Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-05-23
ECLI:NL:GHARL:2025:3159
Strafrecht
Hoger beroep
2,579 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001922-24
Uitspraak d.d.: 23 mei 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 29 april 2024 met parketnummer 18-276966-23 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 mei 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 4 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en tot een taakstraf van veertig uren, te vervangen door twintig dagen hechtenis;
veroordeling van verdachte ter zake van het onder 3 ten laste gelegde tot een geldboete van € 300,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.I. Dolinski, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft bij vonnis van 29 april 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van de onder 1, 2 primair en 4 ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met aftrek van het voorarrest, waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met als bijzondere voorwaarden:
een meldplicht;
een behandelplicht bij VNN of een soortgelijke zorgverlener;
een verbod om drugs te gebruiken en middelencontrole;
het zich inspannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding.
Verder heeft de politierechter verdachte ter zake van het onder 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 300,00, te vervangen door zes dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof is van oordeel dat de politierechter ten aanzien van de bewezenverklaring grotendeels op juiste wijze en op juiste gronden heeft beslist. Het vonnis zal in zoverre, met aanvulling van gronden, worden bevestigd.
Ten aanzien van de straf komt het hof tot een andere beslissing dan de politierechter, zodat het vonnis in zoverre zal worden vernietigd.
Aanvullende bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde (kort gezegd: het voorhanden hebben van pepperspray) wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit verdachte vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de inhoud van het flesje dat onder verdachte is aangetroffen, daadwerkelijk pepperspray bevat, omdat hier geen forensisch onderzoek naar is gedaan.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In aanvulling hierop overweegt het hof het volgende.
Bij de waardering van het bewijs neemt het hof (mede) in aanmerking hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1624. Hieruit volgt - kort gezegd - dat het voor de vraag of sprake is van een voorwerp als bedoeld in artikel 2, lid 1, categorie II onder 6° van de Wet wapens en munitie van belang is of het een voorwerp betreft dat naar zijn aard bestemd is om personen te treffen met een giftige, verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof. Niet is vereist dat vastgesteld wordt dat een voorwerp daadwerkelijk een dergelijke stof bevat. De enkele omstandigheid dat – vanwege gebrek aan forensisch onderzoek – een voorwerp mogelijk niet een zodanige stof bevat, brengt niet met zich dat de hiervoor bedoelde bestemming ontbreekt.
Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
In het dossier bevindt zich op pagina 52 e.v. een proces-verbaal van bevindingen, waarin het onderzoek naar de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen wordt beschreven. Ten aanzien van het flesje pepperspray wordt beschreven dat dit een spuitbus is, gevuld met een weerloosmakende stof en dat dit voorwerp een wapen is in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II, onder 6° van de Wet wapens en munitie. Als bijlage 5 bij dit proces-verbaal is een foto van het flesje opgenomen. Hierop staat duidelijk leesbaar de tekst ‘pepper cartridge’.
Verdachte heeft verder ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het pistooltje met bijbehorende vulling had gekocht voor zijn veiligheid en met het idee zich te kunnen verdedigen tegen mannen waar hij al enige tijd onenigheid mee had. Hij wist dat de vulling die hij kocht een pepper cartridge was en dat dit pepperspray betekent. Hieruit leidt het hof af dat verdachte ervan uitging dat het flesje daadwerkelijk werkzame pepperspray bevatte.
Gelet op vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat het flesje een voorwerp betreft dat naar zijn aard bestemd is om personen te treffen met een giftige, verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof. Het hof acht het onder 1 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Aanvullende bewijsmiddelen
Het onder 1 ten laste gelegde
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde verbetert het hof bewijsmiddel 2 als volgt:
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 22 oktober 2023, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , opgenomen op pagina 52 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2023284137 d.d. 1 november 2023, inhoudende als relaas van verbalisant:
Op 22 oktober 2023 heb ik een onderzoek ingesteld naar de onder de verdachte [verdachte] inbeslaggenomen wapens.
Foto 2 t/m 5 betreft: pepperspray
Dit voorwerp is een spuitbus gevuld met een weerloosmakende stof. Dit voorwerp is een wapen in de zin van artikel 2 lid 1, Categorie II onder 6° van de Wet wapens en munitie.
Daarnaast voegt het hof het volgende bewijsmiddel toe:
11. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 9 mei 2025, inhoudende:
U, voorzitter, houdt mij voor dat u ‘pepper cartridge’ heeft gegoogled, dat u binnen enkele klikken op een website terecht bent gekomen waar exact hetzelfde pistooltje met bijbehorende vulling wordt aangeboden en dat dit wordt aangeboden als pepperspray. De vulling zat bij het pistooltje, het was een setje. Dat wist ik toen ik het bestelde. U, voorzitter, vraagt mij wat voor vulling dat dan was. De vulling was hetgeen u mij zojuist heeft voorgehouden.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18-276966-23 onder 1, onder 2 primair en onder 4 bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. G.A. Versteeg, voorzitter,
mr. A.F. van Kooij en mr. R. Godthelp, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.E. Renders, griffier,
en op 23 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.