Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-05-14
ECLI:NL:GHARL:2025:2991
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
1,215 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.349.400/01
CJIB-nummer
: 242417550
Uitspraak d.d.
: 14 mei 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 21 november 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en het sanctiebedrag gewijzigd in € 187,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 875,-.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 juli 2021 om 00:01 uur op het Albert Plesmanplein in Gouda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie verlaagd naar € 250,-, omdat de regelgever het sanctiebedrag bij onderhavige feitcode heeft gewijzigd. De kantonrechter heeft het bedrag vervolgens met 25 procent gematigd, omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. De kantonrechter heeft voorts bovengenoemde proceskostenvergoeding toegekend.
3. De kantonrechter overweegt ten aanzien van de proceskosten dat het alleen gaat om de kosten van de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus die van het beroep bij de kantonrechter. Er wordt geen vergoeding toegekend voor het administratief beroep, nu voor wat betreft de verlaging van het sanctiebedrag geen sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
4. De gemachtigde is van mening dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de in administratief beroep verrichte proceshandelingen. Hij voert daartoe aan dat wel sprake is van een aan het bestuursorgaan (lees: de officier van justitie) te wijten onrechtmatigheid, nu de zaak is afgedaan, terwijl op de daaraan voorafgaande hoorzitting (op 4 januari 2022) al bekend was dat een verlaging van de sanctiebedragen aanstaande was. De officier van justitie had hier vast op vooruit kunnen lopen of de behandeling van het beroep (eventueel met toestemming van de betrokkene) kunnen aanhouden.
5. Het op de behandeling van het administratief beroep betrekking hebbende artikel 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van dat beroep redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voorover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Onder bestuursorgaan in de zin van deze bepaling is, anders dan de gemachtigde kennelijk meent, niet begrepen het bestuursorgaan dat op het administratief beroep beslist, maar het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen dat aan het administratief beroep is onderworpen, in dit geval de ambtenaar die bij inleidende beschikking de sanctie heeft opgelegd. De redenen die voor de kantonrechter aanleiding waren om het bedrag van de sanctie te matigen betreffen niet een aan die ambtenaar te wijten onrechtmatigheid.
6. De aangevoerde grond treft geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
7. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding worden afgewezen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.