Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-03-24
ECLI:NL:GHARL:2025:2207
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
1,999 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005449-21
AV-nummer: 001135-24
Uitspraak d.d.: 24 maart 2025
Beschikking van de meervoudige kamer op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
te dezer zake domicilie kiezende te 5211 AS ’sHertogenbosch, Oranje Nassaulaan 7, ten kantore van zijn raadsman mr. T.J.F. Wassenaar,
hierna te noemen: klager.
Procesverloop
Onder klager is op 25 november 2021 op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering beslag gelegd op twee antieke wapens en twee antieke kogelpatronen (hierna: de wapens en patronen).
Bij arrest van dit hof van 24 mei 2022 is klager veroordeeld wegens – kort gezegd – opruiing bestaande uit het plaatsen van berichten en een afbeelding op zijn Facebookaccount. Daarbij is de onttrekking aan het verkeer bevolen van de wapens en patronen. Klager heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 oktober 2024 het arrest van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer en het cassatieberoep voor het overige verworpen.
Op 5 november 2024 is bij het hof een klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering binnengekomen, waarbij namens klager is verzocht om teruggave aan klager van de wapens en patronen.
Het hof heeft het klaagschrift in het openbaar in raadkamer behandeld op 10 maart 2025, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en klager, bijgestaan door mr. P.A. Verhoeven, als waarnemer van mr. Wassenaar.
Beoordeling
Ingeval van een beklag van een beslagene tegen een op de voet van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering gelegd beslag dient de rechter a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Het door artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering beschermde belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, aanhef en onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering.
Op grond van artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht is een voorwerp vatbaar voor onttrekking aan het verkeer als het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, en dan alleen als er – kort gezegd – een verband is met het begane feit.
Op grond van artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht is bovendien vatbaar voor onttrekking aan het verkeer de aan de dader toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit zijn aangetroffen, maar alleen als de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.
Klager heeft benadrukt dat het bij de wapens en patronen gaat om twee antieke, onklaar gemaakte, siervuurwapens en een antieke patroonhuls en kogelpatroon en dat de huls en kogelpatroon niet bij de wapens horen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard, omdat klager is veroordeeld wegens opruiing waarbij tot gewelddadig gedrag is opgeroepen en de wapens kunnen dienen tot het begaan van een soortgelijk feit.
In zijn arrest van 22 oktober 2024 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het oordeel van het hof dat de wapens en patronen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de uitspraak van het hof niet kan worden afgeleid dat is voldaan aan de in artikel 36c en/of 36d gestelde vereisten die maken dat die voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer.
Noch uit de stukken noch uit het verhandelde op de zitting is gebleken dat de officier van justitie naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad van 22 oktober 2024 een vordering als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, aanhef en onder 4o, van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 552f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering tot onttrekking aan het verkeer van de wapens en patronen heeft ingediend. Desgevraagd heeft de advocaatgeneraal ook niet kunnen duidelijk maken of het openbaar ministerie van plan is die vordering alsnog aanhangig te maken.
Van een verband tussen de wapens en munitie en het strafbare feit waarvoor klager is veroordeeld is geen sprake, zodat niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht voor het vatbaar doen zijn van die voorwerpen voor onttrekking aan het verkeer.
Als al gezegd kan worden dat de wapens en patronen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang – niet ter discussie staat dat de wapens nietwerkende replica’s van piratenwapens zijn en dat de patronen bestaan uit een huls en een antieke kogelpatroon die niet bij de wapens hoort – valt naar het oordeel van het hof niet in te zien, ook niet op basis van wat de advocaatgeneraal heeft betoogd, dat de wapens en patronen kunnen dienen tot het begaan of het voorbereiden van soortgelijke feiten als de bewezen verklaarde opruiing dan wel tot belemmering van de opsporing daarvan.
Tijdens de behandeling van de strafzaak tegen klager op 24 mei 2022 heeft de advocaatgeneraal zich op het standpunt gesteld dat de wapens en patronen voor afdreiging geschikt zijn. ‘Afdreiging’ (artikel 318 van het Wetboek van Strafrecht) en – voor zover dat is bedoeld – ‘afpersing’ (artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht) zijn beide vermogensdelicten en gelet op het door die bepalingen beschermde rechtsgoed, niet soortgelijk zijn aan opruiing, dat een misdrijf tegen de openbare orde is.
Naar het oordeel van het hof is het al met al hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van de wapens en patronen zal bevelen, waarbij ook van belang is dat de advocaatgeneraal, zoals gezegd, in raadkamer niet te kennen heeft gegeven dat het openbaar ministerie een vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, aanhef en onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering heeft ingediend of nog van plan is dat te doen.
Het hof verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave van de wapens en patronen aan klager.
Dictum
Het hof:
Verklaart het beklag gegrond.
Gelast de teruggave van de wapens en patronen aan klager.
Aldus gegeven door
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,
mr. M.L. Plas en mr. M. Nooijen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Klein, griffier,
door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 24 maart 2025 ter openbare zitting uitgesproken.