Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-05-08
ECLI:NL:GHARL:2025:2850
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
987 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.350.402/01
CJIB-nummer
: 253594685
Uitspraak d.d.
: 8 mei 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordHolland van 11 december 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd, het administratief beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 126,75 (exclusief administratiekosten). Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 437,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Artikel 14 van de Wahv - zoals die bepaling luidt per 1 januari 2023 - bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene hoger beroep heeft moeten instellen, omdat de kantonrechter de sanctie heeft verhoogd van € 100,- naar € 126,75. Daarbij wijst de gemachtigde erop dat de kantonrechter niet de bevoegdheid heeft om een sanctie te verhogen. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat het hoger beroep ontvankelijk is. Hij verzoekt de beslissing van de kantonrechter te vernietigen en het sanctiebedrag, na de toe te passen verlaging vanwege schending van de redelijke termijn, juist vast te stellen.
3. Het hof stelt vast dat aan de betrokkene bij inleidende beschikking een sanctie is opgelegd van € 100,-. De kantonrechter heeft overwogen dat het sanctiebedrag dient te worden gematigd met 25 procent omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreven. In het dictum van de beslissing is het bedrag van de sanctie gesteld op € 126,75.
4. Gelet op de overwegingen en het (inhoudelijke) oordeel van de kantonrechter beschouwt het hof het dictum van de beslissing van de kantonrechter met betrekking tot de wijziging van het sanctiebedrag als een evidente vergissing. Het hof zal het dictum in zoverre verbeterd lezen, namelijk dat het bedrag van de sanctie door de kantonrechter is vastgesteld op € 75,-.
5. Nu het sanctiebedrag niet hoger is dan € 110,-, zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er daarom niet.
Dictum
Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.