Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-06-18
ECLI:NL:GHARL:2025:3855
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
6,607 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004422-24
Uitspraak d.d.: 18 juni 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 1 oktober 2024 met parketnummer 08-321700-23 in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
thans verblijvende in [verblijfplaats] .
Hoger beroep
Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.J.D. Groenendijk, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. S.M. Diekstra, en [benadeelde] naar voren is gebracht.
Vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij vonnis van 1 oktober 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van verkrachting veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van het voorarrest. Tevens is beslist op de vordering van de [benadeelde] .
Het hof is van oordeel dat de rechtbank goeddeels op juiste gronden en juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis bevestigen zij het met aanvulling van gronden en behalve voor zover het betreft de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de [benadeelde] . Ten aanzien van deze onderdelen van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Aanvulling van gronden
Alternatief scenario
Het door de verdediging ook in hoger beroep geschetste alternatieve scenario - kort samengevat - dat aangeefster [benadeelde] en verdachte in [het café] een gesprek hebben gevoerd, waarin zij afgesproken zouden hebben dat verdachte haar zou (achter)volgen naar haar woning, waarna zij de deur voor hem zou open laten en zij vervolgens overeenkomstig die afspraak vrijwillig seks zouden hebben, welke afspraak aangeefster mogelijk door een black-out zou zijn vergeten, acht hof niet aannemelijk geworden. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Verdachte heeft op 5 december 2023 bij de politie verklaard dat het gesprek tussen hem en aangeefster plaatsvond bij de toiletten. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte die verklaring overigens gewijzigd en verklaard dat het gesprek plaatsvond tussen de bar en de dansvloer.
De politie heeft alle beschikbare camerabeelden van [het café] bekeken en heeft hierbij geconstateerd dat in [het café] geen gesprek tussen verdachte en aangeefster is waar te nemen. Het gaat daarbij ook om camerabeelden van twee camera’s, die de beide locaties waarover verdachte verklaart in beeld hebben. Een van de camera’s in [het café] heeft zicht op de toiletten. Op de beschikbare beelden van de ruimte bij de toiletten is geen gesprek tussen verdachte en aangeefster waargenomen. Ook op de beelden van de camera die op de dansvloer is gericht, heeft de politie geen gesprek tussen beiden gezien. De camerabeelden, waarvan de verdediging heeft gesteld dat daarop wel contact en/of een gesprek tussen verdachte en aangeefster te zien zou zijn, zijn ter terechtzitting meerdere keren getoond en zowel de verdediging als het hof heeft hierop geen gesprek tussen verdachte en aangeefster kunnen waarnemen. Het gaat hierbij ook om de camerabeelden die door de raadsvrouw in haar pleitnota eerste aanleg ten onrechte zijn aangeduid met “Dansvloer deel 1” en door haar daarin als volgt worden beschreven: “Dat aangeefster om 04.31:42u vanaf [getuige] in de richting van client loopt en dat zij in elkaars buurt met elkaar lijken te dansen of spreken, waarna aangeefster om 04:32:49u weer terug is bij [getuige] .
Op de beelden van de camera die op de dansvloer en in de richting van de bar is gericht, is mogelijk een zeer kort moment (van ongeveer een seconde) van (oog)contact tussen beiden waar te nemen. Ten aanzien van dat specifieke moment is echter niet vast te stellen of dat een toevallig contact in het voorbijgaan was, of dat dit een wederkerig contact was en of het een doelbewust - zoals verdachte stelt - door aangeefster met hem gezocht contact was. Het zeer korte moment van dit contact kan geenszins geduid worden als een gesprek of het (snel) maken van een afspraakje. Ten overvloede merkt het hof op dat verdachte heeft verklaard dat het gesprek enkele minuten heeft geduurd en dat dit gelet op voorgaande niet is waar te nemen op de camerabeelden van [het café] .
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep, met verwijzing naar het proces-verbaal van bevindingen op pagina 160 e.v., nog aangevoerd dat niet valt uit te sluiten dat het door verdachte bedoelde gesprek toch nog op een ander moment heeft plaatsgevonden, namelijk gedurende de tijdspanne van ongeveer 6 minuten dat verdachte en aangeefster mogelijk al wel in [het café] waren maar waarvan kennelijk geen camerabeelden beschikbaar zijn.
Het hof is van oordeel dat dit op geen enkele wijze onderbouwde -en daarmee louter speculatieve verweer- wegens het ontbreken van zelfs een begin van aannemelijkheid moet worden verworpen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het door verdachte geschetste scenario enkel is gebaseerd op hetgeen verdachte daarover heeft verklaard. Zijn verklaring is daarbij onduidelijk en dubbelzinnig, zowel ten aanzien van de plek in [het café] waar het gesprek tussen hem en aangeefster zou hebben plaatsgevonden, als ten aanzien van wat er precies tegen elkaar zou zijn gezegd. Verdachte is herhaaldelijk uitgenodigd hierover meer duidelijkheid te geven maar heeft deze niet verschaft. Het hof acht daarom de verklaring van verdachte omtrent het door hem geschetste alternatieve scenario consistent noch geloofwaardig.
De verklaring van verdachte vindt daarmee op geen enkele wijze steun in het dossier en wordt bovendien weerlegd door de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen.
Gelet op voorgaande is het alternatieve scenario dat aangeefster de afspraak tussen haar en verdachte is vergeten door een door de verdediging gestelde mogelijke black-out, voor welke aanwezigheid het dossier overigens ook geen aanknopingspunten bevat, niet aannemelijk geworden.
Voorwaardelijke verzoeken
Het voorwaardelijke verzoek van de verdediging om een digitaal specialist van het NFI als deskundige te benoemen en te horen over de telefoongegevens van verdachte behoeft geen bespreking, omdat het hof de telefoongegevens niet voor het bewijs bezigt en daarom niet aan de gestelde voorwaarde is voldaan.
Het voorwaardelijke verzoek van de verdediging om een forensisch toxicoloog als
deskundige over de verklaring van aangeefster te horen, wijst het hof af omdat het hof dit niet noodzakelijk acht. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Het verzoek strekt ertoe het oordeel van een deskundige te verkrijgen omtrent het te verwachten effect van combinatiegebruik van alcohol, 4-MMC en amitryptiline.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht:
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 19.445,03 (negentienduizend vierhonderdvijfenveertig euro en drie cent) bestaande uit € 4.445,03 (vierduizend vierhonderdvijfenveertig euro en drie cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.445,03 (negentienduizend vierhonderdvijfenveertig euro en drie cent) bestaande uit € 4.445,03 (vierduizend vierhonderdvijfenveertig euro en drie cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 132 (honderdtweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 2 december 2023.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor al het overige, met inachtneming van het voorgaande.
Aldus gewezen door
mr. H. Heins, voorzitter,
mr. I.P.H.M. Severeijns en mr. M.E. van der Werf, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffier,
en op 18 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
De verdediging stelt dat de combinatie van die middelen mogelijk een black-out bij aangeefster heeft veroorzaakt waardoor zij zich later niet meer herinnerde dat zij met verdachte een gesprek had gevoerd en een afspraak met hem had gemaakt.
Uit het “Rapport Snelle Toxicologische Screening”, zoals dat zich bij de processtukken bevindt, blijkt dat in de urine van aangeefster alcohol is aangetoond en een aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid van het stimulantium 4-MMC en amitryptiline. Ten aanzien van de aanwezigheid van 4-MMC en amitryptiline heeft de rapporteur derhalve geen percentage of hoeveelheid kunnen vaststellen, maar slechts gevonden dat er een aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid ervan. Een dergelijke aanwijzing, waarbij niet bekend is of en in welke hoeveelheden 4-MMC en amitryptiline zouden hebben bijgedragen aan het vermeende combinatiegebruik en de eventuele gevolgen daarvan, is dermate onbepaald dat redelijkerwijs niet te verwachten is dat een te benoemen deskundige daarover een zinvolle en wetenschappelijk verantwoorde uitspraak kan doen.
Daar komt bij dat er, zelfs al zou een dergelijk verondersteld combinatiegebruik van deze middelen theoretisch tot een black-out kunnen leiden, noch op grond van de verklaringen van aangeefster, noch op grond van andere bewijsmiddelen concrete aanwijzingen zijn dat zo’n black out daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Om die reden acht het hof het benoemen van een forensisch toxicoloog niet noodzakelijk en wordt ook dit voorwaardelijke verzoek afgewezen.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Daarnaast dient een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel conform artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte te worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte first offender is, met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zo heeft verdachte zijn broer en zijn moeder verloren, mocht hij jarenlang zijn kinderen niet zien en nu hij zijn kinderen eenmaal mag zien, kan hij dit niet doordat hij in detentie verblijft. Ook zou een eventueel op te leggen straf consequenties kunnen hebben voor de verblijfsstatus van verdachte, nu hij een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd heeft en er momenteel een bezwaarprocedure loopt tegen het besluit om de verblijfsvergunning in te trekken. De oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel conform artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht dient achterwege te blijven nu de reclassering de oplegging van deze maatregel niet heeft geadviseerd.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Aard en ernst van het bewezenverklaarde
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkrachting van [benadeelde] . Het slachtoffer was in de nacht van 2 december 2023 in de stad uit geweest met vriendinnen. Zij is na afloop samen met een vriend naar huis gelopen en verdachte heeft haar toen achtervolgd. Bij thuiskomst is het slachtoffer met haar kleding aan in bed in slaap gevallen. Verdachte heeft, nadat de vriend van het slachtoffer was vertrokken, nog even gewacht en is toen de woning van het slachtoffer binnengedrongen zonder dat zij dit in de gaten had. Vervolgens heeft hij haar uitgekleed en haar onverhoeds, zonder dat zij zich kon verzetten, betast en (onbeschermd, zonder condoom) gepenetreerd in haar slaap.
Deze gebeurtenissen hebben het slachtoffer ernstig beschadigd. Zij heeft als gevolg daarvan behandeling ondergaan in een traumacentrum en heeft tot op heden nog altijd psychologische begeleiding nodig. Het slachtoffer kampt nog dagelijks met paniek en angst, slapeloosheid en nachtmerries, voelt zich in het donker onveilig en heeft haar professionele werkzaamheden tot op de dag van vandaag nog niet volledig kunnen hervatten. De verkrachting door verdachte is een bijzondere traumatische ervaring voor haar geweest die -zo blijkt ook uit de namens haar in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring - blijvende sporen heeft achtergelaten in haar emotionele gesteldheid. Het is niet ondenkbaar dat zij hier de rest van haar leven last van blijft houden en daardoor in haar dagelijks functioneren zal worden belemmerd.
Verdachte heeft door zijn handelingen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [benadeelde] . Doordat de feiten zich bovendien hebben afgespeeld in de woning van het slachtoffer, en verdachte lange tijd heeft doorgebracht in deze woning zonder dat het slachtoffer dit doorhad, heeft verdachte ook op die manier een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De manier waarop verdachte het feit gepleegd heeft, namelijk door haar te achtervolgen vanuit het café naar haar woning, door te wachten totdat de man die het slachtoffer had thuisgebracht was weggegaan, de woning binnen te sluipen en vervolgens haar slaapkamer binnen te dringen om haar te verkrachten, maakt een zeer berekenende en planmatige indruk en is buitengewoon beangstigend en verontrustend. Ook in de samenleving roept dit gevoelens van afschuw en verontwaardiging op. Gelet op deze bijzondere ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd, acht het hof geen andere strafmodaliteit passend dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur. Bij de strafbepaling heeft het hof er ook acht op geslagen dat verdachte op de terechtzitting geen blijk heeft gegeven de ernst en de gevolgen van zijn handelen in te zien. Hij heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedragingen en het slachtoffer verder beschadigd door ter terechtzitting, hoorbaar voor haar, te zeggen en te blijven herhalen dat zij dit alles heeft gewild en hij het op haar verzoek heeft gedaan. Ook heeft verdachte bij de reclassering aangegeven niet te begrijpen waarvoor hij excuses zou moeten aanbieden.
LOVS-oriëntatiepunten
Het hof heeft bij de straftoemeting nadrukkelijk mede acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten voor verkrachting, waarin als oriëntatiepunt voor de strafoplegging in dit soort zaken onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van 24 tot 48 maanden worden genoemd, gedifferentieerd naar de mate van geweld dan wel dwang die is uitgeoefend. Gelet op de aard en de ernst van het feit zoals hiervoor besproken ziet het hof aanleiding om aan te sluiten bij “Verkrachting met geweld of een daarmee vergelijkbare mate van dwang”, waarvoor als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geldt van 36 maanden. Het hof neemt deze straf als uitgangspunt maar ziet aanleiding in het navolgende om daarvan in het nadeel van verdachte van af te wijken.
Persoon van verdachte
Het hof heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 1 mei 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, maar ziet daarin gelet op de ernst van het bewezenverklaarde geen enkele reden tot matiging van de op te leggen straf.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de over verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportage van 5 september 2024 van [naam 1] , psychiater en de Pro Justitia rapportage van 11 september 2024 van mr. drs. [naam 2] , psycholoog.
Inleiding
Beide deskundigen hebben geen psychische problematiek bij verdachte geconstateerd en het hof neemt hun advies over om verdachte het ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit volledig aan verdachte toe te rekenen.
Verder blijkt uit het reclasseringsadvies van 15 augustus 2024 dat er door de reclassering geen aanknopingspunten worden gezien voor toezicht of interventies en verdachte niet gemotiveerd is voor gedragsverandering. Bovendien heeft de reclassering opgemerkt dat zij de kans op recidive van een zedendelict als matig-hoog inschatten bij veroordeling. De reclassering sluit niet uit dat seks een coping is voor verdachte en dat er sprake kan zijn van seksuele preoccupatie gezien zijn wisselende contacten met onpersoonlijke seks en verdachte enkel op vrouwen is gefocust tijdens het uitgaan. Het is wegens de ontkennende houding van verdachte niet mogelijk geweest voor de reclassering om zicht te krijgen op de denkbeelden van verdachte ten aanzien van vrouwen, in hoeverre hij rekening houdt met het welzijn van anderen en of het binnendringen van een huis en het hebben van seks met een slapend persoon hem opwindt.
Straf
Gelet op de aard en de ernst van het feit en de feiten en omstandigheden, zoals hierboven beschreven acht het hof, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht)
Het hof zal, in tegenstelling tot de vordering van de advocaat-generaal, niet beslissen tot de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38z van het Wetboek van Strafrecht nu verdachte op geen enkele wijze inzicht toont in zijn eigen gedrag, noch openstaat voor enige (vorm van) behandeling daarvan.
Vordering van de [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 42.786,81 (bestaande uit € 22.786,81 materiële schade en € 20.000,- immateriële schade). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 17.786,81 (bestaande uit € 2.786,81 materiële schade en € 15.000,- immateriële schade). De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Ter terechtzitting en in de mailwisseling voorafgaand aan de zitting heeft de benadeelde partij de vordering verder toegelicht en enkele posten gewijzigd. Ten aanzien van de oorspronkelijke vordering voor het verlies van verdienvermogen van € 20.000,- is € 1.658,22 onderbouwd en begrijpt het hof dat de vordering op dat punt is verlaagd. Dus aan de orde en ter beoordeling is de vordering tot schadevergoeding bestaande uit € 20.000,- aan immateriële schade en € 4.445,03 materiële schade met de volgende posten:
€ 1.106,81 aan zorgkosten;
€ 1.680,- voor behandelingen in de traumakliniek;
€ 1.658,22 voor verlies van verdienvermogen.
Voorgaande brengt het totaalbedrag van de vordering van de benadeelde partij op € 24.445,03. De benadeelde partij heeft verzocht het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de bijbehorende schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in het geheel kan worden toegewezen (volgens haar berekening tot een bedrag van € 24.444,81), vermeerderd met de wettelijke rente, en heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair kunnen de materiële schadeposten worden toegewezen, met uitzondering van het overige gedeelte van de oorspronkelijke inkomstenderving van € 20.000,- welke niet verder is onderbouwd, waarvoor om die reden niet-ontvankelijkheid dient te volgen. Wat betreft de immateriële schade dient het toe te kennen bedrag fors te worden gematigd.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof zal de gevorderde materiële schadeposten toewijzen, omdat de benadeelde partij deze schade voldoende heeft onderbouwd en de verdediging deze schade niet heeft betwist. Nu het hof de toelichting van de benadeelde partij zo begrijpt dat zij haar vordering ten aanzien van de inkomstenderving heeft verlaagd naar € 1.658,22 zal het hof de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de oorspronkelijke inkomstenderving van € 20.000,- niet niet-ontvankelijk verklaren, zoals de raadsvrouw heeft verzocht, omdat dit gedeelte nu niet meer voorligt en om die reden geen beslissing behoeft.
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, sub b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In dit geval is de aard en ernst van de normschending, als ook de aard en ernst van de gevolgen daarvan, zodanig dat daarmee gegeven is dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Het hof zal daarom gebruik maken van de bevoegdheid om de omvang van de schade naar billijkheid vast te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend. Het hof stelt de schade vast op een bedrag van € 15.000.-. Het hof zal de vordering voor dat deel toewijzen en zal de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.