Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-01-21
ECLI:NL:GHARL:2025:267
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,916 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.328.457
(zaaknummer rechtbank Gelderland 403105)
beschikking van 21 januari 2025
inzake
[verzoeker]
,
wonende in [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. P.P.E. Buchele,
en
[verweerster]
,
wonende in [woonplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de bijzondere curator]
,
te [woonplaats2] ,
verder te noemen: de bijzondere curator.
1Het verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van het geding tot 30 april 2024 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. In deze tussenbeschikking heeft het hof [de bijzondere curator] tot bijzondere curator benoemd en iedere verdere beslissing aangehouden.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een verslag van de bijzondere curator van 25 juni 2024;
- een journaalbericht van mr. Buchele van 10 juli 2024 met een brief en
- een journaalbericht van mr. Aarnoudse van 22 juli 2024 met een brief.
1.3
Op 29 november 2024 is de mondelinge behandeling voortgezet. Hierbij waren aanwezig:
- de vader en zijn advocaat;
- de moeder en haar advocaat;
- de bijzondere curator; en
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
Motivering
2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 30 april 2024, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In de tussenbeschikking heeft het hof de bijzondere curator verzocht om:
“(…)
1. Te onderzoeken hoe het met [de minderjarige] gaat en wat de gevolgen voor hem zijn van de slechte communicatie tussen zijn ouders?
2. Te onderzoeken hoe [de minderjarige] thans aankijkt tegen oude en de huidige zorg-/omgangsregeling met zijn vader? ( [de minderjarige] verblijft op dit moment eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.00 uur en eenmaal per veertien dagen op woensdagmiddag bij zijn vader);
3. Vanuit het belang van [de minderjarige] te adviseren over het contact met en het verblijf van [de minderjarige] bij zijn vader.
Het staat de bijzondere curator vrij het hof te informeren indien er andere bevindingen naar voren die van belang zouden kunnen zijn, zowel met betrekking tot het gezag als de zorg/omgangsregeling. (…)”
Wat vindt de bijzondere curator?
2.3
De bijzondere curator heeft op 25 juni 2024 verslag uitgebracht. De bijzondere curator heeft als volgt op de vragen van het hof geantwoord.
“(…)
1. Te onderzoeken hoe het met [de minderjarige] gaat en wat de gevolgen voor hem zijn van de slechte communicatie tussen zijn ouders.
De BC:
Zowel de therapeut als de kc-er van de school van [de minderjarige] geven aan dat het niet goed gaat met [de minderjarige] . Hij wordt beschreven als ‘een kind in nood’ en vertoont gedrag, waaruit zij concluderen dat er wellicht sprake is van onveilige hechting. Gezien de korte duur van de therapie houden ze wel een slag om de arm en is wellicht meer onderzoek en therapie nodig.
Hij is in elk geval geen blij kind. De therapie, die tijdens dit onderzoek ongeveer drie maanden liep, laat helaas nog weinig verbetering zien. Dat kan mede worden veroorzaakt door de spanningen die deze rechtszaak bij [de minderjarige] geeft.
[de minderjarige] geeft – zowel in de gesprekken met mij, als op school en bij zijn vader – aan dat hij bang is de slechte verstandhouding tussen de ouders ervoor gaat zorgen dat hij helemaal niet neer naar zijn vader toe mag. Hij spreekt op school ook heel regelmatig over de situatie thuis bij moeder, waaraan hij zegt te lijden. Het is evident dat de slechte verstandhouding tussen de ouders er mede voor zorgen dat het niet goed gaat met [de minderjarige] . [de minderjarige] spreekt tegen de ouders – ongetwijfeld uit loyaliteit – weinig over wat er bij de andere ouder gebeurt.
2. Te onderzoeken hoe [de minderjarige] thans aankijkt tegen de oude en de huidige zorg/ omgangsregeling met zijn vader.
De BC:
[de minderjarige] geeft aan dat hij het ongelooflijk jammer vindt dat hij zijn vader minder ziet dan in het verleden. Het eerste dat hij aan mij vertelde, direct al bij ons eerste gesprek, was dat hij het niet fijn vindt dat hij minder naar zijn vader mag dan in het verleden. En dat hij daarover boos is op mama, die hij de schuld geeft van de veranderingen. Ook op school heeft hij het daar regelmatig over: zowel tegen de leerkracht als tegen andere kinderen. Hij geeft ook aan dat hij heel bang is dat hij straks helemaal niet meer naar vader mag of eventueel minder dan nu. Hij hoopt dat hij in de toekomst óf weer evenveel als ik het verleden óf in elk geval meer dan nu naar zijn vader mag. Hij geeft ook aan het bij moeder thuis niet altijd fijn te vinden.
3. Vanuit het belang van [de minderjarige] te adviseren over het contact met en het verblijf van [de minderjarige] bij zijn vader.
De BC:
[de minderjarige] geeft aan weer graag meer bij zijn vader te mogen zijn. Hij ervaart het gezinsleven daar als rustiger. Hij geniet van de band met de andere familie, bijvoorbeeld de oma’s, bij wie hij in het verleden veel verbleef. Dit vertelt hij op school, tegen andere kinderen én tegen mij. Hij is graag bij zijn vader en vindt zaken als met hem meegaan naar het werk erg leuk. Papa is zijn grote voorbeeld. De moeder geeft aan daar juist zorg over te hebben, omdat ze dat werk niet als een veilige omgeving voor een kind ervaart.
De veranderde omgangsregeling lijkt geen positief effect te hebben gehad op [de minderjarige] . Ook op school en tijdens therapie maakt hij weinig stappen en geeft hij aan te lijden onder de nieuwe regeling.
De moeder ervaart die rust wel: zij vindt het prettig minder last te hebben van een afgedwongen samenwerking met de vader van [de minderjarige] . Ze lijkt echter wel moeite te hebben met de opvoeding van de kinderen. Moeder vindt het erg prettig dat ze – omdat ze inmiddels eenhoofdig gezag heeft [de minderjarige] – vader niet meer hoeft te betrekken bij zaken als regelen van de vakantie of inschakelen van therapie. Desalniettemin zou hervatten van de eerdere omgangsregeling tussen vader en [de minderjarige] een positieve invloed kunnen hebben op het welbevinden van [de minderjarige] . [de minderjarige] én zijn vader willen dat beiden graag.
Gezag
Het staat: de bijzondere curator vrij te informeren indien er andere bevindingen naar voren komen, die van belang zouden kunnen zijn, zowel met betrekking tot het gezag als de zorg/omgangsregeling.
De BC:
De communicatie tussen de ouders is slecht. Dat maakte het in het verleden moeilijk om samen tot afspraken te komen over [de minderjarige] . Dat moeder het positief vindt dat ze inmiddels alleen alles kan regelen is begrijpelijk. Echter, niet passend bij de rol die vader in het verleden en mogelijk in de toekomst weer zal vervullen. Gezamenlijk gezag zou voor [de minderjarige] passender zijn en kan zijn vrees – dat moeder de rol van vader nog meer zal beperken – wellicht wegnemen. Mogelijk zorgt ontspanning op dat punt voor [de minderjarige] tot meer rust, meer leerbaarheid en een grotere impact van de therapie.
Het is daarbij echter een voorwaarde dat de ouders – met gezamenlijk gezag – hun positie niet opnieuw gaan misbruiken. Het ziet ernaar uit dat de communicatie tussen de ouders niet zal verbeteren. Alleen om die reden echter een van de ouders het gezag ontnemen is weliswaar een pragmatische oplossing, maar niet per se in het belang van het kind. Deze ouders zouden kunnen opteren voor parallel ouderschap en begeleiding daarbij. Ook zouden ze bv kunnen vastleggen dat toestemming voor vakanties altijd wordt gegeven, dat er verplicht is tot overleg bij vraagstukken [de minderjarige] aangaande, enzovoorts. Daartoe zou mogelijk opnieuw een OTS of andere begeleiding of coaching – die inmiddels stilligt – een mogelijkheid zijn.”
De bijzondere curator heeft op de mondelinge behandeling aangevuld dat het een positieve ontwikkeling is dat [de minderjarige] – als hij dat aan de moeder vraagt – naast de vastgelegde omgangsregeling ook op andere dagen naar de vader mag. Maar, deze verantwoordelijkheid moet niet bij [de minderjarige] worden neergelegd. Het is aan de ouders om dit samen te regelen.
Verder heeft de bijzondere curator aan het hof verteld dat het gezag eerder op een verkeerde manier werd gebruikt; er was sprake van een soort handjeklap tussen de ouders. Maar bij de uitoefening van het gezag moet het om het belang van [de minderjarige] gaan; de ouders moeten samen beslissen wat voor [de minderjarige] het beste is.
Beoordeling
2.7
De rechtbank heeft de co-ouderschapsregeling (waarbij [de minderjarige] de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder verbleef) bij de bestreden beschikking gewijzigd, in die zin dat [de minderjarige] één weekend per twee weken van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur, alsmede de vakanties en feestdagen overeenkomstig het ouderschapsplan bij de vader verblijft. De ouders zijn na de bestreden beschikking overeengekomen dat [de minderjarige] ook op woensdag bij de vader is. [de minderjarige] heeft aan de bijzondere curator verteld dat hij het niet fijn vindt dat hij sinds de bestreden beschikking minder naar de vader mag dan voorheen. Het hof overweegt dat het daarom positief is dat de moeder [de minderjarige] , zoals de ouders op de mondelinge behandeling aan het hof vertelden, ook buiten de vastgestelde/overeengekomen zorgregeling naar de vader toe laat gaan. Maar, net als de raad is het hof van oordeel dat het gezien zijn leeftijd en loyaliteitsontwikkeling in het belang van [de minderjarige] is dat wordt vastgelegd wanneer hij bij welke ouder is. Daarbij weegt het hof mee dat [de minderjarige] aan de bijzondere curator heeft verteld dat hij heel bang is dat hij helemaal niet meer of minder dan nu naar de vader mag. Het hof is van oordeel, in navolging van het advies van de raad en de bijzondere curator, dat de co-ouderschapsregeling zoals die gold tot de bestreden beschikking het meest in het belang van [de minderjarige] is. [de minderjarige] heeft aan de bijzondere curator duidelijk verteld dat hij graag even veel bij zijn vader wil zijn als bij zijn moeder. Uit de stukken en uit wat de ouders aan het hof hebben verteld, zijn geen contra-indicaties gebleken voor het vaststellen van deze regeling. Anders dan de moeder ziet het hof geen aanleiding om deze wijziging stapsgewijs door te voeren. Het hof is van oordeel dat een wijziging met ingang van de datum van deze beschikking passend is bij de wens van [de minderjarige] om meer bij de vader te zijn en weer meer onderdeel te gaan uitmaken van het gezinsleven en de familie van de vader.
2.8
Met ingang van de datum van deze beschikking zal [de minderjarige] de helft van de tijd bij de moeder en de andere helft van de tijd bij de vader verblijven. Het hof is van oordeel dat bij deze verdeling van de verzorging en opvoeding gezamenlijk gezag passend en noodzakelijk is. De vader moet gedurende de tijd die [de minderjarige] bij hem verblijft, in staat zijn om – in overleg met de moeder – gezagsbeslissingen over [de minderjarige] te nemen. Dat de moeder in de afgelopen periode waarin zij alleen het gezag uitoefende meer rust ervaarde, omdat zij niet meer met de vader hoefde te overleggen, is begrijpelijk, maar hieruit volgt niet dat aan het criterium van artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is voldaan.
Anders dan de raad heeft geadviseerd, zal het hof de beslissing over het gezag dus niet aanhouden in afwachting van het traject SPO, omdat het hof herstel van het gezamenlijk gezag bij herleving van de co-ouderschapsregeling noodzakelijk acht. Wel acht het hof het van belang dat beide ouders zich zullen inzetten voor het traject SPO. Zoals de raad op de mondelinge behandeling opmerkte, zou het voor [de minderjarige] zo veel opleveren als de ouders een andere manier kunnen vinden hoe zij het met elkaar eens kunnen worden. Het hof volgt de raad hierin, zeker omdat – zoals de bijzondere curator dat benoemde – de vader tijdige en
duidelijke uitleg nodig heeft over de te nemen gezagsbeslissingen. Daarbij benadrukt het hof dat de ouders bij de beslissingen die zij over [de minderjarige] moeten nemen het belang van [de minderjarige] voor ogen moeten houden en dat het er niet om gaat welke ouder voor zichzelf het gunstigste resultaat bereikt.
2.9
Met deze beslissingen eindigt de opdracht van de bijzondere curator. Het hof zal de bijzondere curator van haar taak als bijzondere curator over [de minderjarige] ontheffen.
3De slotsom
3.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover deze de beslissingen over het gezag en de zorgregeling betreft. Hieruit volgt dat het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige] en de co-ouderschapsregeling (waarbij [de minderjarige] de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder is) herleeft. De beslissing van de rechtbank over de vakantieregeling blijft in stand.
3.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt, omdat de vader en de moeder gewezen echtgenoten zijn en de procedure hun kind betreft.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 27 maart 2023 voor zover deze de beslissingen over het gezag en de zorgregeling betreft;
wijst de verzoeken van de moeder om met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te worden belast en om de zorgregeling te wijzigen, af;
ontheft de bijzondere curator van haar taak als bijzondere curator over [de minderjarige] ;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, H. Phaff en C.M. Schönhagen, bijgestaan door de griffier, en is op 21 januari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.