Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-04-10
ECLI:NL:GHARL:2025:2212
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,509 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001490-22
Uitspraak d.d.: 10 april 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 12 april 2022 met parketnummer 18-173272-21 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres 1] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 maart 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het aan hem primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. B.H.J. van Rhijn, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 12 april 2022, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld voor het primair aan hem tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 28 oktober 2018 te [plaats] , [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning en/of schuur aan de [adres 2] ), ongeveer 53 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 8 kilogram in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (3,4 methyleendioxymethamfetamine), zijnde amfetamine en/of MDMA (3,4 methyleendioxymethamfetamine) een of meer middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en/of een of meer (onbekend gebleven) personen, op of omstreeks 28 oktober 2018, te [plaats] , [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning en/of schuur aan de [adres 2] ), ongeveer 53 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 8 kilogram in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (3,4 methyleendioxymethamfetamine), zijnde amfetamine en/of MDMA (3,4 methyleendioxymethamfetamine) een of meer middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; tot en/of bij het plegen van voornoemd misdrijf verdachte, op of omstreeks 28 oktober 2018, te [plaats] , in de [gemeente] , althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of 2 van 2 inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door (te helpen met) het wegen, verpakken, inpakken, sealen, etiketteren en/of labelen van een of meer hoeveelheden amfetamine en/of MDMA (3,4 methyleendioxymethamfetamine).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Ter terechtzitting zijn door of namens de verdachte geen bewijsverweren gevoerd. Verdachte heeft zich neergelegd bij de bewezenverklaring van de rechtbank.
Het hof is van oordeel dat op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het aan hem primair tenlastegelegde heeft begaan.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primairhij op 28 oktober 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een woning aan de [adres 2] , ongeveer 53 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine en ongeveer 8 kilogram van een materiaal bevattende MDMA (3,4 methyleendioxymethamfetamine), zijnde amfetamine en MDMA (3,4 methyleendioxymethamfetamine) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en de rapportage van de reclassering van 6 januari 2021. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben van een hele forse hoeveelheid harddrugs. Door aldus te handelen heeft hij bijgedragen aan de instandhouding van de handel in harddrugs. Drugs zijn bovendien schadelijk voor de volksgezondheid en leiden veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 februari 2025, waaruit blijkt dat verdachte in een verder verleden onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Gezien het tijdsverloop zal het hof dit niet in strafverzwarende zin meewegen.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij werkzaam is in de kassenbouw, een vast contract heeft en in het bezit is van certificaten voor een leidinggevende functie. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij samen met zijn vriendin in een huurhuis woont.
Verdachte heeft voorts verklaard zijn baan en woning kwijt te raken wanneer hij naar de gevangenis moet. Zijn vriendin heeft ook een vast contract bij haar werkgever, maar verdient niet genoeg om in de huurwoning te kunnen blijven wonen.
In beginsel acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf overeenkomstig de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht passend en geboden.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. G.A. Versteeg, voorzitter,
mr. F. van der Maden en mr. A.F. van Kooij, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Dijkman, griffier,
en op 10 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.