Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-06-24
ECLI:NL:GHARL:2025:3813
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,621 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.348.043/01
CJIB-nummer
: 256363590
Uitspraak d.d.
: 24 juni 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant van 5 juli 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de hoorplicht is geschonden door de officier van justitie. De betrokkene heeft zelf beroep ingesteld op 30 maart 2023. Op 14 april 2023 heeft de officier van justitie beslist. De beroepstermijn liep tot 2 mei 2023 en de betrokkene had dus ook tot die datum de tijd om te vragen om gehoord te worden. De officier van justitie heeft hangende de beroepstermijn beslist en daarmee de hoorplicht geschonden.
2. Het hof stelt vast dat aan de betrokkene een inleidende beschikking is gestuurd met dagtekening 21 maart 2023. De uiterste beroepsdatum was in dit geval 2 mei 2023. De betrokkene heeft op 30 maart 2023 administratief beroep heeft ingesteld. In het beroepschrift heeft hij niet verzocht om te worden gehoord. Door de officier van justitie is beslist bij beslissing met dagtekening 13 april 2023.
3. Het is het hof ambtshalve bekend dat op inleidende beschikkingen die zijn gedagtekend vanaf 29 december 2022 het volgende is vermeld: “Wilt u in een gesprek uitleggen waarom u het niet eens bent met de boete? Geef dan uiterlijk [datum] aan dat u gehoord wil worden. Vermeld uw telefoonnummer in uw beroepschrift. Parket CVOM neemt contact met u op.” Het is het hof ook ambtshalve bekend dat waar [datum] staat, de uiterste beroepsdatum komt te staan.
4. In artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald wanneer van het horen mag worden afgezien. Onder sub d is opgenomen:“Indien (…) de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.”
5. Gelet op het vermelde onder 3. gaat het hof ervan uit dat in dit geval op de inleidende beschikking vermeld stond dat de betrokkene uiterlijk op 2 mei 2023 kon aangeven dat hij gehoord wilde worden. Het hof merkt dit aan als de termijn bedoeld in artikel 7:17 sub d van de Awb. Hoewel de betrokkene in zijn administratief beroepschrift van 30 maart 2023 niet heeft verzocht om te worden gehoord, kon de officier van justitie niet al voor het verstrijken van voornoemde termijn beslissen op het beroep zonder de betrokkene te horen. Immers, hij kan pas afzien van het horen als binnen die termijn niet is verzocht om het horen.
6. Het voorgaande brengt mee dat de hoorplicht is geschonden. Het hof zal dan ook de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, ook de beslissing van de officier van justitie. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 280,- voor: “doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 11 maart 2023 om 21.20 uur op de Quirijnstoklaan in Tilburg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
8. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent. Het is vaste rechtspraak van het hof dat een enkele betwisting niet leidt tot twijfel aan de gegevens in het dossier. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging is verricht.
9. Verder voert de gemachtigde aan dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd met 25 procent, aangezien de officier van justitie de hoorplicht ten aanzien van burgers structureel schendt (ECLI:NL:GHARL:2022:9934).
10. Deze grond treft geen doel. Hoewel de officier van justitie in deze zaak de hoorplicht heeft geschonden, kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een structurele schending die moet leiden tot matiging van het bedrag van de sanctie. In de zaak waar de gemachtigde naar verwijst was het proces zo ingericht dat de betrokkene die niet werd bijgestaan door een professioneel gemachtigde in het geheel niet werd gehoord. Daarvan is hier geen sprake, nu de officier van justitie in dit geval onder voor deze zaak specifieke omstandigheden geen goede uitvoering heeft gegeven aan het recht om te worden gehoord.
11. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.