alsnog gestemd en toestemming verleend (of juist niet). Los hiervan kunnen al deze naar voren gebrachte punten niet aangemerkt worden als gelijke gevallen. De genoemde situaties zien op andere kwesties, waarin het in beginsel aan de VvE is om af te wegen of toestemming is vereist en zo ja, of zij deze al dan niet verleent. Van willekeur kan daarom alleen al geen sprake zijn.
4.12.
Het verzoek van [verzoekers] om een vervangende machtiging om het balkonscherm te mogen behouden voor zolang zij eigenaar zijn van het appartementsrecht rust op dezelfde gronden als die zij hebben aangevoerd voor de vernietiging van het besluit van 2 februari 2024. Die gronden heeft het hof hiervoor als onvoldoende beoordeeld. Dat de vergadering haar toestemming voor het plaatsen van het scherm zonder redelijke grond heeft geweigerd is verder niet gebleken.