Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-06-03
ECLI:NL:GHARL:2025:3387
Civiel recht
Hoger beroep
2,042 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHARL:2025:3387 text/xml public 2026-02-13T12:43:37 2025-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-06-03 200.347.013 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:3387 text/html public 2026-02-13T12:42:37 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:3387 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 03-06-2025 / 200.347.013 Arrest in incident. Artikel 843a Rv. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.347.013 zaaknummer rechtbank Limburg 10236860 arrest in het incident van 3 juni 2025 in de zaak van 1 [appellant1] die woont in [woonplaats1] , gemeente Maasgouw hierna: [appellant1] 2. [appellant2] die woont in [woonplaats2] , gemeente Maasgouw hierna: [appellant2] en samen met [appellant1] ., [appellanten] advocaat: was mr. R.Ph.E.M. Cratsborn, nu mr. J.M.M. Kroon en [de erfgenamen] die woonde in [woonplaats1] , gemeente Maasgouw hierna: de erven Linssen advocaat: mr. E.H.M. Harbers 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [appellanten] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de pachtkamer van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond op 28 augustus 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep het exploot van anticipatie het exploot tot oproeping na schorsing o.g.v. artikel 226 lid 1 Rv van [de erfgenamen] de memorie van grieven inclusief incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv de conclusie van antwoord in het incident. 1.2. Hierna heeft het hof arrest in het incident bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1. Op enig moment is [appellant1] tegen betaling gebruik gaan maken van percelen landbouwgrond van [erflater] . Op 15 mei 2017 is bij [erflater] de diagnose dementie (beginnend) gesteld. In de notariële akte van 16 juni 2017 heeft [erflater] een levenstestament gemaakt. Daarin heeft hij zijn achternicht, [achternicht] , een algemene volmacht gegeven. Op verzoek van [appellanten] is door een adviseur een pachtovereenkomst tussen [erflater] en [appellanten] opgesteld. Deze overeenkomst is gedateerd 28 januari 2019. [appellanten] stelt dat de pachtovereenkomst door [erflater] is ondertekend. 2.2. [erflater] is tijdens de procedure bij de pachtkamer in [plaats] op [datum] overleden. 2.3. In de procedure bij de pachtkamer in Roermond stond (voor zover hier van belang) naar aanleiding van de vorderingen van [erflater] de vraag centraal of er een schriftelijke pachtovereenkomst tot stand is gekomen en, zo ja, of de pachtovereenkomst moest worden vernietigd. Indien de mondelinge pachtovereenkomst zou herleven was [erflater] van mening dat die moest worden ontbonden. 2.4. Hiertegen heeft [appellanten] verweer gevoerd. 2.5. De pachtkamer in Roermond heeft de vraag of de pachtovereenkomst door [erflater] is ondertekend in het midden gelaten. De pachtkamer heeft, aangenomen dat de handtekening onder de pachtovereenkomst van [erflater] afkomstig is, op grond van misbruik van omstandigheden de pachtovereenkomst vernietigd en de mondelinge pachtovereenkomst tussen [erflater] en [appellant1] ontbonden, waarbij [appellanten] is veroordeeld om de percelen landbouwgrond binnen zestig dagen te ontruimen. Verder is [appellanten] veroordeeld om de tractor John Deere af te geven. 3 De toelichting op de beslissing van het hof 3.1. In dit incident vordert [appellanten] om [de erfgenamen] te veroordelen om vier (kopieën van) documenten ter beschikking te stellen, waaronder een kopie van het legitimatiebewijs van [erflater] , waarop de handtekening van [erflater] is opgenomen. [appellanten] heeft er belang bij dat [appellant2] als pachter wordt aangemerkt. Indien zijn bezwaren tegen de ontbinding slagen, heeft [appellanten] er belang bij om aan te tonen dat de pachtovereenkomst door [erflater] is ondertekend. In deze pachtovereenkomst is [appellant2] als medepachter aangemerkt. Om onderzoek te kunnen laten verrichten naar de echtheid van de handtekening van [erflater] , zal een vergelijking moeten worden gemaakt met andere handtekeningen van [erflater] . 3.2. [de erfgenamen] zijn van mening dat [appellanten] op dit moment geen rechtmatig belang heeft bij de opgevraagde stukken. Pas als zijn hoger beroep slaagt en de vordering tot ontbinding alsnog zou worden afgewezen, heeft [appellanten] belang bij zijn vordering in het incident. De vordering is daarom volgens hen prematuur. Als een handtekeningenonderzoek relevant zou worden, dan zullen zij aan het verstrekken van documenten meewerken. Daarbij hebben de verzochte bescheiden geen betrekking op de rechtsbetrekking tussen [appellanten] en [de erfgenamen] . [de erfgenamen] weten ook niet of zij in staat zijn de gevraagde bescheiden te verstrekken. Zij hebben in ieder geval niet meer de beschikking over het legitimatiebewijs van [erflater] en in de administratie van [erflater] hebben zij alleen een stuk uit 2011 met daarop de handtekening van [erflater] aangetroffen (overgelegd als productie 16). Zij zijn wel bereid nader te onderzoeken of er mogelijk getekende documenten bij derden aanwezig zijn. Juridisch kader 3.3. De wet kent de mogelijkheid om van iemand anders inzage in documenten te vragen, of zelfs een kopie of uittreksel. Er kan echter niet willekeurig worden gevraagd naar gegevens die interessant zouden kunnen zijn. De wet stelt de volgende eisen: - de verzoeker moet met de ander een juridische relatie hebben; - hij moet belang hebben bij die gegevens voor zijn bewijslevering in een conflict met die ander; - het moet gaan om specifieke gegevens die de verzoeker niet heeft, maar de ander wel. De verzoeker heeft geen recht op deze gegevens als op een andere manier net zo goed bewijs kan worden geleverd of als de ander een sterk argument heeft om te weigeren. De beoordeling 3.4. Naar het oordeel van het hof heeft [appellanten] belang bij afgifte van (kopieën van) documenten waarop de handtekening van [erflater] staat. Indien het hof oordeelt dat de schriftelijke pachtovereenkomst ten onrechte is ontbonden, heeft [appellanten] er immers belang bij aan te tonen dat [appellant2] als medepachter moet worden aangemerkt, zoals uit de schriftelijke pachtovereenkomst volgt. Dat [appellanten] pas belang heeft bij een onderzoek naar de handtekening van [erflater] als de vordering tot ontbinding alsnog zou worden afgewezen, doet niet ter zake. De inzagevordering van artikel 843a Rv kan namelijk worden gedaan met het oog op het voeren van of de bewijslevering in een lopende procedure. Het is niet relevant of daarvoor in de hoofdzaak eerst andere vragen door het hof moeten worden beantwoord. De gevraagde (kopieën van) documenten kunnen van belang zijn voor de beoordeling van (een deel van) de vordering en van het verweer daartegen. 3.5. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [de erfgenamen] dat de verzochte bescheiden geen betrekking hebben op de rechtsbetrekking tussen hen en [appellanten] Relevant is dat de stukken van belang kunnen zijn bij de beoordeling van een rechtsbetrekking tussen [de erfgenamen] en [appellanten] Dat van een dergelijke mogelijke rechtsbetrekking sprake is, is niet in geschil. 3.6. [de erfgenamen] hebben naar aanleiding van het incident al gezocht naar documenten met de handtekening van [erflater] . Zij hebben de getekende grondgebruikersverklaring uit 2011 als productie 16 overgelegd. Volgens [de erfgenamen] hebben zij “ tot op heden ” geen nadere documenten met een handtekening van [erflater] aangetroffen en hebben zij geen beschikking over een identiteitsbewijs van [erflater] . Het staat op dit moment niet vast dat er nog meer documenten zijn met daarop de handtekening van [erflater] . In het licht van het belang van [appellanten] zijn [de erfgenamen] wel gehouden te onderzoeken of zij nog drie andere documenten met de handtekening van [erflater] kunnen vinden of op eenvoudige wijze van derden kunnen verkrijgen. [de erfgenamen] kunnen echter niet gehouden worden om meer documenten te verstrekken dan zij hebben of eenvoudig kunnen verkrijgen. De conclusie 3.7.