Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-06-19
ECLI:NL:GHARL:2025:3692
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,306 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.565
(zaaknummers rechtbank Gelderland 11157720 en 11420018)
beschikking van 19 juni 2025
inzake
[verzoekster]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
hierna: [verzoekster]
advocaat: mr. M.A. Smits
Als belanghebbenden in hoger beroep zijn aangemerkt:
[de curator] B.V.
die is gevestigd in [plaats1]
hierna ook: [de curator]
[zus1]
en
[zus2]
die wonen in [woonplaats1]
hierna ook: de zussen
[de moeder]
die woont in [woonplaats1]
hierna: de moeder
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 26 november 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking).
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 25 februari 2025;
een brief van [zus1] , ingekomen op 29 april 2025;
een brief (‘verweerschrift’) van [zus2] , ingekomen op 6 mei 2025;
een brief van [naam1] (neef van [verzoekster] ) van 12 april 2025.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren [verzoekster] , bijgestaan door haar advocaat en vergezeld van [naam2] (hierna: [naam2] ). De curator, de moeder en de zussen van [verzoekster] zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling in hoger beroep, maar zijn niet verschenen.
Feiten
3.1
[verzoekster] is geboren [in] 1958. Bij beschikking van de kantonrechter van 7 september 2022 is een bewind ingesteld over alle goederen die [verzoekster] (zullen) toebehoren wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand. Bij beschikking van 11 september 2023 heeft de kantonrechter (kort weergegeven) met ingang van 1 oktober 2023 (ambtshalve) een mentorschap ingesteld ten behoeve van [verzoekster] met benoeming van [de curator] tot mentor en bewindvoerder. Daarbij heeft de kantonrechter een verzoek tot opheffing van het bewind en een verzoek tot ondercuratelestelling van [verzoekster] afgewezen.
3.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 16 april 2024, heeft [verzoekster] de kantonrechter verzocht [de curator] als mentor en bewindvoerder te ontslaan. Op 27 mei 2024 heeft [de curator] verzocht om ondercuratelestelling van [verzoekster] , omdat zij tijdelijk of duurzaam haar belangen niet behoorlijk waarneemt als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand.
3.3
Bij tussenbeschikking van de kantonrechter van 26 juni 2024 is een provisioneel bewind ingesteld ten behoeve van [verzoekster] met benoeming van [de curator] B.V. tot provisionele bewindvoerder, waarbij iedere verdere beslissing is aangehouden.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter (kort gezegd) het verzoek van [verzoekster] tot ontslag van [de curator] als bewindvoerder en mentor afgewezen en het verzoek van [de curator] tot ondercuratelestelling van [verzoekster] – met benoeming van [de curator] tot curator – toegewezen.
4.2
[verzoekster] is het niet eens met die beschikking en zij is hiervan (met drie grieven) in hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof de door de kantonrechter uitgesproken ondercuratelestelling van haar te vernietigen en die beslissingen te nemen die het hof geraden voorkomt.
Motivering
5.1
In de procedure in eerste aanleg heeft [verzoekster] verzocht [de curator] (als bewindvoerder en mentor) te ontslaan. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen en [verzoekster] heeft daartegen in hoger beroep geen bezwaren aangevoerd. In dit hoger beroep ligt dus uitsluitend ter beoordeling aan het hof voor de beslissing tot ondercuratelestelling van [verzoekster] .
5.2
Het hof zal eerst beslissen of [naam2] als belanghebbende moet worden aangemerkt. [naam2] is van mening dat hij belanghebbende is omdat hij de levensgezel van [verzoekster] is. [verzoekster] is het daarmee eens.
5.3
Iemand kan als de ‘levensgezel’ van een betrokkene worden aangemerkt indien partijen een relatie hebben die vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten. Of daarvan sprake is, hangt af van door de rechter te beoordelen feitelijke omstandigheden. De (kanton)rechter zal kunnen afgaan op de uiterlijke omstandigheden, waaromtrent hij zo nodig door getuigen kan worden voorgelicht. Bij de beoordeling of sprake is van een levensgezel is relevant i) of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, ii) de duur van de gemeenschappelijke huishouding, iii) of er een relatie van affectieve aard is en iv) of de betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid. Deze aspecten zijn indicatief en niet bedoeld als cumulatieve noodzakelijke vereisten om van een levensgezel te kunnen spreken.
5.4
Ook als ervan moet worden uitgegaan dat [verzoekster] en [naam2] een affectieve relatie hebben en dat zij zelf uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid tussen hen brengt dat nog niet mee dat zij elkaars levensgezellen zijn (in de zin van artikel 798 lid 2 Rv). Doorslaggevend is dat er een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid is. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten. Dat vereist niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen, maar wel dat zij elkaar over en weer (financiële) zorg bieden. Daarvan is hier geen sprake en dat legt het hof hierna uit.
5.5
[naam2] heeft verklaard dat hij [verzoekster] kent sinds 2009, dat hij altijd is blijven wonen in [plaats2] (waar hij, op een paar maanden na, ook steeds ingeschreven heeft gestaan), dat hij in de zomer elke week een paar dagen bij [verzoekster] in [woonplaats1] verblijft en dat hij in de winter meer in [woonplaats1] is, omdat hij dan minder werk heeft in zijn cactussenkwekerij in [plaats3] . Wat betreft hun financiële situatie hebben [verzoekster] en [naam2] verklaard dat [naam2] meestal de boodschappen doet en dat hij die betaalt van de huur die [verzoekster] ontvangt van studenten in haar woning. Met die betaling compenseert [naam2] zijn reiskosten, aldus [naam2] en [verzoekster] .
Dat vindt het hof onvoldoende om aan te nemen dat [verzoekster] en [naam2] elkaar wederzijds verzorgen en dat zij een relatie hebben die vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten. [naam2] kan daarom niet worden beschouwd als een ‘andere levensgezel’ in de zin van artikel 798 lid 2 Rv en is geen belanghebbende in deze procedure.
5.6
Omdat van [de curator] geen vertegenwoordiger is gekomen naar de mondelinge behandeling van het hof en het hof de aanwezigheid van [de curator] wel nodig vindt om de zaak goed te kunnen beoordelen, zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden en een datum en tijdstip bepalen voor voortzetting van de behandeling, waarvoor [verzoekster] , de andere belanghebbenden en [de curator] zullen worden opgeroepen.
5.7
[verzoekster] heeft op de zitting bij het hof uitdrukkelijk haar verzoek gehandhaafd om (met verwijzing naar artikel 44 Rv) het openbaar ministerie op te roepen, omdat het openbaar ministerie op grond van artikel 5:3 Wet verplichte ggz ambtshalve de bevoegdheid heeft om een geneesheer-directeur aan te wijzen om voorbereidende handelingen (een psychiatrisch onderzoek) te verrichten ten behoeve van een zorgmachtiging.
Het hof zal daarom een afschrift van deze beschikking toezenden aan de advocaat-generaal van het openbaar ministerie in het ressort Arnhem-Leeuwarden en de advocaat-generaal in de gelegenheid stellen te worden gehoord, indien het openbaar ministerie de wens daartoe te kennen geeft.
5.8
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
Dictum
Het hof:
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum in de maanden september tot en met november 2025, waarvoor [verzoekster] , de belanghebbenden, [de curator] en de advocaat-generaal van het openbaar ministerie in het ressort Arnhem-Leeuwarden zullen worden opgeroepen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Hamer, J.H. Lieber en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 19 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.