Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-01-23
ECLI:NL:GHARL:2025:2794
Strafrecht
Hoger beroep
2,040 tokens
Dictum
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,
wonende [adres] ,
hierna: de verzoeker.
Procesverloop
Bij een op tegenspraak gewezen mondeling arrest van de enkelvoudige kamer van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden van 8 juli 2024, in de strafzaak met parketnummer 2100451123, is de verzoeker veroordeeld tot een geldboete van € 225 subsidiair vier dagen hechtenis voor opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken (hierna: het arrest van 8 juli 2024). Daarnaast is een beslissing gegeven op een vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
In een email van 17 juli 2024, gericht aan de strafgriffie van het hof, heeft de verzoeker laten weten: ‘Bij deze wil ik aangeven dat ik in cassatie wil gaan in deze zaak. Graag bevestiging hiervan’.
Blijkens een daarvan opgemaakte akte heeft de verzoeker op 19 november 2024 beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van 8 juli 2024 door het afleggen van een verklaring op de griffie van het hof.
Het openbaar ministerie heeft bij email van 3 januari 2025 aan de verzoeker laten weten van oordeel te zijn dat het rechtsmiddel na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is aangewend en dat de tenuitvoerlegging van het arrest van 8 juli 2024 daarom niet door het beroep in cassatie wordt geschorst of opgeschort.
Bij email van 3 januari 2025 gericht aan de griffie van het hof heeft de verzoeker verzocht zijn ‘zaak [te] schorsen vanwege onderstaand artikel [artikel 6:1:16, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering]’.
De advocaatgeneraal is gevraagd naar een standpunt over het verzoek.
De voorzieningenrechter van het hof heeft het verzoek op basis van de stukken inclusief de processtukken van de strafzaak met het parketnummer 2100451123 beoordeeld en de uitspraak bepaald op vandaag.
Standpunten
De verzoeker heeft verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van 8 juli 2024, op de grond dat – zo begrijpt de voorzieningenrechter – hij binnen de daarvoor geldende termijn heeft laten weten beroep in cassatie te willen instellen.
De advocaatgeneraal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie geen stukken bekend zijn die onderbouwen dat er tijdig beroep in cassatie is ingesteld en dat het arrest van 8 juli 2024 dus onherroepelijk is.
Oordeel
Ingevolge artikel 6:1:16, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering mag een rechterlijke beslissing niet ten uitvoer worden gelegd zolang daartegen nog enig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist. Door het instellen van hoger beroep of beroep in cassatie wordt de tenuitvoerlegging van een straf dus geschorst of opgeschort. Dit is slechts anders, indien naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat het rechtsmiddel na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is aangewend, tenzij de voorzieningenrechter van het gerechtshof of de rechtbank op verzoek van degene die het middel heeft aangewend anders bepaalt (artikel 6:1:16, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering).
Ingevolge artikel 432, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering moet het beroep in cassatie binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend.
Ingevolge artikel 449, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt hoger beroep of beroep in cassatie ingesteld door een verklaring af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven.
Ingevolge artikel 450, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering kan het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, ook geschieden door tussenkomst van een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.
Op 15 februari 2024 heeft een rolzitting plaatsgevonden om te inventariseren welke bezwaren er bestaan tegen het vonnis waarvan beroep en hoeveel tijd er nodig is voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Op die zitting, waar de verzoeker aanwezig was, is het onderzoek geschorst voor bepaalde tijd tot 8 juli 2024 om 16.00 uur. Een oproeping om ter terechtzitting te verschijnen op 8 juli 2024 om 16.00 uur is aan de verzoeker uitgereikt op 10 mei 2024. Gelet op deze aanzegging en betekening had binnen veertien dagen na het arrest van 8 juli 2024 en dus vóór 23 juli 2024 beroep in cassatie moeten worden ingesteld.
Het beroep in cassatie is op 19 november 2024, buiten de cassatietermijn van veertien dagen na 8 juli 2024, en dus te laat ingesteld.
De verzoeker heeft door middel van de email van 17 juli 2024 aan een griffiemedewerker te kennen gegeven dat hij tegen het arrest van 8 juli 2024 beroep in cassatie wilde instellen. Het emailadres dat de verzoeker daarbij heeft gebruikt is kennelijk opengesteld en bestemd voor communicatie tussen de verdachte en de griffie over zaken als het opvragen van processtukken en het verkrijgen van informatie over (de behandeling van) de strafzaak inclusief het aanwenden van een rechtsmiddel.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter had het in de rede gelegen de email van 17 juli 2024 op te vatten als een schriftelijke bijzondere volmacht om namens de verzoeker tegen het arrest van 8 juli 2024 beroep in cassatie in te stellen.
Een strikte wetstoepassing ligt niet in de rede als een door de verdachte zelf verstrekte volmacht aan de griffiemedewerker niet voldoet aan een wettelijk vereiste en hem in redelijkheid van het verzuim geen verwijt kan worden gemaakt door gebreken in de informatievoorziening over de manier van het instellen van het rechtsmiddel (zie HR 12 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, rechtsoverweging 2.8).
Uit de beschikbare stukken komt niet naar voren dat de verzoeker in lijn met deze rechtspraak door de griffiemedewerker is gewezen op mogelijke gebreken in de email van 17 juli 2024 waarmee de verzoeker heeft beoogd voor hem beroep in cassatie in te stellen.
Naar voorlopig oordeel dient, gelet op de email van de verzoeker van 17 juli 2024 en de eventuele gebreken in de informatievoorziening over het instellen van beroep in cassatie, ernstig rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat de Hoge Raad zal oordelen dat er sprake is van bijzondere, de verzoeker niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn voor het instellen van beroep in cassatie verontschuldigbaar doen zijn.
De voorzieningenrechter ziet om die reden aanleiding de tenuitvoerlegging van het arrest van 8 juli 2024 te schorsen of op te schorten.
Dictum
De voorzieningenrechter:
Wijst toe het verzoek op grond van artikel 6:1:16, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering en schorst of schort op de tenuitvoerlegging van het arrest van 8 juli 2024, gewezen in de strafzaak met parketnummer 2100451123.
Deze beslissing is gegeven en uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2025 door
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.C.S. Huijbers, griffier, en ondertekend door de voorzieningenrechter en de griffier.
Het verzoek is opgevat als een verzoek op grond van artikel 6:1:16, vierde lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering tot schorsing op opschorting van de tenuitvoerlegging van het arrest van 8 juli 2024.