Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-05-23
ECLI:NL:GHARL:2025:3163
Strafrecht
Hoger beroep
2,678 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003035-22
Uitspraak d.d.: 23 mei 2025
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 7 juli 2022 met parketnummer 05-880323-19 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in de zaak tegen
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 mei 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door de advocaat-generaal en door betrokkene en zijn raadsman, mr. R.A.C. Frijns, naar voren is gebracht.
Dictum
De rechtbank heeft bij bovengenoemde beslissing, waartegen het hoger beroep is gericht, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene moet worden geschat, vastgesteld op een bedrag van € 68.575,47. De rechtbank heeft verder aan betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op eenzelfde bedrag van € 68.575,47 en bepaald dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv kan worden gevorderd ten hoogste 1080 dagen is.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep omdat het komt tot een andere schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, en daarmee ook tot een andere betalingsverplichting aan de Staat en duur van de gijzeling. Het hof zal de beslissing waarvan beroep dan ook vernietigen en opnieuw rechtdoen.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 71.215,00 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 68.575,47 en dat aan hem wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van eenzelfde bedrag van € 68.575,47. De schriftelijke vordering waaruit dit blijkt is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De raadsman heeft zich namens betrokkene primair op het standpunt gesteld dat ervan uitgegaan dient te worden dat betrokkene € 200,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten per keer dat hij heeft gepind. Betrokkene heeft immers slechts een bijrol gehad en is niet aan te merken als pleger of medepleger van de oplichting zoals in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak onder 1 ten laste is gelegd.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het aannemelijk is dat er, naast betrokkene, ook twee andere personen voordeel hebben genoten van vorenbedoelde oplichting. Daarom dient het wederrechtelijk verkregen voordeel in drie gelijke delen te worden verdeeld.
Ten aanzien van de betalingsverplichting aan de Staat
De raadsman heeft het hof verzocht om de betalingsverplichting aan de Staat op nihil te stellen vanwege de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het belang van de benadeelde partijen om het weggenomen geld terug te krijgen zwaarder weegt dan het belang van de Staat bij de toewijzing van de ontnemingsvordering.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 23 mei 2025 (parketnummer 21-003087-22) in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak (hierna: het arrest) veroordeeld ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, te weten medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, en het onder 2 ten laste gelegde.
Uit het strafdossier, vorenbedoeld arrest van het hof in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak (en de daarin uitgewerkte bewijsmiddelen) en bij de behandeling van de ontnemingsvordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het onder 1 bewezenverklaarde handelen wederrechtelijk financieel voordeel heeft genoten. Om tot een schatting van dit financiële voordeel van betrokkene te komen, heeft het hof (naast voornoemd arrest) als uitgangspunt genomen het Rapport berekening wederrechtelijk verregen voordeel per delict van 27 december 2019 (hierna: het Rapport). In het rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend door alle geldbedragen die daadwerkelijk door betrokkene zijn ontvangen door de onder 1 tenlastegelegde oplichting in de zaken 1 tot en met 22 bij elkaar op te tellen, hetgeen een bedrag van € 71.215,47 oplevert.
In het arrest heeft het hof betrokkene echter niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover zich dit mede richt tegen de vrijspraak van de rechtbank bij vonnis van 7 juli 2022 van het onder 1 ten laste gelegde voor zover betrekking hebbend op de zaken met de nummers 2, 4a en 4b. Verder heeft het hof betrokkene bij voornoemd arrest vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde voor zover betrekking hebbend op de zaken met de nummers 10, 16 en 17. Een en ander brengt met zich mee dat de bedragen uit het Rapport die betrekking hebben op de oplichting in de zaken met de nummers 2, 4a, 4b, 10, 16 en 17 van voornoemd bedrag van € 71.215,47 (betreffende het in het Rapport genoemde door betrokkene ontvangen totaalbedrag) dienen te worden afgetrokken. Dit levert, het gegeven in acht nemend dat er in het Rapport betreffende zaak 2 geconcludeerd is dat er geen geld uit de oplichting in die zaak door betrokkene is ontvangen, de volgende berekening op:
€ 71.215,47 – € 8.330,29 (= € 0,00 (zaak 2) + € 930,00 (zaak 4a) + € 1.710,00 (zaak 4b) + € 1.030,00 (zaak 10) + € 1.153,60 (zaak 16) + € 3.506,69 (zaak 17) = € 62.885,18.
Het hof concludeert derhalve dat betrokkene een bedrag van € 62.885,18 heeft ontvangen uit het onder 1 bewezenverklaarde. In het arrest heeft het hof echter ook het ten laste gelegde ‘medeplegen’ bewezenverklaard, omdat is gebleken dat de rol van betrokkene aanzienlijk groter was dan door de verdediging betoogd. Het hof volgt de verdediging dan ook niet in het primaire standpunt. Op basis van het arrest, het dossier en de verklaring van betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep gaat het hof ervanuit dat betrokkene het onder 1 bewezenverklaarde feit tezamen met twee anderen heeft gepleegd. Het hof acht het voldoende aannemelijk geworden dat betrokkene dan ook niet de enige is geweest die wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit het door hem ontvangen bedrag van € 62.885,18, maar dat dit is verdeeld tussen hemzelf en zijn twee mededaders. Nu concrete aanwijzingen voor een andere verdeling van het verkregen voordeel ontbreken, zal het hof voornoemd bedrag, conform het subsidiaire standpunt van de verdediging, pondspondsgewijs tussen verdachte en zijn mededaders verdelen. Dit resulteert voor betrokkene in een voordeel van (€ 62.885,18 / 3 =) € 20.961,73.
De verplichting tot betaling aan de Staat
Persoonlijke omstandigheden betrokkene
Ter terechtzitting in hoger beroep is er met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene betreffende zijn draagkracht, naar voren gekomen dat hij een eigen schildersbedrijf heeft. Hij wordt als ZZP’er ingeschakeld door andere bedrijven, maar ook door particulieren. Betrokkene heeft verklaard dat zijn bedrijf goed loopt en dat hij veel klussen gepland heeft staan voor de rest van het jaar.
De verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat de betrokkene in staat zal zijn om na het uitzitten van de in het arrest aan hem opgelegde gevangenisstraf aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen nu van het tegendeel niet is gebleken. Het hof ziet geen aanleiding om dit bedrag te matigen, ook niet in hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 20.961,73 (twintigduizend negenhonderdeenenzestig euro en drieënzeventig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 20.961,73 (twintigduizend negenhonderdeenenzestig euro en drieënzeventig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 419 dagen.
Aldus gewezen door
mr. M.C. van Linde, voorzitter,
mr. T.H. Bosma en mr. P.S. Bakker, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier,
en op 23 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Wanneer hierna naar paginanummers wordt verwezen, worden hiermee bedoeld paginanummers van een in wettelijke vorm, door de daartoe bevoegde ambtenaren, opgemaakt proces-verbaal uit het politiedossier [politiedossiernummer] van Politie Oost-Nederland, nummer [nummer] . AGD, van 22 november 2019.
Los gevoegd bij voornoemd politiedossier.
Pagina 32 van het Rapport.
Zie onder andere de pagina’s 1015 tot en met 1020 van het politiedossier.
De verklaring van betrokkene zoals deze blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 mei 2025 in hoger beroep.
HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1744.