Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-06-04
ECLI:NL:GHARL:2025:3645
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,380 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003060-24
Uitspraak d.d.: 4 juni 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 21 augustus 2023 met parketnummer 18-068753-23 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
wonende te [adres]
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 mei 2025.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
vernietiging van het vonnis van de politierechter;
vrijspraak van verdachte van het onder 1 en 4 tenlastegelegde;
toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ter zake van het onder 2 tenlastegelegde;
veroordeling van verdachte ter zake van het onder 3 tenlastegelegde tot een voorwaardelijke geldboete van € 250,- met een proeftijd van één jaar.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.D. van Essen, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep gericht is:
verdachte ter zake van het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken met een proeftijd van twee jaren;
ter zake van het onder 2 tenlastegelegde artikel 9a Sr toegepast.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat er geen proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter is opgemaakt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 6 augustus 2022 te [plaats 1] , [gemeente 1] een telefoon (iPhone), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.hij op of omstreeks 14 december 2022 te [plaats 2] , [gemeente 2] , in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of ongeveer 0,28 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende diazepam, zijnde hennep en/of diazepam een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
3.hij op of omstreeks 14 december 2022 te [plaats 2] , [gemeente 2] , een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;
4.hij in of omstreeks de periode 12-08-2022 tot en met 18-08-2022 te [plaats 3] , althans in Nederland, een of meer geldbedragen (in totaal € 2.292,48), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met de (onrechtmatig verkregen) telefoon van die [slachtoffer] betalingen te verrichten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Aan verdachte is onder feit 1 en feit 4 ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een telefoon resp. diefstal van geldbedragen door middel van een valse sleutel, die toebehoorden aan zijn vader, [slachtoffer] . De artikelen 310 en 311 Sr betreffen een relatief klachtdelict. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 316 Sr. Het tweede lid van het laatstgenoemde artikel houdt – kort gezegd – in dat indien de verdachte een bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in de tweede graad van de zijlinie, van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd betreft, de vervolging alleen plaatsvindt als door de klachtgerechtigde een klacht is ingediend tegen de verdachte. Een klacht moet hier begrepen worden als een verzoek tot het instellen van strafrechtelijke vervolging.
Een klacht dient op grond van artikel 64 Sr te worden gedaan door de persoon tegen wie het strafbare feit is begaan.
Gelet op het bepaalde in artikel 66, eerste lid, Sr juncto artikel 316 , derde lid, Sr. dient die klacht te worden ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de identiteit van de verdachte aan de klachtgerechtigde bekend werd. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat ingeval een klacht niet voldoet aan de formele wettelijke eisen dit niet zonder meer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie behoeft te leiden, indien van de wens tot vervolging binnen de termijn van drie maanden (op andere wijze) is gebleken.
Het hof stelt vast dat de vader van verdachte, aangever [slachtoffer] , aangifte heeft gedaan van diefstal van een telefoon en van geldbedragen. Op het moment van het doen van aangifte had hij het vermoeden dat het zijn zoon is die de diefstal heeft gepleegd, maar dat hij dat niet kan bewijzen. Verder heeft aangever verklaard dat hij op verzoek van de bank aangifte heeft gedaan.
Het hof stelt verder vast dat in het dossier een klacht tot strafvervolging is opgenomen, maar dat deze klacht niet door de klager ( [slachtoffer] ) en/of de verbalisant is ondertekend.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat op basis van de aangifte en de niet ondertekende klacht niet zonder meer tot de conclusie gekomen kan worden dat aangever de wens heeft gehad dat zijn zoon zou worden vervolgd voor het onder 1 en 4 tenlastegelegde. Ook anderszins kan uit het dossier of uit de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep niet worden opgemaakt dat aangever op een andere wijze kenbaar heeft gemaakt dat hij een vervolging wenst. Het hof zal daarom het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 1 en 4 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
2.hij op 14 december 2022 te [plaats 2] , [gemeente 2] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14 gram hennep en ongeveer 0,28 gram diazepam, zijnde hennep en diazepam een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.hij op 14 december 2022 te [plaats 2] , [gemeente 2] , een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel voorhanden heeft gehad.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 1 en 4 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Verklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door
mr. M.C. van Linde, voorzitter,
mr. A.J. Rietveld en mr. E. Pennink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Abdulkarim, griffier,
en op 4 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
ECLI:NL:HR:2018:2242