Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-05-27
ECLI:NL:GHARL:2025:3246
Civiel recht
Hoger beroep
6,720 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.335.453
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 289382)
arrest van 27 mei 2025
in de zaak van
1 [appellant]
2. [appellante]
die beiden wonen in [woonplaats1]
die gezamenlijk handelen onder de naam VOF [naam1]
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als eisers in conventie, gedaagden in reconventie
hierna samen: [naam1]
advocaat: mr. H.C. Koops
tegen
Velten Vastgoed B.V.
die is gevestigd in Enter
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie
hierna: Velten
advocaat: mr. J. Schutrups
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 23 januari 2024 heeft op 22 april 2024 een plaatsopneming door het hof met aansluitend een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de memorie van grieven
de memorie van antwoord
de akte van [naam1]
de antwoordakte van Velten.
2De kern van de zaak
2.1.
[naam1] oefent een onderneming uit vanuit een bedrijfspand op een perceel dat zij in eigendom heeft. Het perceel is gelegen op een bedrijventerrein. Een aangrenzend perceel is van Velten. Die oefent daar haar bedrijf uit. Op het perceel van [naam1] zijn erfdienstbaarheden gevestigd van gootrecht en van weg, met het perceel van Velten als heersend erf. Nadat [naam1] constateerde dat Velten zonder overleg op het perceel van [naam1] graafwerkzaamheden liet uitvoeren, is daarover een geschil ontstaan. Volgens Velten waren de werkzaamheden nodig voor de uitoefening van het gootrecht. Als gevolg van een verbouwing van haar bedrijfspand was er behoefte aan meer waterafvoer en heeft zij daartoe de waterafvoer van dat pand aangesloten op een put op het perceel van [naam1] van waaruit water wordt weggepompt en afgevoerd. Nadien heeft Velten een eigen pompsysteem geïnstalleerd om het water van haar bedrijfspand af te voeren. Verder heeft zij op het eigen perceel een hek laten plaatsen dat de erven grotendeels scheidt. Als gevolg daarvan ondervindt [naam1] moeilijkheden bij het gebruik van de parkeerplaatsen op haar erf. Voorheen was het mogelijk daar in te parkeren door over het erf van Velten te rijden maar doordat nu een hek is geplaatst, gaat dat niet meer. Nadat Velten een hek had geplaatst heeft [naam1] een eigen hek geplaatst. Dat is volgens Velten in strijd met de erfdienstbaarheid van weg ten laste van het perceel van [naam1] .
2.2.
[naam1] heeft bij de rechtbank gevorderd, in verkorte vorm weergegeven,
primair
I. voor recht te verklaren dat de erfdienstbaarheden van gootrecht en van weg niet rechtsgeldig zijn gevestigd;
subsidiair
II. het gootrecht op te heffen bij gebrek aan belang;
III. voor recht te verklaren dat de erfdienstbaarheid van weg op de minst bezwarende wijze wordt uitgeoefend door het ontbreken van een erfafscheiding, althans dat er ten laste van het perceel van Velten een erfdienstbaarheid is ontstaan door verjaring die er uit bestaat dat vanaf/over haar perceel kan worden ingeparkeerd op de parkeervakken van [naam1] en dat het perceel van Velten via het perceel van [naam1] kan worden bereikt vanaf de [adres2] , uitsluitend zonder dat er een erfafscheiding is of wordt aangebracht tussen deze twee percelen;
IV Velten te veroordelen tot het verwijderen en verwijderd houden van de erfafscheiding (het hek) op straffe van een dwangsom;
primair en subsidiair
V. Velten te veroordelen tot betaling van notariskosten van € 4.658,00 en van de kosten gemoeid met verwijdering van de door Velten in het perceel van [naam1] aangebrachte werken en herstel van de veroorzaakte schade van € 1141,46, en alles met veroordeling van Velten in de proceskosten.
2.3.
In reconventie heeft Velten gevorderd dat [naam1] wordt veroordeeld tot betaling van een boete van € 4.766,- te vermeerderen met wettelijke rente, wegens overtreding van de boeteclausule die onderdeel uitmaakt van de erfdienstbaarheid van weg, met veroordeling van [naam1] in de proceskosten.
2.4.
De rechtbank heeft de vorderingen in conventie afgewezen en in reconventie deels toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen van [naam1] in conventie alsnog worden toegewezen en dat de vordering van Velten in reconventie alsnog wordt afgewezen.
2.5.
Het hof zal beslissen dat de vorderingen in conventie deels worden toegewezen, namelijk de gevorderde verklaring voor recht dat door verjaring een erfdienstbaarheid van weg is ontstaan en de vordering tot verwijdering van de aangebrachte erfafscheiding. De vordering in reconventie wordt alsnog afgewezen. Het hof licht die beslissingen hierna toe. Het hof laat het vonnis van de rechtbank deels in stand en beslist voor een deel anders.
3De toelichting op de beslissing van het hof
Het gootrecht. Wat is het?
3.1.
Het hof hoeft niet te oordelen over het onderdeel van de eis bij de rechtbank onder I, de verklaring voor recht dat de erfdienstbaarheden niet zijn gevestigd. Die vordering is in hoger beroep niet gehandhaafd. De vordering onder II, om het gootrecht op te heffen wegens gebrek aan belang, is in hoger beroep (subsidiair) aangevuld met de vordering om voor recht te verklaren dat het gootrecht als bedoeld niet meer of minder inhoudt dan de letterlijke tekst in de akte van vestiging. In het als grief I aangeduide bezwaar tegen het vonnis heeft [naam1] deze vorderingen onderbouwd.
3.2.
Het bezwaar faalt en het hof wijst zowel het primair als het subsidiair gevorderde onder II af, om de navolgende redenen. De tekst van de erfdienstbaarheid van gootrecht luidt, voor zover van belang:
“[…] wordt een erfdienstbaarheid van gootrecht (gescheiden-riolering) gevestigd, om vanaf het heersend erf over het dienstbaar erf, schoon en vuil water casu quo hemelwater met de eventueel daarin aanwezige (huishoudelijke) afvalstoffen, […] te laten wegvloeien door een door en voor rekening van de eigenaar van het heersend in het dienstbaar erf aan te leggen goot, bestaande uit gescheiden rioolbuizen met een doorsnede, zoals van overheidswege wordt voorgeschreven, naar het openbare rioleringsstelsel.
Deze erfdienstbaarheid wordt gevestigd onder de volgende voorwaarden en
bepalingen:
[…]”
3.3.
Daarnaast is in de leveringsakte van het perceel van [naam1] een kwalitatieve verplichting opgenomen over de pomp in een put in het perceel van [naam1] . Die verplichting luidt als volgt:
“Volgens opgave van verkoper zit er een betonnen waterput op de hoek van het pand aan de [adres2] 2a voor hemelwaterafvoer(hwa) met daarin een rioolpomp die pompt richting het riool van de [adres2] in verband met niveau verschil ter plaatse. De koper en diens rechtverkrijgenden in de eigendom dienen deze pomp in werking te houden voor het beoogde doel. Het water van de [adres1] 51a-b [hof: het perceel van Velten] vloeit ook gedeeltelijk in voornoemde waterput.
Dictum
Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 24 mei 2023, en beslist:
4.2.
verklaart voor recht dat er ten laste van de eigenaren van de onroerende zaak aan [adres1] te [plaats1] , kadastraal aangeduid Gemeente [de gemeente] sectie L nummer 1078 (“L1078”) en ten behoeve van de onroerende zaak, plaatselijk bekend [adres2] te [plaats1] , kadastraal bekend gemeente [de gemeente] , sectie L nummer 1511 (“L1511”), een erfdienstbaarheid is ontstaan door middel van verjaring die er uit bestaat dat vanaf/over perceel L1078 kan worden ingeparkeerd op de parkeervakken van perceel L1511;
4.3.
veroordeelt Velten tot het binnen vier weken na de betekening van dit arrest verwijderen en verwijderd houden van de door haar aangebrachte erfafscheiding langs de erfgrens tussen de in 4.2 aangeduide percelen L1078 en L1511, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000,-;
4.4.
veroordeelt Velten tot terugbetaling aan [naam1] van alles wat [naam1] op grond van het vonnis van 24 mei 2023 aan Velten heeft betaald tot een bedrag van € 7.703,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door [naam1] tot aan de dag van terugbetaling;
4.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt in hoger beroep en in eerste aanleg in conventie;
4.6.
veroordeelt Velten tot betaling van de proceskosten van [naam1] tot aan de uitspraak van de rechtbank in reconventie, tot zover begroot op:
- € 1.016,- aan salaris van de advocaat van TS (2 x procespunten x het toepasselijke tarief I);
4.7.
bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag.
4.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.9.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Verkijk, M. Wallart en J.G.J. Rinkes, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025.
HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743 (Vogelzang/Gemeente Landgraaf)
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Inleiding
De hiervoor op koper rustende verplichting zal overeenkomstig artikel 6:252 BW overgaan op degenen die het verkochte onder bijzondere en/of algemene titel zullen verkrijgen.”
3.4.
Uit deze teksten volgt, en dat is tussen partijen niet in geschil, dat de erfdienstbaarheid van gootrecht inhoudt het recht om vanaf het heersende erf schoon en vuil water te laten wegvloeien door een door en voor rekening van de eigenaar van het dienstbaar erf aan te leggen goot, bestaande uit gescheiden rioolbuizen, naar het openbare rioleringsstelsel. De beoordeling of Velten nog een belang heeft bij het gootrecht hangt samen met de wijze waarop het gootrecht wordt uitgeoefend en of deze wijze van uitoefening is toegestaan.
Gootrecht. Hoe wordt het uitgeoefend?
3.5.
Uit de stellingen van partijen maakt het hof op dat het gootrecht van meet af aan is uitgeoefend door water vanaf het erf van Velten te laten wegvloeien door een (gescheiden) riolering die is aangesloten op de riolering en daarmee op het pompsysteem op het perceel van [naam1] . Van daaruit wordt het water naar het openbare rioleringsstelsel gepompt. De onmin tussen partijen ontstond toen Velten na een verbouwing van zijn bedrijfspand voorzag dat er meer water dat van het bedrijfspand kwam moest worden verwerkt en hij daarom zonder toestemming een extra (groot) riool op het riool van [naam1] (en daarmee op haar pompput) heeft aangesloten. Die extra aansluiting is inmiddels niet meer werkzaam. Velten heeft een pompsysteem op het eigen perceel laten aanleggen om overtollig water te laten wegvloeien.
Gootrecht. Mocht Velten het riool aansluiten op de pompput van [naam1] ?
3.6.
Volgens [naam1] vloeit uit de erfdienstbaarheid van het gootrecht en de kwalitatieve verbintenis over de waterpomp niet voort dat Velten het afgevoerde water op de pomp van [naam1] mocht aansluiten. Dat volgt inderdaad niet met zoveel woorden uit de tekst van de erfdienstbaarheid of die waarin de kwalitatieve verbintenis is vastgelegd. Velten stelt dat zij (of haar aannemer) heeft gemeend dat de nieuwe aansluiting op het riool nodig was om wateroverlast te voorkomen nadat er als gevolg van de verbouwing van haar bedrijfspand meer water naar het lager gelegen perceel van [naam1] zou stromen. Zij heeft een beroep gedaan op art. 5:75 BW, waaruit volgt dat zij bevoegd was om op haar eigen kosten op het erf van [naam1] ‘werken’ aan te brengen, die voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk zijn.
3.7.
[naam1] voert als bezwaar tegen het vonnis aan dat het niet aan haar is om te bewijzen dat de werkzaamheden niet nodig waren, omdat de bewijslast niet op haar rust. Dat is juist, maar het hof komt net als de rechtbank aan bewijslevering niet toe. Velten heeft immers gesteld dat die werkzaamheden wel nodig waren en heeft ook uitgelegd waarom. [naam1] betwist dat niet en acht het juist aannemelijk dat de omstandigheden die volgens Velten de aanpassingen aan het riool noodzaakten, zich voordeden (uitgaande van de situatie dat Velten nog geen eigen pompsysteem had aangebracht). Daarmee moet het hof die noodzakelijkheid als vaststaand aannemen. Naar het hof uit de stellingen van partijen opmaakt, lag aansluiting op het pompsysteem bovendien ook voor de hand gelet op de feitelijke omstandigheden ter plaatse, waarbij het water ofwel over de grond naar het perceel van [naam1] kan stromen en dan daar in de kolk en vervolgens in het rioolsysteem terecht komt ofwel door een daartoe aangelegd riool naar het rioolsysteem van [naam1] stroomt. Het hof kan in elk geval niet uit de stellingen van [naam1] afleiden waarom deze wijze van afwatering niet past bij een juiste uitvoering van het gootrecht en oordeelt dan ook dat Velten door de aansluiting te maken op het riool de grenzen van haar bevoegdheid als geregeld in art. 5:75 BW niet te buiten is gegaan.
3.8.
Aan dit alles doet niet af, anders dan [naam1] aanvoert, dat op grond van de akte waarin de erfdienstbaarheid is gevestigd een verplichting is opgenomen voor [naam1] , als eigenaar van het dienend erf, om de riolering te onderhouden. Die verplichting van [naam1] staat immers niet in de weg aan de bevoegdheid van Velten die uit de wet voortvloeit.
Gootrecht. Houdt Velten er belang bij?
3.9.
Velten maakt inmiddels geen gebruik meer van de bedoelde gescheiden riolering op haar erf, omdat zij een eigen pompsysteem heeft aangebracht. [naam1] vindt dat Velten daarom geen belang meer heeft bij het gootrecht en wil dat het gootrecht wordt opgeheven. Volgens Velten houdt zij belang, onder meer omdat als het nieuwe pompsysteem om wat voor reden dan ook niet meer zou werken zij gebruik moet kunnen maken van het pompsysteem in het perceel van [naam1] . [naam1] heeft dit niet gemotiveerd weersproken. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat het redelijk belang van Velten bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid niet zal terugkeren, zodat niet aan de door de wet gestelde eisen voor opheffing daarvan (art. 5:79 BW) is voldaan.
Gootrecht. Uitleg van de akte met de erfdienstbaarheid
3.10.
[naam1] wil met de door haar subsidiair gevorderde verklaring voor recht over de letterlijke uitleg van de erfdienstbaarheid bereiken, dat daarmee komt vast te staan dat het gootrecht Velten niet toestaat gebruik te maken van het pompsysteem van [naam1] . Gelet op het voorgaande volgt het hof de door [naam1] voorgestane uitleg niet. Nog afgezien daarvan kan die verklaring voor recht niet worden gegeven omdat de vordering afstuit op de wet en de rechtspraak van de Hoge Raad over de uitlegging van (onder meer) notariële akten. De wet regelt over de inhoud van een erfdienstbaarheid immers (art. 5:73, eerste lid BW) dat de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden bepaald door de akte van vestiging en aanvullend door de plaatselijke gewoonte. Bovendien geldt dat als een erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze is uitgeoefend, bij twijfel die wijze van uitoefening beslissend is. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad geldt bij de uitleg van een notariële akte in principe de zogeheten CAO-norm, waarbij een objectieve lezing van de akte centraal staat. Ook dan zijn echter alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van beslissende betekenis. Het hof heeft deze regels over de uitlegging van akten in de voorafgaande alinea’s toegepast.
Gootrecht. Moet Velten de notariskosten voor het uitzoeken betalen?
3.11.
Het hof heeft in het voorgaande beoordeeld of Velten de werkzaamheden aan het riool op het perceel van [naam1] mocht laten uitvoeren en of zij een riool voor het af te voeren regenwater op de pomp op het perceel van [naam1] mocht aansluiten. Dit is van belang voor de beoordeling van grief VI, het bezwaar dat gericht is tegen de afwijzing van de kosten die [naam1] heeft gemaakt door het inschakelen van een notaris om uit te zoeken hoe het zit met de erfdienstbaarheden. Volgens [naam1] waren de werkzaamheden van Velten onrechtmatig maar zoals uit de overwegingen in de voorgaande alinea’s volgt, oordeelt het hof anders (al had het wel op de weg van Velten gelegen om hier voorafgaand aan de werkzaamheden over te communiceren, zoals zij ook toegeeft). Velten is dan ook niet aansprakelijk voor de kosten van de notaris die [naam1] heeft gemaakt.
Het hek. De verjaring
3.12.
[naam1] heeft zich erop beroepen dat er door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan die inhoudt dat zij over de grond van Velten mag rijden om te kunnen parkeren op de parkeerplaatsen op haar terrein.
Inleiding
Het bezwaar tegen het vonnis daarover (grieven III en IV) slaagt.
3.13.
Art. 5:72 BW bepaalt dat een erfdienstbaarheid kan ontstaan door vestiging of door (verkrijgende of bevrijdende) verjaring. Art. 3:105 lid 1 BW regelt de bevrijdende verjaring en verheft tot rechthebbende degene die een goed (in dit geval: een erfdienstbaarheid) bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Dat geldt ongeacht of het bezit te goeder trouw was. De verjaringstermijn van een rechtsvordering strekkende tot beëindiging van bezit bedraagt in beginsel twintig jaar (art. 3:306 BW).
3.14.
Hieruit volgt dat [naam1] een erfdienstbaarheid kan hebben verkregen, indien zij daarvan twintig jaar het bezit heeft gehad. Anders dan waar de rechtbank vanuit gaat, hoeft het bij de uitoefening van bezit niet te gaan om bezitsdaden waarbij het voor de eigenaar van het andere erf duidelijk moet zijn dat die bezitsdaden ertoe hebben geleid ‘dat hij het exclusieve genot van zijn erf heeft verloren’. De bezitter van een erfdienstbaarheid blijft immers slechts houder van de zaak waarop de erfdienstbaarheid wordt uitgeoefend; de rechthebbende verliest niet het exclusieve genot van zijn erf door het bestaan van een erfdienstbaarheid. Het is evenmin zo, dat aan diegene die stelt bezitter te zijn kan worden tegengeworpen dat zijn machtsuitoefening theoretisch ook kan passen bij een persoonlijk recht of andersoortig beperkt recht. Die tegenwerping leidt pas ergens toe als er objectieve aanwijzingen waren om de machtsuitoefening door de partij die zich op het bezit beroept te kunnen aanmerken als voortvloeiend uit een andere rechtsverhouding.
3.15.
[naam1] stelt dat de parkeerplaatsen op haar perceel al sinds 1997 zijn gemarkeerd door afwijkende bestrating. Verder stelt zij dat, voorafgaand aan de plaatsing van het hek door Velten, al gedurende meer dan twintig jaar auto’s die op de parkeerplaatsen van [naam1] wilden parkeren daartoe over de grond van Velten moesten rijden. Dat kan niet anders, omdat er anders zo weinig ruimte is dat parkeren zonder meerdere keren te steken niet mogelijk is en er niet meerdere auto’s kunnen staan. Volgens Velten doen omstandigheden waaruit bezit zou kunnen worden afgeleid zich niet voor, maar die enkele stelling kan niet worden aangemerkt als een voldoende betwisting van wat [naam1] aanvoert. Het hof zal dan ook uitgaan van de feitelijke stellingen van [naam1] hierover.
3.16.
Naar het oordeel van het hof volgt uit deze feitelijke stellingen van [naam1] dat zij, althans haar rechtsvoorgangers zich (meer dan) twintig jaar geleden hebben gedragen als bezitters van een erfdienstbaarheid, die inhoudt dat zij over de grond van Velten mogen rijden om gebruik te maken van de parkeerplaatsen op het eigen erf en dat het bezit sindsdien heeft voortgeduurd. De enkele stelling van Velten dat is gedoogd dat auto’s over haar erf reden, weerspreekt dat niet. Daaruit volgt immers nog niet een rechtsverhouding die aan de uitoefening van bezit door (de rechtsvoorgangers van) [naam1] in de weg staat, omdat uit de stellingen van Velten niet volgt dat gedogen meer inhoudt dan enkel niet optreden tegen een inbreuk op haar eigendomsrecht. Velten heeft bijvoorbeeld niet aangevoerd dat er toestemming was en dat zij die toestemming heeft ingetrokken om (of door) een hek te plaatsen, en heeft ook geen objectieve omstandigheden naar voren gebracht die op een andere rechtsverhouding zouden kunnen duiden.
3.17.
De slotsom tot zover is dat door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan, zoals hiervoor omschreven. Grief II behoeft verder geen bespreking. Vast staat verder, dat het door Velten geplaatste hek als erfafscheiding de uitoefening van die erfdienstbaarheid belemmert: er kan immers niet meer op de parkeerplaatsen van [naam1] worden geparkeerd, doordat het voor [naam1] , althans de gebruikers van haar parkeerplaatsen, niet meer mogelijk is om daartoe een bocht over de grond van Velten te maken. Dat betekent dat dit hek daar niet mag staan. Velten moet immers de uitoefening van de erfdienstbaarheid dulden en mag deze niet beletten. De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen voor zover deze inhoudt dat door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan. De toevoeging ‘zonder dat er een erfafscheiding is of wordt aangebracht’ zal daar geen deel van uitmaken omdat niet elke erfafscheiding het uitoefenen van de erfdienstbaarheid belet zodat het gevorderde in zoverre te ruim is. Wel toewijsbaar is de vordering onder 3, om de aangebrachte erfafscheiding (het hek) te verwijderen en verwijderd te houden, op verbeurte van een dwangsom. Deze erfafscheiding belet immers de uitoefening van de erfdienstbaarheid en er is niets door Velten aangevoerd dat zou maken dat toewijzing van deze vordering te ver gaat. Het hof zal een maximum verbinden aan de dwangsom en de termijn waarbinnen het hek moet worden verwijderd verruimen tot vier weken na betekening van het arrest.
Het andere hek. De boete
3.18.
[naam1] heeft in reactie op de plaatsing van het hek door Velten zelf eveneens een hek geplaatst in het verlengde van dat van Velten. Volgens Velten maakt zij daarmee inbreuk op haar recht van weg (eveneens een erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van [naam1] ), zodat op grond van de bepalingen in de akte waarin die erfdienstbaarheid is opgenomen [naam1] een boete is verschuldigd. Vanwege de dreiging van de oplopende boete had [naam1] het hek verwijderd voordat het tot een procedure kwam. [naam1] heeft een grief gericht tegen het vonnis van de rechtbank waarin de vordering van Velten tot betaling van die boete (deels) is toegewezen. Die grief (VII) slaagt.
3.19.
De tekst van de desbetreffende erfdienstbaarheid luidt voor zover van belang:
“Ten laste van het verkochte, hierna ook te noemen: dienstbaar erf en ten behoeve van het aan verkoper in eigendom verblijvende gedeelte van de percelen L1064 en 1066, zoals met de letter B is aangegeven op gemelde tekening, hierna ook te noemen heersend erf:
a. wordt een erfdienstbaarheid van weg gevestigd, uit te oefenen over de grond, gelegen voor de op het verkochte te stichten bedrijfshal, om te komen van en te gaan naar de openbare weg en de op het heersende erf te stichten opstallen.”
De in de tekst genoemde bedrijfshal is wat nu het bedrijfspand is van [naam1] .
3.20.
Door het plaatsen van het hek door [naam1] kan Velten niet langer vanaf de openbare weg direct bij het bereiken van zijn eigen terrein dat terrein opdraaien. Daar kan zij echter geen aanspraak op maken, althans dat vloeit niet zonder meer voort uit haar recht van weg. Zij heeft het recht om met auto’s voor het bedrijfspand van [naam1] langs te rijden om de op haar erf gelegen opstallen te bereiken, maar [naam1] heeft op grond van art. 5:74 BW (het verleggingsrecht) het recht om het ‘pad’ aan te wijzen waarover Velten die erfdienstbaarheid mag uitoefenen. Het is [naam1] dan ook toegestaan om een hek te plaatsen, ook als dat betekent dat Velten daardoor alleen op een andere plek het eigen terrein kan bereiken. In dit geval is dat lastig, omdat Velten zelf de toegang van het erf van [naam1] naar het eigen terrein heeft belemmerd door de in haar opdracht geplaatste erfafscheiding. Die belemmert Velten niet minder dan het door [naam1] geplaatste hek, zodat Velten ook het eigen terrein beter kan bereiken (zonder eerst tot aan de door haar geplaatste slagboom te rijden) als zij het eigen hek zou verwijderen. Velten heeft geen beter recht om een hek te plaatsen dan [naam1] zodat zij [naam1] niet het plaatsen van een hek kan tegenwerpen. Als alternatief kon Velten bij de geplaatste slagboom naar binnen rijden om de erfdienstbaarheid uit te oefenen.