Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-04-25
ECLI:NL:GHARL:2025:2534
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,898 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.348.370/01
CJIB-nummer
: 244009158
Uitspraak d.d.
: 25 april 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant van 16 april 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
Van geen van deze situaties is hier sprake, nu de officier van justitie de inleidende beschikking heeft vernietigd en de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de betrokkene geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beslissing.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten, omdat uitspraak is gedaan zonder dat een zitting is gehouden.
3. In artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten (vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
4. Uit het dossier blijkt niet dat de zaak is behandeld op een openbare zitting. Uit de uitspraak, die tevens het proces-verbaal van de zitting betreft, valt dit niet op te maken. In het dossier bevindt zich ook geen uitnodiging voor de gemachtigde voor de behandeling van de zaak op een zitting van de kantonrechter. Het hof stelt verder vast dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet is ingetrokken. De situatie zoals bedoeld in artikel 13b, vierde lid, van de Wahv is dus niet aan de orde, zodat de kantonrechter de zaak niet kon afdoen zonder deze te behandelen op een zitting. Nu niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene toegang tot de rechter heeft gehad, wordt het appelverbod buiten toepassing gelaten. Het hoger beroep is ontvankelijk.
5. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter had moeten beslissen op het verzoek om een proceskostenvergoeding. Daarnaast is ten onrechte afgezien van het vaststellen van een dwangsom. De officier van justitie heeft niet tijdig beslist. Op 12 mei 2022 is een ingebrekestelling ontvangen door de officier van justitie, terwijl de beslissing van de officier van justitie op 28 juni 2022 is verstuurd. Daarom is gedurende 32 dagen een dwangsom verbeurd van in totaal € 992,-.
6. Het hof stelt vast dat de kantonrechter geen beslissing heeft genomen op het verzoek om een proceskostenvergoeding. Door de officier van justitie was slechts een vergoeding toegekend voor de kosten in de fase van administratief beroep, terwijl de proceskosten in de fase bij de kantonrechter ook voor vergoeding in aanmerking komen, nu de officier van justitie de inleidende beschikking eerst hangende het beroep bij de kantonrechter heeft vernietigd. Het hof zal daarom doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk een punt toekennen voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten voor de fase bij de kantonrechter tot een bedrag van € 453,50 (= 1 x € 907,- x 0,5).
7. De proceskosten in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = licht) toegepast, omdat de betrokkene alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandeling niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten in hoger beroep tot een bedrag van € 226,75 (= 1 x € 907,- x 0,25).
8. Met betrekking tot de dwangsom stelt het hof het volgende vast. De inleidende beschikking is verstuurd op 20 september 2021. Dit betekent dat de termijn om te beslissen in beginsel eindigde op 22 februari 2022. Per brief van 21 februari 2022 heeft de officier van justitie de termijn om te beslissen met tien weken verlengd. Na het verstrijken van de (verlengde) beslistermijn heeft het Parket CVOM op 12 mei 2022 een ingebrekestelling van de gemachtigde ontvangen. De officier van justitie heeft de beslissing op het administratief beroep eerst verstuurd op 28 juni 2022.
9. Het voorgaande brengt mee dat de officier van justitie van 27 mei 2022 tot en met 28 juni 2022 een dwangsom is verschuldigd van € 992,-, te vermeerderen met wettelijke rente.
10. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen voor zover daarbij niet is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding en het verzoek tot het vaststellen van een dwangsom en doen wat de kantonrechter had behoren te doen.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover niet is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding en het verzoek tot het vaststellen van een dwangsom;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 680,25;
bepaalt dat de officier van justitie aan de betrokkene een dwangsom van € 992,- is verschuldigd, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.