Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-06-02
ECLI:NL:GHARL:2025:3313
Strafrecht
Hoger beroep
1,575 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
AV-nummer: 000266-25
Parketnummer: 16-257672-23
Uitspraak d.d.: 2 juni 2025
Beschikking van de meervoudige raadkamer op het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, d.d. 17 december 2024 op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering van:
[appellant]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
te dezer zake domicilie kiezende aan de [adres] ,
ten kantore van zijn raadsman: mr. M. van Viegen,
hierna te noemen: appellant.
Procesgang
Bij een op 28 december 2023 door de rechtbank ontvangen verzoekschrift heeft appellant gevraagd om een vergoeding van € 508,20 uit ’s Rijks kas voor in een strafzaak tegen appellant gemaakte kosten van rechtsbijstand, € 19 voor reiskosten en € 144,25 voor gederfde inkomsten, zoals nader in het verzoekschrift omschreven. Daarnaast heeft appellant gevraagd om een (forfaitaire) vergoeding voor de kosten van indiening en behandeling van het verzoekschrift.
De rechtbank heeft bij voormelde beslissing appellant een vergoeding toegekend van € 848,20, bestaande uit een vergoeding voor de kosten rechtsbijstand en de forfaitaire vergoeding voor het indienen van het verzoek, en het verzoek voor het overige afgewezen.
Namens appellant is op 7 januari 2025 hoger beroep tegen die beslissing ingesteld.
Het hoger beroep is door het hof in raadkamer op 19 mei 2025 in het openbaar behandeld, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en namens appellant, mr. Van Viegen.
Beoordeling
Bij brief van 5 oktober 2023 is appellant kennis gegeven van de beslissing van de officier van justitie om de strafzaak tegen appellant te seponeren omdat er onvoldoende bewijs is (sepotcode 02). De strafzaak is daarmee geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De raadsman heeft in raadkamer het verzoek nader toegelicht en gepersisteerd bij het verzoek in het bijzonder voor zover dat ziet op € 19 voor reiskosten en € 144,25 voor gederfde inkomsten.
Ter onderbouwing heeft de raadsman verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 oktober 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:10938) en heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat art. 530 van het Wetboek van Strafvordering grondslag biedt voor toekenning van het verzochte.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank op goede gronden en juiste wijze heeft beslist.
Als de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden en voor de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 530, vierde lid, in verbinding met artikel 534, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter alle omstandigheden in aanmerking genomen gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig appellant een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Het hof heeft acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de strafzaak. De gevraagde vergoeding van € 508,20 zal worden toegekend.
Niet is gebleken dat het opgevoerde tijdsverzuim, tijdsverzuim betreft dat appellant direct heeft geleden door de vervolging en het onderzoek van de zaak ter terechtzitting in de zin van artikel 530, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat dat deel van de gestelde schade niet in aanmerking komt voor vergoeding op grond van deze bepaling. Volgens vaste jurisprudentie komen de door appellant opgevoerde reiskosten naar het politiebureau ook niet voor vergoeding in aanmerking. De enkele omstandigheid dat de rechtbank Noord-Holland op 4 oktober 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:10938) in die zaak anders heeft geoordeeld, vormt geen aanleiding om appellant toch in aanmerking te laten komen voor een vergoeding. Naar het oordeel van het hof biedt het Wetboek van Strafvordering en dus ook artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering immers geen grondslag voor het toekennen van een vergoeding zoals verzocht.
Het hof zal gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift een bedrag van € 340 toekennen. Naar het oordeel van het hof ontbreken gronden van billijkheid voor het toekennen van een (standaard)vergoeding voor de kosten van de behandeling van het verzoekschrift in hoger beroep, nu het appellant – die door een advocaat wordt bijgestaan – op basis van de wet en bestendige jurisprudentie duidelijk had moeten zijn dat het verzoek ten aanzien van de gederfde inkomsten en de reiskosten niet voor toewijzing in aanmerking zou komen.
Het hof kent aan appellant de navolgende vergoeding toe:
- kosten rechtsbijstand € 508,20
- kosten verzoek € 340,00 +
Totaal: € 848,20.
Dictum
Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep;
Kent aan appellant toe een vergoeding ten laste van de Staat van € 848,20 (achthonderdachtenveertig euro en twintig cent).
Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [naam] c.s., onder vermelding van: ‘ [kenmerk] ’.
Aldus gegeven door
mr. M.L. Plas, voorzitter,
mr. C.H. Zuur en mr. R.D.J. Visschers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E. van der Zandt, griffier,
en op 2 juni 2025 ter openbare zitting uitgesproken.