Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-04-08
ECLI:NL:GHARL:2025:2398
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
1,539 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004782-24
Uitspraak d.d.: 8 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 5 november 2024 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 9 september 2021 met parketnummer 18-267217-19 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedatum] 1987,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Procesgang
Verdachte is in eerste aanleg, bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen d.d. 9 september 2021, ter zake van het primair tenlastegelegde feit vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, met aftrek van voorarrest.
Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft in hoger beroep bij arrest d.d. 19 april 2023 verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde feit vrijgesproken en hem ter zake van het subsidiair tenlastegelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, met aftrek van voorarrest.
Namens verdachte is tegen voormeld arrest beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest d.d. 5 november 2024 het arrest van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de zaak naar het hof teruggewezen om de zaak ten aanzien daarvan opnieuw te berechten en af te doen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is - na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad - gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 april 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn (waarnemend) raadsvrouw, mr. L.M.M. Weyers, naar voren is gebracht.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om de strafeis van de advocaat-generaal te volgen.
Oordeel van het hof
Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan in aanwezigheid van zijn raadsvrouw. De strafoplegging is, zakelijk weergegeven, als volgt mondeling gemotiveerd.
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van een personenauto. Nadat er tussen verdachte en zijn werkgever [bedrijf] een conflict was ontstaan over niet-betaald salaris voor reeds verrichte werkzaamheden, heeft de verdachte zich de personenauto die hij aanvankelijk gebruikte voor woon-werkverkeer in het kader van een arbeidsrelatie, wederrechtelijk toegeëigend. Door aldus te handelen heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van zijn werkgever. Tevens heeft hij laatstgenoemde financiële schade en hinder toegebracht.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 maart 2025. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze uit het dossier blijken en ter terechtzitting in hoger beroep door diens raadsvrouw naar voren zijn gebracht.
Alles afwegend is het hof van oordeel dat - gelet op de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan - oplegging van een taakstraf van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Dictum
Het hof:
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. E.W. van Weringh, voorzitter,
mr. A.F. van Kooij en mr. L. Pieters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,
en op 8 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.