Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-05-22
ECLI:NL:GHARL:2025:3142
Strafrecht
Hoger beroep
2,527 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002536-23
Uitspraak d.d.: 22 mei 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 16 mei 2023 met parketnummer 18-263964-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 mei 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot:
veroordeling van verdachte voor het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde en daarvoor:
het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden;
het opleggen van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 36 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren;
veroordeling van verdachte voor het onder 3 tenlastegelegde en daarvoor:
- het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. G.G. Compagner, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij vonnis van 16 mei 2023, waartegen het hoger beroep is gericht:
Ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde:
een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en daar bijzondere voorwaarden aan verbonden;
een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van 36 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren;
Ter zake van het onder 3 tenlastegelegde:
- een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van twee weken, met een proeftijd van drie jaren.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen, behalve voor zover het betreft de strafmotivering en strafoplegging. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op juiste wijze heeft beslist. Wel zal het hof het vonnis met aanvulling van gronden, bevestigen.
Aanvullende overwegingen
Verbeterde lezing
Het hof merkt allereerst op dat waar in het vonnis wordt gesproken over een ‘Fiat Panda’ het hof leest: ‘een Fiat Punto’, zoals dat steeds uit het dossier volgt.
Ten aanzien van de beelden van het ongeval
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn camerabeelden van het verkeersongeval getoond. Op die beelden is zowel een Volkswagen als een Audi te zien en is te zien dat op/nabij de kruising waar het ongeval tussen de Audi en de Fiat heeft plaatsgevonden, de Audi werd gevolgd door een Volkswagen en dat die Volkswagen daar vervolgens stopt en achteruit rijdt. Op die beelden is verder te zien dat de bestuurder van de Volkswagen - verdachte - daarna weg rijdt. Het hof leidt uit deze beelden en waarneming ter zitting af dat beide auto’s, te weten de Audi van medeverdachte [naam] met daarachter de Volkswagen van verdachte, tot zeer kort voor het ongeval erg dicht achter elkaar hebben gereden. Het hof stelt op basis daarvan - mede gelet op de zichtbaar korte afstand tussen de auto’s en de snelheid waarmee is gereden - vast dat tot desbetreffende kruising sprake was van een onderlinge straatrace. Het hof stelt in dat kader - net zoals de rechtbank - ook vast dat beide bestuurders, verdachte en medeverdachte, hierdoor een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het veroorzaken van dit verkeersongeval. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij ter plaatse harder dan de toegestane snelheid heeft gereden. Het hof merkt hierbij op deze plaats nog op dat het vonnis van de rechtbank met de waarneming van de camerabeelden als bewijsmiddel wordt aangevuld.
De raadsvrouw heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen, waaronder de verklaring van [getuige 1] en [getuige 2] , betwist. Anders dan de verdediging, ziet het hof echter geen reden om de twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van die verklaringen in het dossier en acht het hof deze evenals de rechtbank, voor zover redengevend, bruikbaar voor het bewijs. Het verweer wordt daarom verworpen.
Het vonnis dient met aanvulling van bovenstaande te worden bevestigd.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich, samen met een ander, schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval waardoor bij [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Dat betreft een ernstig feit. Verdachte heeft onder meer met een veel te hoge snelheid binnen de bebouwde kom gereden, terwijl hij samen met een ander een straatrace hield. Net zoals de rechtbank gaat het hof daarbij uit van roekeloosheid. Verdachte heeft door zijn rijgedrag blijk gegeven van een ernstig gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van de veiligheid van andere verkeersdeelnemers, alsmede van het ontbreken van enig besef van de gevaren die het op bewezenverklaarde besturen van een auto teweeg kunnen brengen voor anderen en de verkeersveiligheid in het algemeen. Het hof weegt daarin, evenals de rechtbank, mee dat dit is gebeurd op klaarlichte dag in een woonwijk waarbij er op dat moment meerdere mensen op straat waren, zo ook [slachtoffer 2] die daar ter plaatse is geraakt door een rondvliegend motorblok.
Het hof merkt daarnaast in het bijzonder op dat het verkeersongeval voor [slachtoffer 1] heel veel impact heeft gehad en dat het slachtoffer daar - vier jaar later - nog dagelijks de ingrijpende gevolgen van ondervindt, zoals ook blijkt uit zijn - in hoger beroep voorgedragen - schriftelijke slachtofferverklaring.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het verlaten van de plaats van het ongeval, terwijl hij daarbij betrokkenheid heeft gehad, en was de auto waarin verdachte op dat moment reed onverzekerd. Verdachte heeft hierdoor de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit prijs te geven. Zodoende heeft verdachte blijk gegeven van een miskenning van zijn verantwoordelijkheid en tevens getracht zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de eventuele gevolgen van zijn handelen te ontlopen. Hij heeft bovendien de kans in het leven geroepen dat de benadeelde de ontstane schade niet op hem zou kunnen verhalen. Te meer, nu verdachte ook nog onverzekerd reed.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafmotivering en strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Ten aanzien van het onder 1 primair en onder 2 bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. L.G. Wijma, voorzitter,
mr. O. Anjewierden en mr. E. de Witt, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.F. Bijlsma, griffier,
en op 22 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.