Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-04-08
ECLI:NL:GHARL:2025:2108
Strafrecht
Hoger beroep
3,387 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002542-24
Uitspraak d.d.: 7 april 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 17 juni 2024 met parketnummer 18-292300-22 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-220266-20, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 maart 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
vernietiging van het vonnis van de politierechter en veroordeling van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde;
oplegging van een taakstraf voor de duur van 30 uren, te vervangen door 15 dagen hechtenis,
oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaren;
verlenging van de proeftijd met één jaar met betrekking tot de in de zaak met parketnummer 18-220266-20 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,mr. R.P. Snorn, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De verdachte is bij het hiervoor genoemde vonnis van de politierechter wegens bedreiging veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, te vervangen door 15 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast is de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken bevolen.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 19 mei 2022 te [pleegplaats] , in de gemeente [gemeente 1] en/of in de gemeente [gemeente 2] , [benadeelde] , in zijn hoedanigheid als medewerker Jeugdbescherming heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde] (telefonisch) dreigend de woorden toe te voegen: "Jullie gaan er aan" en/of "Ik kom wel naar jou toe jongen en ik kom niet alleen" en/of "Ik kom ook voor jouw gezin" en/of "Je hoeft me niet te bellen, ik kom wel naar jou straks", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de door de verdachte gebruikte woorden kunnen worden gekwalificeerd als een bedreiging. De verdachte is door het gebruik van die woorden doelbewust een grens overgegaan.
Standpunt verdediging
Door de raadsman is vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de door de verdachte gebruikte woorden naar hun betekenis niet zonder meer een onmiskenbare bedreigende strekking hebben. De gebruikte woorden zijn gebezigd uit onmacht en frustratie en in een emotionele ontlading, die is veroorzaakt door een jarenlange strijd van de verdachte om informatie over en contact met zijn zoon te krijgen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Niet vereist is dat de bedreiger het voornemen heeft om de bedreiging te realiseren.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 19 mei 2022 vond een telefoongesprek plaats tussen de verdachte en aangever [benadeelde] , medewerker van Jeugdbescherming, over de omgang met [zoon verdachte] , de zoon van de verdachte die in een zorgboerderij verblijft. Al snel ging het gesprek over de falende jeugdzorg en de zorgen die de verdachte heeft over het verblijf in de zorgboerderij. Verdachte doet tijdens dit gesprek verschillende uitlatingen, waaronder: "Jullie gaan er aan", "Ik kom wel naar jou toe jongen en ik kom niet alleen", "Ik kom ook voor jouw gezin" en "Je hoeft me niet te bellen, ik kom wel naar jou straks". Hij maakt daarbij duidelijk ook over persoonlijke informatie over aangever te beschikken door onder meer te zeggen: “Doe je dat ook bij je eigen kind? 26 jaar en woont nog bij je in huis” en “Als jij met valse namen werkt, ik kom overal achter, in onderzoek alles. Ik ben goed in spionage denk erom.”
De toon van de verdachte was met ingehouden woede; hij verhief zijn stem, terwijl aangever heel rustig bleef praten.
Uit het proces-verbaal aangifte en het proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangever volgt dat aangever zich door verdachtes uitlatingen bedreigd heeft gevoeld. Dit komt doordat de verdachte in de voorgaande periode steeds persoonlijker is geworden, hij steeds meer afglijdt en zijn eigen werkelijkheid heeft. Aangever kijkt over zijn schouder als hij bij het werk wegrijdt en is onderweg ook alert omdat hij bang is om gevolgd te worden. De verdachte heeft eerder al bij aangever aangegeven zaken te onderzoeken, dat hij weet dat aangever woonachtig is in [land] en dat hij een zoon heeft.
Het hof ziet de uitlatingen van de verdachte – waarvan deze ter zitting bij het hof heeft bevestigd dat ze door hem zijn gedaan - niet als een louter onbeheerste uiting van woede, onmacht of frustratie, maar juist als een uiting, bewust ingezet om aangever, door het aanjagen van vrees, te bewegen [zoon verdachte] uit de zorgboerderij te krijgen.
Gelet op de aard van de door de verdachte gedane uitlatingen en de context en omstandigheden waarin de uitlatingen zijn gedaan kon bij aangever [benadeelde] in redelijkheid de vrees ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Aangever heeft dat ook zo ervaren.
Het hof acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangever heeft bedreigd.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van, parketnummer 18-220266-20, te weten van:
gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. P.S. Bakker, voorzitter,
mr. G.A. Versteeg en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,
en op 7 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 19 mei 2022 in de gemeente [gemeente 2] [benadeelde] , in zijn hoedanigheid als medewerker Jeugdbescherming, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde] telefonisch dreigend de woorden toe te voegen: "Jullie gaan er aan" en "Ik kom wel naar jou toe jongen en ik kom niet alleen" en "Ik kom ook voor jouw gezin" en "Je hoeft me niet te bellen, ik kom wel naar jou straks".
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De verdachte heeft zich op 19 mei 2022 schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van een medewerker van Jeugdbescherming. Medewerkers van Jeugdbescherming, zo ook aangever, zijn in principe bereid tot het incasseren van moeilijk gedrag als gevolg van emoties van ouders. Daaraan zijn echter grenzen verbonden. Die zijn door de verdachte op strafbare wijze overschreden. De bedreiging heeft gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij aangever. Het hof rekent dat de verdachte aan.
Het hof heeft verder acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden zoals die ter zitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.
Uit het strafblad van de verdachte van 17 februari 2025 blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens strafbare feiten, waaronder meerdere keren voor bedreigingen. De verdachte liep ten tijde van de onderhavige bedreiging in een proeftijd van een eerdere veroordeling, eveneens wegens bedreigingen. Dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee.
Desondanks acht het hof, alles overwegende, in dit geval oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Door het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor langere duur wil het hof de verdachte een stevige(r) waarschuwing geven. Het hof acht het in die zin belangrijk dat de verdachte een forse stok achter de deur heeft om hem ervan te weerhouden bij eventuele nieuwe onenigheden rondom de omgang met zijn zoon nieuwe strafbare feiten te plegen.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, parketnummer 18-220266-20. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden bevolen. Het hof ziet – anders dan de advocaat-generaal – geen reden om de proeftijd te verlengen. De verdachte was een gewaarschuwd man.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.