Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-04-22
ECLI:NL:GHARL:2025:2470
Strafrecht
Hoger beroep
3,020 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005117-24
Uitspraak d.d.: 22 april 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 13 november 2024 met parketnummer 05-269412-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [plaats 1] op [geboortedag] 2002,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. De akte instellen rechtsmiddel van 26 november 2024 houdt in dat het namens de verdachte ingestelde hoger beroep is beperkt tot feit 3.
Met betrekking tot de straf ten aanzien van het in eerste aanleg onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde zal het hof toepassing geven aan artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 april 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R. van Maaren, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld wegens mishandeling, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, vernieling en handelen in strijd met artikel 13 eerste lid van de Wet wapens en munitie tot een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden. De vordering van [benadeelde partij] (ten aanzien van feit 3) is geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is, voor zover aan de orde in hoger beroep, tenlastegelegd dat:
3.
hij op of omstreeks 22 augustus 2024 te [plaats 2] , [gemeente] , opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere auto's, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Vrijspraak
Standpunt Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor de vernieling. Verdachte had dusdanig veel alcohol gedronken dat hij zich bijna niets kan herinneren van wat er gebeurd is. Zijn ontkenning is daarom niet veel waard. Daar staat tegenover dat in het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om aan te nemen dat verdachte degene is geweest die de autospiegel heeft vernield.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van feit 3 en heeft hiertoe, kort gezegd, het volgende aangevoerd. Verdachte ontkent betrokkenheid bij de vernieling van de autospiegel. Op basis van het dossier kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte de dader is. [getuige 1] verklaart over het ‘trappen tegen auto’s’. Onduidelijk is tegen welke auto’s, welke onderdelen van de auto’s en of er schade is ontstaan. De politie heeft onvoldoende onderzoek gedaan. De jongens die er ook bij waren, [naam 1] en [naam 2] , zijn niet gehoord. Het dossier biedt aanknopingspunten die een contra-indicatie zijn voor de vernieling van de autospiegel van de familie [benadeelde partij] door verdachte. Ondanks de eerder die avond door verdachte opgelopen verwonding aan zijn hand en het forse bloedverlies, is er geen bloed aangetroffen op de vernielde autospiegel. [getuige 2] ziet twee jongens, waarvan een van de twee tegen hun autospiegel slaat. Het signalement dat [getuige 2] van die jongen geeft komt niet overeen met het signalement van verdachte.
Oordeel van het hof
Het hof komt tot de conclusie dat verdachte moet worden vrijgesproken. [getuige 1] verklaart over trappen tegen auto’s door verdachte, terwijl [getuige 2] ziet dat er tegen de autospiegel wordt geslagen. [getuige 2] lag te slapen en werd wakker door een klap. Ze keek door een kier van het rolluik dat niet volledig dichtzat. Ze geeft in haar verhoor bij de politie een signalement van de jongen, maar zegt ook dat ze het zich allemaal niet zo goed kan herinneren. Naar het oordeel van het hof is de waarneming van [getuige 2] niet zonder meer overtuigend. Ook weegt het hof mee dat het opmerkelijk is dat er geen bloedsporen op de autospiegel zijn aangetroffen en dat [getuige 2] de opvallende bivakmuts die de verdachte droeg niet noemt. Met de verdediging is het hof van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte de dader is van de vernieling van de autospiegel van [benadeelde partij] en daarom zal het hof verdachte van feit 3 vrijspreken.
Strafbepaling ex artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering
Nu het hoger beroep slechts is gericht tegen het onder 3 tenlastegelegde zal het hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering de straf ten aanzien van het in eerste aanleg onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde bepalen.
Het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde betreft, kort gezegd, mishandeling, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (het voorhanden hebben van een luchtdrukwapen).
Het hof zal de straf voor deze feiten bepalen op een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen, met een proeftijd voor de duur van twee jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd door de politierechter.
Het hof merkt nog op dat het gelet op deze bepaling van de straf voor de overige feiten en de vrijspraak van feit 3 geen mogelijkheid ziet om het als bijzondere voorwaarde opgelegde So Cool om te zetten in een leerstraf.
Vordering van de [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 376,66. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 3 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt de door de politierechter opgelegde straf voor het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde op:
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Veroordeelde werkt mee aan het toezicht door de jeugdreclassering en meldt zich op
afspraken met de jeugdreclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat nodig vindt.
Veroordeelde werkt mee met de reeds opgestarte ambulante begeleiding en/of andere
noodzakelijke hulpverlening van een zorgverlener in de regio waar hij op dat moment
verblijft, te bepalen door de jeugdreclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of
zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt.
Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het
middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek
(blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak en wanneer
veroordeelde wordt gecontroleerd.
Indien er uit de middelencontrole naar voren komt dat veroordeeldes middelengebruik, naar het oordeel van de reclassering, problematisch is en zijn middelengebruik het behalen van de begeleidingsdoelen belemmert, dan werkt hij mee aan een behandeling door een instelling voor forensische verslavingszorg of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de jeugdreclassering. Hierbij zal veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de
instelling/behandelaar zullen worden gegeven.
Veroordeelde volgt de leerstraf So Cool en neemt actief deel aan ongeveer twintig
individuele bijeenkomsten. Hij houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de
trainer/begeleider.
Geeft opdracht aan [stichting] en Reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Aldus gewezen door
mr. D. Visser, voorzitter,
mr. R.W. van Zuijlen en mr. H. Phaff, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. B.T.H. Toonen-Janssen, griffier,
en op 22 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 22 april 2025.
Tegenwoordig:
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. S. Dijkman, advocaat-generaal,
mr. H.E. Schoenmakers, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.