Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-06-03
ECLI:NL:GHARL:2025:3398
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,184 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.344.662/01
CJIB-nummer
: 254190498
Uitspraak d.d.
: 3 juni 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 15 februari 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Het tussenarrest
De inhoud van het tussenarrest van 11 maart 2025 wordt hier overgenomen.
Het verdere procesverloop
De griffier van de rechtbank heeft bij brief van 20 maart 2025 informatie verstrekt.
Deze informatie is (in kopie) gestuurd naar de betrokkene, die daar schriftelijk op heeft gereageerd.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de griffier van de rechtbank aangegeven dat geen stukken zijn aangetroffen waaruit blijkt dat de uitspraak in het openbaar is uitgesproken.
2. Gelet op die informatie moet het hof het ervoor houden dat de beslissing van de kantonrechter niet in het openbaar is uitgesproken. Dit is in strijd met artikel 13, tweede lid, van de Wahv. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen. De overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter behoeven hierom geen bespreking.
3. De kantonrechter had beslist dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de betrokkene niet tijdig zekerheid heeft gesteld en geen feiten en/of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat, hoewel niet tijdig zekerheid is gesteld, niet-ontvankelijkheid achterwege zou moeten blijven. Voor terugwijzing van de zaak naar de rechtbank is, gelet op artikel 20d, tweede lid, van de Wahv, slechts plaats indien de beslissing van de kantonrechter, (mede) moet worden vernietigd op de in artikel 14, tweede lid, van de Wahv genoemde grond, te weten de grond dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat niet dan wel niet tijdig zekerheid is gesteld dan wel de kantonrechter ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de indiener redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. Het hof zal beoordelen of deze grond zich voordoet.
4. De betrokkene is bij brieven van de officier van justitie van 12 september 2023 en
30 september 2023 op de juiste wijze op de hoogte gesteld van de verplichting tot het stellen van zekerheid voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten. De betrokkene heeft geen zekerheid gesteld. De reden daarvoor is volgens de betrokkene dat een zekerheidstelling alleen kan plaatsvinden op een genomen beschikking en daarvan ontbreekt elk bewijs. Een dergelijk bezwaar, namelijk dat de inleidende beschikking niet aan de daartoe te stellen eisen voldoet, kan alleen aan de orde komen als het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ontvankelijk is. Daartoe is, gelet op artikel 11, vierde lid, van de Wahv noodzakelijk dat zekerheid is gesteld. De betrokkene heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat hij redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
5. De grond voor terugwijzing naar de rechtbank doet zich hier niet voor. Het hof zal dit daarom niet doen, maar het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren. Dit brengt mee dat het hof niet kan toekomen aan de bezwaren die de betrokkene heeft aangevoerd tegen de inleidende beschikking en de beslissing van de officier van justitie.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
vgl. de uitspraak van het Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:511