Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-05-26
ECLI:NL:GHARL:2025:3194
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,474 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002915-24
Uitspraak d.d.: 26 mei 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 28 juni 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-151758-23 en 18-210812-23, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De [verdachte] , heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 12 mei 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.J. Flach, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij vonnis van 28 juni 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, [verdachte] ter zake van de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten met parketnummer 18-151758-23 en het tenlastegelegde feit met parketnummer 18-210812-23 veroordeeld tot een werkstraf van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen jeugddetentie, waarvan zestig uren, subsidiair dertig dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring op juiste wijze en gronden heeft beslist. Het vonnis zal in zoverre worden bevestigd. Ten aanzien van de opgelegde straf komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank, zodat het vonnis in zoverre zal worden vernietigd.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een werkstraf van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen jeugddetentie, waarvan zestig uren, subsidiair dertig dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, zonder oplegging van bijzondere voorwaarden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over een eventuele strafoplegging.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft ten aanzien van de straf het volgende overwogen:
‘
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan brandstichting in een leegstaand gebouw in het centrum van [plaats] . Er is door het handelen van verdachte een zeer grote brand ontstaan met flinke rookontwikkeling en het gebouw is volledig afgebrand. Daarnaast is er gevaar ontstaan voor goederen en woningen rondom het gebouw.
Door adequaat ingrijpen van de brandweer is de brand snel geblust en zijn de gevolgen van de brand beperkt gebleven tot materiële schade.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan brandstichting van een picknicktafel die toebehoorde aan de [gemeente] . Door het handelen van verdachte is er schade ontstaan aan de picknicktafel en is er gevaar ontstaan voor goederen in de buurt van deze picknicktafel.
Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging. Samen met zijn medeverdachten heeft hij twee skelters weggenomen bij een kinderopvang. Hij heeft daarmee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van die kinderopvang. Diefstal is een ergerlijk feit dat schade en hinder veroorzaakt voor de gedupeerden. Verdachte heeft hiermee laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendommen.
Persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank constateert dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van de Raad van 5 juni 2024. Uit dit rapport blijkt dat er in het onderzoek, naast een aantal beschermende factoren, ook risicofactoren naar voren komen. Zo kent verdachte een belaste voorgeschiedenis waarbij hij van juni 2020 tot maart 2022 onder toezicht was gesteld van de [Stichting] Jeugdbescherming en Reclassering . Na de ondertoezichtstelling zijn er diverse vormen van hulpverlening betrokken geweest waaronder Multidimensionale Familie Therapie (hierna: MDFT) vanuit [jeugdhulp] .’
Het hof verenigt zich met deze overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. In aanvulling op het voorgaande overweegt het hof dat ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het momenteel goed gaat met [verdachte] . Hij gaat naar school en loopt stage, en is niet meer in zicht bij de politie en gemeente als zijnde een ‘probleemjongere’. Verder is er vanuit school iemand betrokken bij [verdachte] . De [Stichting] heeft, gelet op deze positieve ontwikkeling, ter terechtzitting in hoger beroep geadviseerd om af te zien van oplegging van bijzondere voorwaarden.
Gelet op het voorgaande en de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor jeugd, waaruit blijkt dat het uitgangspunt voor brandstichting met aanzienlijke schade aan goederen een taakstraf vanaf zestig uren is, is het hof van oordeel dat een werkstraf voor de duur van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen jeugddetentie, waarvan zestig uren, subsidiair dertig dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is. Aan de oplegging van het voorwaardelijke strafdeel zullen geen bijzondere voorwaarden worden verbonden, nu het hof hiertoe gelet op de positieve ontwikkeling van [verdachte] geen noodzaak meer ziet.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] .
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.245.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, haar vordering aanvankelijk gehandhaafd en vervolgens het bedrag van haar oorspronkelijke vordering verlaagd tot een bedrag van € 330.650,36. De benadeelde partij vordert in hoger beroep de sloopkosten en kosten van afvoer van puin ten bedrage van € 33.650,36 en daarnaast de waarde van de opstallen die ten gevolge van de brandstichting verloren zijn gegaan. Daarbij is de benadeelde partij uitgegaan van de optelling van de WOZ-taxaties van de verschillende opstallen van in totaal € 297.000,00 per peildatum 1 januari 2021.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in diens vordering tot schadevergoeding.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in diens vordering tot schadevergoeding.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] .
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] . niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door
mr. L. Pieters, voorzitter,
mr. J.A.M. Kwakman en mr. F.E.J. Goffin, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,
en op 26 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.