Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-04-23
ECLI:NL:GHARL:2025:2778
Strafrecht
Hoger beroep
2,068 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004093-23
Uitspraak d.d.: 23 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Zwolle,
gewezen na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 5 september 2023, op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2018 met parketnummer 05-780010-15 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,
wonende te [woonplaats] .
Procesverloop
Eerste aanleg
De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 18 december 2018 voor het onder 1, 2 en 3 (telkens primair) tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Namens de verdachte is op 2 januari 2019 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Hoger beroep
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft de verdachte bij arrest van 3 februari 2021 van het onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en 3 primair tenlastegelegde vrijgesproken en hem voor het onder 3 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Namens de verdachte is op 18 februari 2021 tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.
Hoge Raad
Bij arrest van 5 september 2023 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 3 subsidiair tenlastegelegde en de strafoplegging. De zaak is teruggewezen naar dit hof opdat de zaak met inachtneming van de hiervoor genoemde beslissingen opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het beroep in cassatie is voor het overige verworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 april 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,
mr. B.P.M. Canoy, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – vernietigen, omdat het tot een vrijspraak komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
3. subsidiair[bedrijf 1] op een of meer (nader te noemen) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2013 tot en met 31 oktober 2013, in de [gemeente] en/althans (elders) in Nederland en/of in de Bondsrepubliek Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, (telkens) (een) aanzienlijke geldbedrag(en), te weten:
* op of omstreeks 25 juli 2013, euro 67.950,--, welk bedrag giraal is overgemaakt op bankrekening 5074473 ten name van [bedrijf 1] (overgeboekt door [bedrijf 2] ),
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van die/dat geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, en/of van die/dat geldbedrag(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden op die/dat geldbedrag(en), was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie die/dat geldbedrag(en), voorhanden heeft/hebben gehad,
terwijl [bedrijf 1] en/of zijn/haar mededader(s) (telkens) wist(en) dan wel (telkens) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit oplichting en/of het opmaken en/of gebruik maken van valse geschriften en/of enig (ander) misdrijf, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.
Vrijspraak feit 3 subsidiair
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte door de bankpas van [bedrijf 1] al voorafgaand aan de overdracht van (de aandelen in) de onderneming aan [medeverdachte] te geven en door na te laten zich verder te verdiepen in de persoon en bezigheden van deze [medeverdachte] , bewust het aanmerkelijke risico heeft genomen dat [bedrijf 1] zou worden misbruikt. Nu is voldaan aan de vereisten voor feitelijke leidinggeven, kan het onder 3 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de verdachte vrij te spreken van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde. De verdachte had de moeilijkheden niet kunnen voorzien en heeft niet bewust het aanmerkelijke risico aanvaard dat de bankrekening van [bedrijf 1] voor witwassen zou worden gebruikt.
Beoordeling
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte op een onzorgvuldige manier zijn onderneming, [bedrijf 1] , overgedragen aan de [medeverdachte] . Mede gelet op de door [medeverdachte] getoonde belangstelling in een lege BV en het gebrek aan informatie over deze persoon, heeft de verdachte onvoorzichtig gehandeld door [medeverdachte] al vóór de overdracht over de bankrekening van de vennootschap te laten beschikken.
Uit het dossier blijkt dat [bedrijf 1] vervolgens is gebruikt als vehikel voor het opzettelijk witwassen van € 67.950, dat van oplichting van [bedrijf 3] en valsheid in geschrift afkomstig is.
In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. (HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, rechtsoverweging 3.5.3.)
Naar het oordeel van het hof ontbreekt wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte wist van de tenlastegelegde verboden gedraging van [bedrijf 1] en de mededaders. Verder kan uit de vastgestelde onzorgvuldige manier waarop de verdachte de onderneming aan de medeverdachte [medeverdachte] heeft overgedragen, nog niet worden afgeleid dat de verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van belang hierbij is dat in de periode vóór de overdracht waarin [medeverdachte] over de bankrekening van de BV kon beschikken, de verdachte nog bestuurder was van [bedrijf 1] en dus gelijk in beeld zou komen als de verboden gedraging zou worden ontdekt, wat naar het oordeel van het hof daarvoor een contraindicatie is.
Dictum
Het hof:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,
mr. J. Corthals en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.J.H. Salvino, griffier,
en op 23 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.