Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-04-04
ECLI:NL:GHARL:2025:2009
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
92,189 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004253-22
Uitspraak d.d.: 4 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep,
ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem,
van 27 september 2022 met parketnummer 05/880702-19,
de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 05/780001-21, 05/780029-21, 05/780039-21 en 05/780039-21A,
en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 23-000570-17 en 16-090557-17,
tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
thans verblijvende in [P.I. 1] .
Het hoger beroep
Verdachte (hierna ook te noemen: [verdachte] ) en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 4, 5, 7 en 29 november 2024, 21 februari 2025 en 27 maart 2025 (tijdens welke zitting het onderzoek is gesloten) en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden,
mr. S.C. van Klaveren en mr. B.L.M. Ficq, naar voren is gebracht.
Ook heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen, namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] en [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 14] en [benadeelde partij 15] , en van hetgeen door mr. A.H. Blok, namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 6] naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft verdachte voor enkele van de (primair) ten laste gelegde feiten vrijgesproken en hem voor een reeks andere feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negentien jaar en tien maanden met aftrek van voorarrest. Ook heeft de rechtbank beslissingen genomen op nog openstaand beslag, op de vorderingen tenuitvoerlegging en op de vorderingen van de benadeelde partijen.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een aantal andere bewijsbeslissingen, een andere strafoplegging, een aantal andere beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen en een andere beslissing over het beslag komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
Leeswijzer
1. Verkorte inhoud van de tenlastelegging
5
2. Algemene verweren
8
2.1. Verweren met betrekking tot vormverzuimen 8
2.2. Verklaringen van [medeverdachte 4] in het licht van de Vidgen-jurisprudentie 12
2.3. Betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 4] (Panter 1) 16
2.4. Getuigenverzoek met betrekking tot journalist [naam 28] 17
3. Bewijsoverwegingen
19
3.1. Inleiding 19
3.2. Bewijsoverwegingen Maldiven (parketnummer 05/880702-19) 21
3.3. Bewijsoverwegingen Navigator (parketnummer 05/780039-21A, feit 1) 33
3.4. Bewijsoverwegingen Panter 1 (parketnummer 05/780001-21 + 05/780029-21) 39
3.5. Bewijsoverwegingen Panter 3 (parketnummer 05/780039-21A, feit 2) 80
3.6. Bewijsoverwegingen Panter 2 (parketnummer 05/780039-21) 88
3.7. De rol van verdachte (samenhang en conclusies) 112
3.8. Eindconclusies 118
4. Eerlijk proces
119
5. Bewezenverklaring
121
6. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
142
7. Strafbaarheid van verdachte
144
8. Oplegging van straf
144
9. Beslag
149
9.1. De vordering van het openbaar ministerie 149
9.2. Het standpunt van de verdediging 149
9.3. Het oordeel van het hof 149
10. Vorderingen van de benadeelde partijen
150
10.1. Vordering [benadeelde partij 1] 151
10.2. Vorderingen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] 152
10.3. Vorderingen [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] 154
10.4. Vorderingen [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] 155
10.5. Vorderingen [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] 157
10.6. Vorderingen [benadeelde partij 10] en [benadeelde partij 11] 158
10.7. Vorderingen [benadeelde partij 12] en [benadeelde partij 13] 159
10.8. Vorderingen [benadeelde partij 14] en [benadeelde partij 15] 160
10.9. Samenvatting 161
11. Vorderingen tenuitvoerlegging
162
11.1. Parketnummer 23-000570-17 162
11.2. Parketnummer 16-090577-17 162
12. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
164
Bijlage: de tenlastelegging
176
1Verkorte inhoud van de tenlastelegging
De volledige tenlastelegging is als bijlage opgenomen en aan dit arrest gehecht. Het hof volstaat hier met de korte omschrijving van wat aan verdachte wordt verweten:
Parketnummer 05/880702-19 (Maldiven)
(na een toegewezen vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging)
Medeplegen van poging tot afpersing van [slachtoffer 1] / [slachtoffer 2] / [fruitbedrijf] door in de periode van 26 mei 2019 tot en met 5 juni 2019 diverse dreigsms-berichten te sturen.
Parketnummer 05/780001-21 (Panter 1)
(na een toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en in hoger beroep)
Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 1] in Rosmalen op 10/11 oktober 2020, ten laste gelegd als:
1. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/
zware mishandeling (met voorbedachten rade);
2. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [straat 1 huisnummer B] in Kerkdriel op 22/23 november 2020, ten laste gelegd als:
3. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade);
4. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 3] in Hedel op 24/25 november 2020, ten laste gelegd als:
5. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade);
6. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing met levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Betrokkenheid bij twee verijdelde aanslagen op een woning aan de [straat 2 huisnummer D] in Hilversum, ten laste gelegd als:
7. medeplegen van een mislukte uitlokking in de periode 15-22 december 2020 van brandstichting/het teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar subsidiair: medeplegen van voorbereidingshandelingen tot het teweegbrengen van een ontploffing/brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar
en/of
het medeplegen van uitlokking van het medeplegen van de voorbereidingshandelingen daartoe in de periode van 13-17 december 2020.
Parketnummer 05/780029-21 (Panter 1)
1. medeplegen van poging tot afpersing van [slachtoffer 1] door in de periode van 26 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021 diverse dreigsms-berichten te sturen.
2. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing bij de woning aan [adres 4] in Tiel met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel op 4/5 oktober 2020.
3. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing bij de woning aan de [adres 5] in Vlijmen met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel op 4 november 2020.
4. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing bij de woning aan de [adres 6] in Tiel met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel op 27/28 oktober 2020.
5. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing bij de woning aan de [adres 7] in Breda met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel op 7/8 oktober 2020.
Parketnummer 05/780039-21A (Navigator en Panter 3)
Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 8] in Zaandam op 22 september 2020, ten laste gelegd als:
1. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/
zware mishandeling (met voorbedachten rade)
en/of
medeplegen van uitlokking van het medeplegen teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
(Navigator)
Betrokkenheid bij een mislukte aanslag op een woning aan de [adres 9] in Kerkdriel op 2 mei 2021, ten laste gelegd als:
2. medeplegen van een mislukte uitlokking van [medeverdachte 10] gericht op het door hem plegen of laten plegen van moord/doodslag/zware mishandeling (met voorbedachten rade) en/of het teweegbrengen van een ontploffing/brandstichting met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar;
subsidiair: medeplegen van een mislukte uitlokking van derden tot het plegen van voornoemde feiten;
meer subsidiair: uitlokking van de mislukte uitlokking begaan door [medeverdachte 10] van derden gericht op het door hen laten begaan van voornoemde feiten.
(Panter 3)
Parketnummer 05/780039-21 (Panter 2)
(na een toegewezen vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging)
Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [straat 5] 20 in Hedel op 1/2 mei 2021, ten laste gelegd als:
1. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade);
subsidiair: medeplegen van uitlokking van het medeplegen van bedreiging.
Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [straat] 4 in Kerkdriel op 8/9 mei 2021, ten laste gelegd als:
2. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade);
subsidiair: medeplegen van uitlokking van het medeplegen van bedreiging.
Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 12] in Velddriel op 9/10 mei 2021, ten laste gelegd als:
3. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade);
subsidiair: medeplegen van uitlokking van het medeplegen van bedreiging.
Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 13] in Waardenburg op 15/16 mei 2021, ten laste gelegd als:
4. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade);
subsidiair: medeplegen van uitlokking van het medeplegen van bedreiging.
Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan [adres 14] in Tiel op 4/5 juni 2021, ten laste gelegd als:
5. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade)
en/of
medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een brandstichting met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
2Algemene verweren
2.1.
Verweren met betrekking tot vormverzuimen
WOD-traject
Tijdens het opsporingsonderzoek is gebruikgemaakt van een werken onder dekmantel (WOD)-actie.
Overwegingen
In de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat van het toepassen van de Mr. Big-methode zelf geen sprake is geweest. Het contact met [medeverdachte 4] is, anders dan bij toepassing van de Mr. Big-methode waarbij over een langere periode van enkele weken of maanden steeds intensiever contact wordt opgebouwd om vertrouwen te winnen, beperkt gebleven tot één relatief kort contactmoment overdag. Voorts had de WOD-actie op [medeverdachte 4] niet tot doel hem te verlokken een strafbaar feit te bekennen. Het doel was om relevante informatie te verzamelen over de identiteit van de opdrachtgevers van de aanslagen op (ex)medewerkers van [fruitbedrijf] . Dat één van de undercoveragenten daarbij heeft gezegd dat hij wist wie [medeverdachte 4] was en dat hij uit de bajes had gehoord dat hij mogelijk betrokken was bij het gedoe met de aanslagen, maakt dit nog niet anders.
Het voorgaande neemt niet weg dat de toepassing van een WOD-traject in het algemeen het gevaar meebrengt dat een verdachte feitelijk in een verhoorsituatie terechtkomt, waarbij de waarborgen van een formeel politieverhoor ontbreken en verklaringen worden verkregen die in strijd met de verklaringsvrijheid van die verdachte zijn afgelegd. Het hof zal de vraag naar de toelaatbaarheid van de inzet van de WOD-actie en de vraag of de verklaringsvrijheid van [medeverdachte 4] is geschonden dan ook beoordelen langs de lijn van het door de Hoge Raad in het arrest met nummer 2019:1982 ontwikkelde toetsingskader.
Een WOD-inzet dient allereerst aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te voldoen, waarbij als uitgangspunt moet worden genomen dat de bijzondere ernst van het misdrijf de WOD-inzet rechtvaardigt en dat andere wijzen van opsporing niet (meer) voorhanden zijn. De rechter kan vervolgens voor de vraag komen te staan of de informatie van verdachte niet in strijd met de verklaringsvrijheid is verkregen. Daarbij kan acht worden geslagen op het feitelijke optreden van de opsporingsambtenaren jegens verdachte en op de wettelijke grondslag van het optreden. Het is daarom nodig dat inzicht kan worden verkregen in het concrete verloop van de uitvoering van het WOD-traject en op de interactie van de opsporingsambtenaren met de verdachte. Dit kan door een voldoende nauwkeurige verslaglegging, welke verslaglegging inzicht moet geven in het verloop en de uitvoering van de gehele periode en met name een voldoende nauwkeurige weergave van de communicatie met verdachte moet bevatten. Voor zover mogelijk zou de communicatie in het kader van de opsporing auditief of audiovisueel geregistreerd moeten worden.
Proportionaliteit en subsidiariteit
Het hof is van oordeel dat de WOD-actie in deze zaak voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat sprake is geweest van een stelsel van gewelddadige feiten en van grote maatschappelijke impact staat buiten kijf. Blijkens het proces-verbaal aanvraag bevel stelselmatige informatie-inwinning waren op de verdachten in het onderzoek reeds diverse bijzondere opsporingsmiddelen langdurig ingezet, zoals het afluisteren van telefoongesprekken en vertrouwelijke communicatie. Geen van deze ingezette middelen had tot op dat moment geleid tot meer informatie over de opdrachtgever(s) van de aanslagen. De op dat moment reeds aangehouden verdachten (vermeende uitvoerders) beriepen zich allemaal op hun zwijgrecht. Het ging om zeer ernstige strafbare feiten, namelijk een reeks aanslagen met mortierbommen (shells) op de woningen van (ex)werknemers van [fruitbedrijf] , gepleegd in de nachtelijke uren terwijl de bewoners veelal in de woning verbleven. Ondanks dat een aantal verdachten in voorlopige hechtenis zat, bleven de aanslagen doorgaan en werd aangekondigd dat de aanslagen in ernst zouden toenemen. Dat gebeurde ook daadwerkelijk, zoals al blijkt uit de aanslag in Hedel op 25 november 2020 waar een woning volledig afbrandde en de bewoners ternauwernood nog uit de woning konden komen. Na deze aanslag heeft de politie in december 2020 nog twee aanslagen in Hilversum verijdeld. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt de bijzondere ernst van de aanhoudende en steeds gewelddadigere aanslagen de toepassing van de betreffende opsporingsbevoegdheid, mede gezien de omstandigheid dat andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet meer voorhanden waren.
De verklaringsvrijheid
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verklaring van [medeverdachte 4] niet in strijd met de verklaringsvrijheid is verkregen. Daarbij wordt voorop gesteld dat voor de beantwoording van deze vraag van belang is of het hof inzicht heeft gekregen in het concrete verloop van de uitvoering van de opsporingsmethode en de interactie met [medeverdachte 4] die daarbij heeft plaatsgevonden. Zoals hiervoor is vermeld is daarvoor een voldoende nauwkeurige verslaglegging van belang. De verslaglegging dient een voldoende nauwkeurige weergave van de communicatie met [medeverdachte 4] te omvatten. Naast verslaglegging door middel van verbalisering ligt het bij een WOD-traject in de rede dat, voor zover dat bij de uitvoering van het opsporingstraject mogelijk is, communicatie auditief of audiovisueel wordt geregistreerd.
Het hof stelt vast dat de communicatie tijdens de WOD-actie niet auditief of audiovisueel is geregistreerd. Zoals ook is aangevoerd door de verdediging, valt het voor het hof niet goed in te zien waarom dit niet is gebeurd. Die vorm van registratie maakt namelijk de controle op de inzet van het bijzondere en vergaande opsporingsmiddel veel beter mogelijk. Het hof is zich ervan bewust dat een auditieve of audiovisuele registratie van de communicatie tussen de betrokken opsporingsambtenaren en verdachte geen vereiste is om tot de rechtmatigheid van een dergelijk traject te kunnen concluderen, maar ziet zich dan wel voor de vraag gesteld of op een andere wijze voldoende kan worden vastgesteld hoe de WOD-actie is uitgevoerd.
In het dossier zitten verschillende processen-verbaal die in het kader van die WOD-actie zijn opgesteld. Het gaat om op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de bij de WOD-actie van 29 december 2020 betrokken opsporingsambtenaren en de verklaringen die zij als getuigen bij de rechter-commissaris en later bij de raadsheer-commissaris over deze inzet hebben afgelegd, als ook om de verklaringen die door [medeverdachte 4] zijn afgelegd. Deze verklaringen, ook die van de WOD-ers onderling, verschillen inhoudelijk echter over de wijze waarop de WOD-actie is uitgevoerd, de mate van druk die op [medeverdachte 4] is uitgeoefend en over hetgeen tijdens deze actie is besproken. In het licht van deze omstandigheden is het hof van oordeel dat in dit geval onvoldoende controleerbaar is of [medeverdachte 4] in zijn verklaringsvrijheid is aangetast, volgens het door de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader (waarbij onder meer van belang is hoe het verloop van het opsporingstraject is gegaan en wat de mate van druk is geweest die in het traject op een verdachte is uitgeoefend). Door het ontbreken van een auditieve of audiovisuele opname in combinatie met het feit dat er aanwijzingen zijn dat de verslaglegging van de busverklaring ook niet zonder meer toereikend is geweest, is het voor het hof onvoldoende controleerbaar hoe die verklaring van [medeverdachte 4] tot stand is gekomen en welke precieze mate van druk op hem is uitgeoefend. Daarmee heeft het hof onvoldoende inzicht gekregen in de uitvoering van de WOD-actie. Het hof acht in dit verband sprake van een vormverzuim.
Rechtsgevolg
Volgens de Hoge Raad hoeft in de te berechten zaak, in dit geval de zaak van verdachte [verdachte] , in de regel geen rechtsgevolg te worden verbonden aan een verzuim als het niet verdachte is die door het verzuim bij de toepassing van de bevoegdheid van het stelselmatig inwinnen van informatie is getroffen.
Overwegingen
Het hof overweegt in het licht van het voorgaande het volgende.
( i) Er is inbreuk gemaakt op het ondervragingsrecht van de verdediging doordat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om [medeverdachte 4] op een behoorlijke en effectieve wijze te ondervragen. [medeverdachte 4] heeft zich bij het verhoor bij de rechter- en raadsheer-commissaris vrijwel geheel beroepen op zijn verschoningsrecht en ter terechtzitting in zijn eigen strafzaak aangegeven dat bij een eventueel nieuw verhoor opnieuw te zullen doen vanwege de bedreigingen richting hem en zijn familie zoals die vanaf 18 april 2021 bestaan. Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat verdachte direct of indirect achter het op 18 april 2021 aan de moeder van [medeverdachte 4] verstuurde dreigbericht zit. In dat bericht wordt onder meer gesproken over “de advocaten van alle verdachten”, wat een dreiging impliceert ook uit de richting van verdachte. Daarnaast heeft medeverdachte [medeverdachte 10] verklaard dat verdachte ervoor heeft gezorgd dat die jongen (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) de verklaringen ingetrokken had. Dat de dreiging nog steeds reëel is maakt het hof ook op uit het proces-verbaal verhoor getuige [medeverdachte 4] van 9 februari 2024, waar de raadsheer-commissaris op grond van het bepaalde in artikel 190 lid 3 Sv de personalia van [medeverdachte 4] niet heeft opgenomen in het proces-verbaal. Het hof is dan ook van oordeel dat daarmee voldoende vast staat dat de bedreigingen, die [medeverdachte 4] ervan weerhouden te willen verklaren, door of vanuit de zijde van verdachte komen. Reeds daarom is het hof van oordeel dat verdachte zijn recht op het opnieuw horen van [medeverdachte 4] heeft prijsgegeven.
(ii) Uit de regels die voortvloeien uit de Vidgen-jurisprudentie en de jurisprudentie van de Hoge Raad komt naar voren dat het gebruik van een in het vooronderzoek afgelegde verklaring afkomstig van een niet-ondervraagde getuige onverenigbaar is met artikel 6 lid 3 EVRM indien die verklaring niet wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal dat betrekking heeft op de door verdachte betwiste onderdelen van de belastende verklaring.
Naar het oordeel van het hof is het gewicht van de verklaringen van [medeverdachte 4] , binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit niet dusdanig groot dat die verklaringen van [medeverdachte 4] aan te merken zijn als ‘sole or decisive’. Het hof overweegt hieromtrent dat de verklaringen van [medeverdachte 4] steun vinden in verschillende objectieve gegevens, waaronder de ANPR-gegevens van de bewegingen van auto’s zoals bijvoorbeeld die van [medeverdachte 4] zelf, maar ook van de auto van [naam 1] in de zaak Rosmalen, de locatiegegevens van telefoons van medeverdachten, verklaringen van derden en de vastgestelde betrokkenheid van medeverdachten. Bovendien, zoals hieronder in de bewijsoverwegingen aan de orde zal komen, is er in de afzonderlijke onderzoeken ander bewijs aanwezig op basis waarvan het hof later zal oordelen dat verdachte de opdrachtgever is geweest van de aanslagen.
Desalniettemin moet het hof bezien of sprake is van voldoende compenserende factoren om het recht op een eerlijk proces te kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van het hof bestaan de volgende compenserende factoren:
‒ het proces-verbaal van bevindingen over de WOD-actie opgemaakt door de A- en B-nummers, waarbij schriftelijk is gereageerd op de vragen van de raadslieden;
‒ de processen-verbaal opgemaakt door de officier van justitie en de rechercheofficier van justitie over de WOD-actie;
‒ de verhoren bij de rechter-commissaris van alle politiemensen die bij de WOD-actie betrokken zijn geweest (A-nummers, B-nummers en OT-nummers);
‒ de verhoren bij de raadsheer-commissaris van vier politiemensen die bij de WODactie betrokken zijn geweest (A-nummers);
‒ de verhoren van [medeverdachte 4] als getuige zijn auditief vastgelegd en konden door de verdediging worden beluisterd;
‒ de verhoren van medeverdachten bij de rechter- en raadsheer-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige;
‒ de verhoren bij de rechter-commissaris van getuigen die voor verdachte belastend hebben verklaard bij de politie (zoals [naam 1] en [naam 2] );
‒ prof. dr. Van Koppen is op verzoek van de verdediging als deskundige benoemd en heeft een rapport over de totstandkoming en validiteit van de verklaringen van [medeverdachte 4] opgemaakt;
‒ de rechtbank heeft ambtshalve een verkort proces-verbaal opgemaakt met daarin de zaaksgerelateerde verklaring van [medeverdachte 4] zoals hij deze ter terechtzitting heeft afgelegd en deze ambtshalve aan het dossier van verdachte toegevoegd;
‒ naar aanleiding van die verklaring heeft de rechtbank prof. dr. Van Koppen aanvullend laten rapporteren waarbij ook enkele raadslieden aanvullende vragen hebben ingediend, die vervolgens zijn beantwoord, waarna deze aanvullende rapportage ambtshalve aan het dossier van verdachte is toegevoegd;
‒ de verdediging heeft de mogelijkheid gehad om prof. dr. Van Koppen ter terechtzitting als deskundige (nader) te bevragen en daarvan gebruik gemaakt;
‒ het hof heeft op verzoek van de verdediging een verkort proces-verbaal opgemaakt met daarin de zaaksgerelateerde verklaring van [medeverdachte 4] zoals hij deze ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, deze aan de verdediging verstrekt en de verdediging de gelegenheid gegeven om zich daarover uit te laten ter terechtzitting en
‒ het feit dat de rechtbank ambtshalve heeft beslist dat alle raadslieden bij alle getuigenverhoren door de rechter-commissaris aanwezig konden zijn, ook als zij daar niet zelf om hadden verzocht, geldt als extra procedurele waarborg.
Wanneer al de hiervoor genoemde beoordelingsfactoren (de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, het gewicht van de verklaringen en het bestaan van compenserende factoren) in onderling verband worden bezien, komt het hof tot de slotsom dat de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen reële en effectieve ondervragingsmogelijkheid ten aanzien van [medeverdachte 4] heeft gehad, niet eraan in de weg staat dat zijn verklaringen bij de politie afgelegd als getuige en als verdachte voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat deze verklaringen van [medeverdachte 4] voor het bewijs kunnen worden gebruikt zonder dat het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces is geschonden.
2.3.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 4] (Panter 1)
Het hof concludeert dat [medeverdachte 4] op verschillende momenten (als getuige en als verdachte) verklaringen heeft afgelegd waarin hij zichzelf, [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 3] heeft belast. Het gaat om de verklaringen van:
5 en 7 januari 2021 (als getuige);
23, 24 en 25 februari 2021 (als verdachte).
Het hof is van oordeel dat de hier genoemde verklaringen van [medeverdachte 4] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. De verklaringen zijn in de kern gelijkluidend en vinden op diverse punten bevestiging in objectieve onderzoeksresultaten. Het hof zal daar bij het bespreken van de afzonderlijke zaaksdossiers dieper op ingaan.
Naast de objectieve onderzoeksresultaten wijst het hof ook op het rapport en het aanvullende rapport van prof. dr. Van Koppen (hierna te noemen de deskundige) die op verzoek van de verdediging vanuit rechtspsychologisch perspectief onderzoek heeft gedaan naar de validiteit van de verklaringen van [medeverdachte 4] . Daaruit komt onder meer naar voren dat bij de verklaringen die [medeverdachte 4] als getuige en als verdachte heeft afgelegd de manier van vragen stellen goed was. De manier waarop [medeverdachte 4] zijn verhalen vertelde komt overeen met de manier waarop het menselijk geheugen pleegt te werken: sommige dingen weten we zeker, over sommige dingen zijn we onzeker en van sommige dingen weten we zeker dat we ze niet weten. Volgens de deskundige is voorts van belang dat [medeverdachte 4] ook regelmatig details weet te benoemen die de validiteit van zijn verhaal ondersteunen. Op de beschreven manier tonen de verklaringen van [medeverdachte 4] in januari en februari zich volgens de deskundige als verklaringen die valide zijn. De deskundige merkt ook op dat verklaringen die zich valide tonen, niet valide hoeven te zijn. In dit verband verwijst de deskundige naar de omstandigheid dat - gelet op de gebrekkige verslaglegging van de WOD-actie - niet vastgesteld kan worden of de door [medeverdachte 4] afgelegde verklaring op 29 december 2020 in het busje van invloed is geweest op de latere verklaringen. Volgens de deskundige kan die invloed niet worden vastgesteld, maar ook niet worden uitgesloten. Hoewel het hof die invloed ook niet kan uitsluiten en hiervoor reeds heeft overwogen dat het hof de verklaring die is afgelegd in het busje niet zal gebruiken vanwege de gebrekkige verslaglegging, ziet het hof ook geen aanwijzingen voor een dergelijke invloed. Hierbij speelt mee dat [medeverdachte 4] op enig moment onder meer heeft verklaard over de betrokkenheid van hemzelf en (onder meer) verdachte bij een aanslag in Zaandam (onderzoek Navigator), die losstaat van [fruitbedrijf] en die bij het politieteam nog niet in beeld was en steun vindt in andere bewijsmiddelen. De verklaringen van [medeverdachte 4] kunnen niet gevoed zijn door vragen van de opsporingsambtenaren in de WOD-actie, maar moeten uit zijn eigen geheugen voortkomen. Het hof heeft geen reden aan te nemen dat dit anders is voor de overige gedeeltes van de verklaringen van [medeverdachte 4] . Integendeel: het hof ziet in de verklaring van [medeverdachte 4] over zijn betrokkenheid bij een aanslag in Zaandam en ook in de door deskundige Van Koppen benoemde punten die vóór de validiteit van de verklaringen van [medeverdachte 4] pleiten concrete steun voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 4] . Dit alles maakt dat het hof de eerder genoemde verklaringen van [medeverdachte 4] als betrouwbaar aanmerkt.
Wat betreft de verklaringen van [medeverdachte 4] van 17 en 18 mei 2021 overweegt het hof nog het volgende. Dat [medeverdachte 4] op 17 en 18 mei 2021 heeft verklaard dat alles wat hij eerder had gezegd gelogen was en zich verder op zijn zwijgrecht heeft beroepen, maakt niet dat zijn eerdere verklaringen daadwerkelijk feitelijk onjuist of onvolledig zijn. Reden voor zijn latere opstelling was volgens [medeverdachte 4] zelf een aan zijn moeder gerichte dreig-sms van 18 april 2021 met een ultimatum aan [medeverdachte 4] om zijn verklaring in te trekken omdat het leven voor hem en zijn familie anders een hel zou worden. Het hof acht het aannemelijk dat deze sms - gelet op de inhoud afkomstig van de dader(s) van de aanslagen - voor [medeverdachte 4] reden is geweest om zijn proceshouding aan te passen en zich vanaf dat moment als verdachte op zijn zwijgrecht en als getuige op zijn verschoningsrecht te beroepen. Iets wat [medeverdachte 4] ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn eigen strafzaak ook heeft verklaard. Het hof hecht om die reden geen waarde aan de verklaring van [medeverdachte 4] dat hij alles wat hij eerder had verklaard, heeft gelogen.
2.4.
Getuigenverzoek met betrekking tot journalist [naam 28]
Namens verdachte is het (voorwaardelijke) verzoek gedaan dat ertoe strekt dat journalist [naam 28] (opnieuw) wordt gehoord als getuige. Dit verzoek is gedaan onder de voorwaarden dat het hof tot een bewezenverklaring komt en een verklaring van medeverdachte [medeverdachte 4] gebruikt voor het bewijs voor die bewezenverklaring. Ter onderbouwing van het getuigenverzoek is onder meer aangevoerd dat de raadsheer-commissaris tijdens het getuigenverhoor van 11 september 2024 het verschoningsrecht van journalist [naam 28] te ruim heeft uitgelegd. De raadsheer-commissaris heeft het toegestaan dat journalist [naam 28] zich in essentie bij alle gestelde vragen heeft verschoond van de beantwoording daarvan, terwijl daar ook vragen tussen zaten die niet onder het verschoningsrecht vallen.
Zoals hieronder zal blijken komt het hof tot een bewezenverklaring en gebruikt het hof een verklaring van [medeverdachte 4] voor het bewijs. De gestelde voorwaarden worden dus vervuld, waardoor het hof op het getuigenverzoek zal beslissen.
Het hof wijst het getuigenverzoek af en onderbouwt deze beslissing als volgt.
Bij de beoordeling van het getuigenverzoek heeft het hof onder meer gelet op artikel 218a Sv. Dat artikel, dat onder meer over het journalistieke verschoningsrecht gaat, luidt als volgt.
“1.
Getuigen die als journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring, beschikken over gegevens van personen die deze gegevens ter openbaarmaking hebben verstrekt, kunnen zich verschonen van het beantwoorden van vragen over de herkomst van die gegevens.
2.
De rechter-commissaris kan het beroep van de getuige, bedoeld in het eerste lid, afwijzen indien hij oordeelt dat bij het onbeantwoord blijven van vragen aan een zwaarder wegend maatschappelijk belang een onevenredig grote schade zou worden toegebracht.”
[naam 28] is een journalist die een boek (‘ [titel] ’) heeft uitgebracht over de poging tot afpersing van [fruitbedrijf] . Dat boek gaat dus onder meer over misdrijven die in deze strafzaak tegen verdachte op de tenlastelegging staan. In het boek van journalist [naam 28] wordt onder meer ingegaan op de WOD-actie tegen medeverdachte [medeverdachte 4] .
Conclusie
Concluderend acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 3] zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord in eendaadse samenloop met het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Van een bewuste en nauwe samenwerking met [medeverdachte 4] die is vereist voor het bestanddeel ‘medeplegen’ is niet gebleken, zodat daarvan vrijspraak volgt.
[medeverdachte 4] is medeplichtig geweest aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen, door met de wetenschap die hij had, [medeverdachte 3] naar de plaats delict te rijden en daar op de uitkijk te staan.
Nu is vastgesteld door wie deze aanslag in Zaandam is gepleegd, is de vraag of verdachte (al dan niet met anderen) hen daartoe heeft aangezet. Met andere woorden, heeft verdachte deze aanslag uitgelokt?
De rol van verdachte
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij (samen met [medeverdachte 3] ) de aanslag op 22 september 2020 in Zaandam heeft gepleegd in opdracht van [verdachte] . De aanslag had te maken met een conflict tussen [naam 8] (een jeugdvriend van [verdachte] , hierna: [naam 8] ) en een andere vlogger. [naam 8] had [verdachte] gevraagd of er wat kon gebeuren bij die vlogger in Zaandam. Onderweg naar Zaandam vertelde [medeverdachte 3] hem wat hij daar ging doen en dat de opdracht van [verdachte] kwam. [medeverdachte 3] zou daarvoor € 150,- of € 200,- krijgen. [verdachte] heeft bemiddeld in de zaak door mensen te regelen die de aanslag zouden plegen.
Met betrekking tot het verkrijgen van het adres door verdachte overweegt het hof het volgende.
Op 10 september 2020 rond 16:00 uur laat verdachte in een WhatsApp-gesprek aan zijn partner [naam 9] weten dat ‘die hond zsm dood gaat’ en dat hem verzekerd is dat hij vermoord gaat worden. Verdachte heeft verklaard dat dat gesprek gaat over [naam 7] , die eerder die dag [naam 8] zou hebben mishandeld.
Daarna vindt de volgende communicatie plaats tussen [medeverdachte 11] (hierna: [medeverdachte 11] ) en [medeverdachte 12] .
Om 16:49:17 uur stuurt [medeverdachte 11] naar [medeverdachte 12] : ‘Ik heb je nu nodig, bel me op’ (…) Om 17:17:07 uur vindt een telefoongesprek van 27 seconden plaats tussen [medeverdachte 11] en [medeverdachte 12] .
Tussen 17:23 - 18:32 uur vraagt [medeverdachte 12] de persoonsgegevens van [naam 7] en diens familie op. Hierbij wordt onder andere het adres [adres 8] Zaandam (het adres van de moeder van [naam 7] ) zichtbaar.
Verdachte erkent actief navraag naar de persoonsgegevens van [naam 7] en familieleden van hem te hebben gedaan.
Op de telefoon van verdachte is een WhatsApp-gesprek van 10 september 2020 tussen 18:08-18:10 uur tussen hem en [naam 10] aangetroffen waarin verdachte spreekt over een ‘shell’ en ‘drie stuks’. Ook wordt een screenshot aangetroffen van een chat waarin de adressen [adres 19] in Zaandam en [adres 8] in Zaandam worden doorgegeven. Dit screenshot is gemaakt op 10 september 2020 om 18:36 uur.
Op 11 september 2020 vindt vervolgens een eerste aanslag plaats op het adres [adres 19] in Zaandam (het adres van de vader van [naam 7] ). Aangever [slachtoffer 7] werd wakker van twee harde knallen, ging naar beneden en rook de geur van rook. Hij zag dat er veel glas op straat lag en dat de stroom was uitgevallen. Toen de politie ter plaatse kwam heeft hij zijn zoon gebeld en zijn zoon gaf aan dat hij vaker bedreigd is. Op beelden van een beveiligingscamera zijn vermoedelijk twee ontploffende projectielen te horen (de verbalisant kan niet met zekerheid zeggen of het één, twee of meerdere projectielen betroffen omdat er mogelijk sprake is van een echo-effect) en is een lichtflits waarneembaar. Uit forensisch onderzoek is aannemelijk geworden dat op het trottoir voor perceel 5 een shell/mortier tot ontploffing is gebracht.
Diezelfde avond heeft verdachte een WhatsApp-gesprek met [naam 11] waarin wordt gesproken over een aanslag op ‘ [pseudoniem] ’ en verdachte in dat verband zegt: ‘haha nee joh dit is pas het startschot’ en ‘die van afgelopen nacht gaat alleen maar erger worden’.
Verdachte en [medeverdachte 2] hebben op 13-14 september 2020 contact via WhatsApp. Tijdens dat gesprek vraagt verdachte herhaaldelijk of ‘hij ready is’. Ook vraagt verdachte of ‘hij alles compleet heeft’. Daarbij geeft verdachte aan dat ‘hij zelf geen vervoer heeft’ en ‘laat ook hem proberen te fixen’.
Vervolgens vindt op 15 september 2020 een tweede aanslag plaats, dit keer op de [adres 8] in Zaandam (de eerste aanslag op dit adres). Aangeefster [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat zij televisie aan het kijken was toen zij een explosie hoorde. Ze zag dat het glas naar binnen geblazen werd en zag donkere rook en vuur. Op beelden van een beveiligingscamera is te zien dat er vermoedelijk iets ontstoken/aangestoken werd, dat het brandende voorwerp in de richting van de woning aan de [adres 8] werd gegooid, dat er een ontbranding plaatsvond die afnam, waarna een tweede zeer sterke vermoedelijke ontbranding volgde. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat er zowel een explosief als een drinkfles motorbenzine is gebruikt bij de aanslag.
Op 19 september 2020 vraagt verdachte via WhatsApp aan [naam 12] actief informatie op over de adressen van [naam 7] en familieleden van hem.
Op 22 september 2020 vindt vervolgens een derde aanslag plaats op de [adres 8] in Zaandam. Dit betreft de tweede aanslag op dit adres en dit is de aanslag waarvan het hof hiervoor reeds heeft vastgesteld dat die is gepleegd door [medeverdachte 3] . [benadeelde partij 1] heeft opnieuw aangifte gedaan en heeft verklaard dat zij een enorme knal hoorde, dat haar voordeur opensloeg en dat zij vuur en zwarte rook zag. Bij deze aanslag is een VBC gebruikt. De VBC bestond uit een met motorbenzine gevulde jerrycan met daaraan zwaar vuurwerk (mortierbom) bevestigd.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat verdachte een conflict met [naam 7] had, hetgeen een bevestiging vormt voor de verklaring van [medeverdachte 4] . Ook beschikte verdachte kort voor de eerste aanslag over het adres van zowel de vader als de moeder van [naam 7] . Die adressen kreeg hij via [medeverdachte 12] en [medeverdachte 11] . Daarbij is opvallend dat verdachte kort voordat hij de adressen krijgt een gesprek voert met [naam 10] over shells, want de opvolgende nacht vindt de eerste aanslag plaats waarbij een shell is gebruikt. Kort na die aanslag weet verdachte ook al te vertellen ‘dat dit pas het startschot is’ en ‘het alleen maar erger gaat worden’. Die opmerking van verdachte wordt bevestigd door het feit dat bij de tweede aanslag naast een explosief ook een drinkfles motorbenzine is gebruikt en bij de derde aanslag naast een explosief zelfs een jerrycan motorbenzine. Een paar dagen later na de tweede aanslag voert verdachte een gesprek met [medeverdachte 2] waarin hij vraagt of hij (verwijzend naar een iemand) klaar staat en of diegene alles compleet heeft. Uiteindelijk blijkt dat diegene alleen nog geen vervoer heeft waarna verdachte aangeeft dat diegene dat moet proberen te fixen. Ook dit past wat de modus operandi betreft bij de verklaring van [medeverdachte 4] dat [medeverdachte 3] bij de volgende aanslag heeft gevraagd hem naar Zaandam te brengen.
Al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien kan volgens het hof tot geen andere conclusie leiden dan dat verdachte de opdrachtgever van deze aanslag op 22 september 2020 is geweest.
Conclusie
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat [verdachte] de opdrachtgever is geweest van zowel de (voltooide) woningaanslagen van 5, 8, 11 en 28 oktober 2020 en 4, 23 en 25 november 2020 als van de verijdelde woningaanslagen aan de [straat 2] in Hilversum. Wat betreft de precieze betrokkenheid van [verdachte] bij de verschillende aanslagen komt het hof tot de volgende conclusies.
‒ Cluster 1 (uitvoerders: onder meer [medeverdachte 3] )
Wat betreft de (voltooide) woningaanslagen van 5, 8, 11 en 28 oktober 2020 en 4 november 2020 concludeert het hof dat [verdachte] die aanslagen samen met [medeverdachte 2] heeft uitgelokt. Naar het oordeel van het hof was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] . Daarbij was [verdachte] telkens de initiatiefnemer en degene die bepaalde op welk adres de aanslag moest worden gepleegd. [medeverdachte 2] zorgde daarna voor de aansturing van de uitvoerders, onder meer door het adres en de mortierbom aan [medeverdachte 3] te verstrekken.
Wat betreft de tweede verijdelde woningaanslag in Hilversum (activiteiten van 20 en 21 december 2020) concludeert het hof dat [verdachte] als medepleger heeft deelgenomen aan de poging van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] om [naam 15] te bewegen tot het teweegbrengen van een ontploffing bij de woning op het adres [straat 2 huisnummer D] in Hilversum. De nauwe en bewuste samenwerking hield in dat [verdachte] opdracht had gegeven tot het plegen van een aanslag op dat adres en dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op zoek gingen naar uitvoerders (waaronder een chauffeur) en ervoor zorgden dat die uitvoerders zouden komen te beschikken over explosieven waarmee de aanslag zou kunnen worden gepleegd.
‒ Cluster 2 (uitvoerders: onder meer [naam 13] en [medeverdachte 5] )
Wat betreft de (voltooide) woningaanslagen van 23 en 25 november 2020 concludeert het hof dat [verdachte] die aanslagen heeft uitgelokt. Ook wat betreft de verijdelde eerste woningaanslag in Hilversum (activiteiten van 16 en 17 december 2020) concludeert het hof dat [verdachte] de op die beoogde aanslag gerichte voorbereidingshandelingen heeft uitgelokt. Dat uitlokken gebeurde in ieder geval door telkens een adres te verstrekken met de opdracht daar een aanslag te plegen en door de uitvoerders daarvoor een financiële beloning in het vooruitzicht te stellen.
Naar het oordeel van het hof kan worden vastgesteld dat de opdracht van [verdachte] er bij de Cluster 2-feiten telkens toe strekte dat een explosief in de woning tot ontploffing zou worden gebracht. Dit leidt het hof in de eerste plaats af uit de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de opdracht. Het hof heeft geconcludeerd dat de aanslagen van 23 en 25 november 2020 erop gericht waren een explosief in de woning tot ontploffing te laten komen en dat dit ook de bedoeling was bij de aanslag in Hilversum die werd voorbereid. Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat in de telefoonberichten naar [slachtoffer 1] was aangekondigd dat de aanslagen meer schade zouden veroorzaken. Ook heeft [medeverdachte 4] verklaard dat [verdachte] wilde dat het steeds extremer werd en dat na de aanslag in Vlijmen de boodschap kwam dat meer schade moest worden veroorzaakt.
Naar het oordeel van het hof is het geven van een opdracht om een zwaar explosief in een woning tot ontploffing te laten komen zozeer gericht op het veroorzaken van de dood van de mensen die op dat moment in die woning aanwezig zijn, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat [verdachte] de aanmerkelijke kans op het overlijden van die aanwezigen bewust heeft aanvaard.
‒ Pogingen tot afpersing (05/780029-21, feit 1)
Verder concludeert het hof dat [verdachte] in de periode van 26 oktober 2020 tot en 1 januari 2021 meermalen een poging heeft gedaan tot afpersing van [slachtoffer 1] , door telefoonberichten te sturen naar [slachtoffer 1] met de strekking dat (nieuwe) aanslagen zouden volgen als [slachtoffer 1] niet zou betalen.
3.5.
Bewijsoverwegingen Panter 3 (parketnummer 05/780039-21A, feit 2)
3.5.1.
Standpunt van het OM
Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Daarbij heeft het openbaar ministerie het standpunt ingenomen dat dit feit moet worden aangemerkt als een poging tot uitlokking van (onder meer) moord.
3.5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van dit feit verschillende (bewijs)verweren gevoerd en geconcludeerd dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Waar nodig zal het hof op die verweren hieronder ingaan.
3.5.3.
Oordeel van het hof
2 mei 2021: incident in Kerkdriel
Op 2 mei 2021 heeft zich ’s nachts een incident voorgedaan bij de woning van aangever [benadeelde partij 8] op het adres [adres 9] in Kerkdriel. De aangever heeft op camerabeelden waargenomen dat omstreeks 01.22 uur een man iets tegen de muur bij de voordeur gooide en dat omstreeks 01.25 uur diezelfde man iets gooide tegen een woningraam. Dat laatste heeft geleid tot krassen op dat raam. De politie heeft op camerabeelden van aangever [benadeelde partij 8] waargenomen dat op 2 mei 2021 omstreeks 01.22 uur een man iets tegen de muur boven de deur gooide en dat daarbij een klap hoorbaar was. Nadat de man was weggerend, gooide om 01.25 uur een man met hetzelfde signalement iets naar de woning.
Het adres [adres 9] in Kerkdriel komt voor op de personeelslijst van [fruitbedrijf] die in het onderzoek Maldiven in het dossier is gevoegd.
[naam 16] heeft verklaard dat hij de persoon is die zichtbaar is op de camerabeelden en dat hij kiezelstenen naar de woning heeft gegooid. Hij was door [medeverdachte 10] gebeld met het oog op dat incident. [medeverdachte 10] zat op dat moment vast. [medeverdachte 10] had [naam 16] voor de aanslag een geldbedrag beloofd.
Verdachte heeft op de terechtzitting van het hof van 4 november 2024 verklaard dat hij [medeverdachte 10] het adres in Kerkdriel heeft gegeven met de opdracht daar een aanslag te laten plegen.
Verdachte en [medeverdachte 10] waren in de periode van 11 maart 2021 tot 23 september 2021 allebei gedetineerd in [P.I. 2] .
[medeverdachte 10] heeft verklaard dat verdachte hem een stukje papier gaf waarop hij van verdachte het adres [adres 9] moest noteren. Van verdachte moest daar chaos worden gemaakt. Het raam moest kapot en er moest iets naar binnen. [medeverdachte 10] heeft daarvoor [naam 17] (het hof begrijpt: [naam 17] ) benaderd.
[naam 17] heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 10] heeft gesproken over het plegen van een aanslag op het adres [adres 9] in Kerkdriel.
Tussenconclusie
Op basis van het voorgaande komt het hof tot de volgende tussenconclusie. Verdachte heeft in [P.I. 2] medegedetineerde [medeverdachte 10] benaderd om een aanslag te laten plegen op het adres [adres 9] in Kerkdriel. [medeverdachte 10] heeft vervolgens naar aanleiding van die opdracht onder meer gesproken met [naam 17] en [naam 16] . Eén van de voorliggende vragen is tot welk misdrijf of tot welke misdrijven [medeverdachte 10] geprobeerd heeft [naam 17] en/of [naam 16] uit te lokken. Bij de beantwoording van die vraag heeft het hof onder meer gelet op onderstaande (fragmenten van) telefoongesprekken die [medeverdachte 10] vanuit [P.I.
Overwegingen
Het gaat namelijk om het beroep op de verklaringsvrijheid van de persoon die benaderd en ‘gehoord’ wordt, in dit geval [medeverdachte 4] , en niet om de vraag of de WOD-actie tegen verdachte [verdachte] gericht was. De Hoge Raad overweegt in het aangehaalde arrest dat het gebruik van de betreffende verklaring, in dit geval de busverklaring van [medeverdachte 4] , in een dergelijk geval ook niet in strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is, mits de bruikbaarheid voor het bewijs van de betreffende verklaring – in het bijzonder de betrouwbaarheid en de accuraatheid daarvan – door de verdediging kan worden betwist en door de rechter kan worden onderzocht. Er is grond voor bewijsuitsluiting als vast komt te staan dat zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van de verklaring wezenlijk hebben aangetast. In dat geval berust de bewijsuitsluiting niet op de toepassing van artikel 359a Sv, maar vloeit die uitsluiting rechtstreeks voort uit de regel dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen verklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar vindt.
Tussenconclusie WOD-actie
Het hof is gelet op het bovenstaande van oordeel dat (de inzet van) de WOD-actie onvoldoende controleerbaar is en dat de bruikbaarheid voor het bewijs van de busverklaring van [medeverdachte 4] onvoldoende kan worden onderzocht en betwist. In het verlengde hiervan acht het hof de busverklaring van [medeverdachte 4] niet bruikbaar voor het bewijs. Het hof zal de door [medeverdachte 4] op 29 december 2020 afgelegde verklaring dan ook niet gebruiken.
Anders is het oordeel van het hof als het gaat om de door [medeverdachte 4] als getuige (5 en 7 januari 2021) en als verdachte (23, 24 en 25 februari 2021) afgelegde verklaringen. Het hof heeft geen aanwijzingen dat daarbij tegenover [medeverdachte 4] op zodanige wijze is gehandeld of zodanige dingen zijn gezegd dat een beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen die [medeverdachte 4] ná zijn busverklaring heeft afgelegd niet meer mogelijk is.
Horen van [medeverdachte 4] als getuige
Het hof is van oordeel dat, zoals de verdediging ook heeft aangevoerd, [medeverdachte 4] op 5 en 7 januari 2021 ten onrechte als getuige en niet als verdachte is verhoord. [medeverdachte 4] had op 29 december 2020 zijn betrokkenheid bij meerdere aanslagen erkend. Daarmee was vanaf dat moment sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Dat maakt dat hij vanaf dat moment als verdachte had moeten worden verhoord en op zijn rechten als verdachte (cautie en recht op consultatie- en verhoorbijstand van een advocaat) had moeten worden gewezen. Nu dat niet is gebeurd, levert dat weliswaar in de zaak van [medeverdachte 4] een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv, maar hieraan verbindt het hof in de zaak van verdachte geen consequenties. Enerzijds gelet op de Schutznorm en anderzijds omdat er geen wezenlijke verschillen zijn tussen de verklaringen die [medeverdachte 4] als getuige en de verklaringen die hij als verdachte in het bijzijn van zijn raadsman heeft afgelegd. Het verweer wordt daarom verworpen.
Eindconclusie
Met inachtneming van al het voorgaande komt het hof tot de eindconclusie dat de door [medeverdachte 4] afgelegde verklaringen als getuige en als verdachte voor het bewijs kunnen worden gebruikt en dat het hof ten aanzien van de busverklaring van oordeel is dat aan de verslaglegging van de totstandkoming daarvan zodanige gebreken kleven dat het hof die verklaring niet zal gebruiken.
2.2.
Verklaringen van [medeverdachte 4] in het licht van de Vidgen-jurisprudentie
Verweren van de verdediging
De verdediging heeft kort gezegd aangevoerd dat een eventuele bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaringen van [medeverdachte 4] , maar dat de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest hem te ondervragen. Daarbij is er door de verdediging op gewezen dat een goede reden ontbreekt voor het niet (nogmaals) bieden van het ondervragingsrecht en dat factoren ontbreken die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. De verklaringen van [medeverdachte 4] kunnen volgens de verdediging om deze redenen niet voor het bewijs worden gebruikt zonder het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces te schenden.
Standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal zijn van mening dat bij het gebruiken van de verklaringen van [medeverdachte 4] van een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM geen sprake is. [medeverdachte 4] heeft zich op zijn verschoningsrecht beroepen uit angst voor represailles en vanwege de druk die door verdachte op hem en zijn familie is uitgeoefend. Nu de dreiging uitgaat van verdachte, al dan niet in samenspraak met medeverdachten, heeft verdachte zijn recht om [medeverdachte 4] te horen prijsgegeven. Daarnaast zijn de verklaringen van [medeverdachte 4] onderdeel van het dossier, maar vormen zij niet in beslissende mate het bewijs tegen verdachte en zijn zij niet aan te merken als ‘sole or decisive’. Ook is het niet kunnen effectueren van het ondervragingsrecht van [medeverdachte 4] in voldoende mate gecompenseerd door het horen van deskundige Van Koppen. Alle door [medeverdachte 4] afgelegde verklaringen, als getuige en als verdachte, kunnen worden gebruikt voor het bewijs.
Verklaringen van [medeverdachte 4]
Het hof stelt vast dat [medeverdachte 4] op verschillende momenten door de politie is verhoord: als getuige en als verdachte. Deze verklaringen zijn belastend voor verdachte. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is het verzoek van de verdediging toegewezen om [medeverdachte 4] bij de rechter-commissaris/raadsheer-commissaris als getuige te laten horen. In eerste aanleg heeft [medeverdachte 4] één vraag willen beantwoorden en zich daarna op zijn verschoningsrecht beroepen en in hoger beroep heeft [medeverdachte 4] zich vanaf het begin van het verhoor op zijn verschoningsrecht beroepen. Dit betekent dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, tot op heden geen reële en effectieve gelegenheid heeft gehad om de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 4] te toetsen.
Anders dan de verdediging, is het hof – zoals hieronder nader wordt onderbouwd – van oordeel dat het ontbreken van een effectieve ondervragingsgelegenheid in deze zaak niet meebrengt dat de voor verdachte belastende verklaringen van [medeverdachte 4] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt zonder het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces te schenden. Ook niet wanneer ten aanzien van bepaalde feiten zou moeten worden geoordeeld dat een bewezenverklaring in beslissende mate zou steunen op de verklaringen van [medeverdachte 4] .
Conclusie
Het getuigenverzoek betreft in het bijzonder een fragment uit dat boek waarin wordt gesteld dat undercoveragenten tegenover een politiecollega uitspraken hebben gedaan over bedreigingen die door hen bij de WOD-actie zijn geuit tegenover medeverdachte [medeverdachte 4] .
In de regiefase van dit strafproces is namens verdachte al initiatief genomen tot een ondervraging van journalist [naam 28] . Als gevolg daarvan heeft het hof bij tussenarrest van 14 maart 2024 de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris, met de volgende opdracht.
“Het hof stelt de stukken in handen van de raadsheer-commissaris met de volgende (halfopen) opdracht, waarbij af te nemen getuigenverhoren dienen plaats te vinden in onderstaande volgorde.
1. Journalist [naam 28] horen als getuige
Eerst dient journalist [naam 28] te worden gehoord als getuige. Dit getuigenverhoor strekt er onder meer toe dat de raadsheer-commissaris onderzoekt wat de mogelijkheden zijn om de bron van journalist [naam 28] te horen als getuige. Op dit moment is niet bekend wie de bron van journalist [naam 28] is en kan die persoon dus niet worden gehoord. De raadsheer-commissaris dient journalist [naam 28] te vragen naar de bereidheid van zijn bron om te worden gehoord als getuige (eventueel op een zodanige wijze dat de identiteit van de bron verborgen wordt gehouden voor anderen dan de raadsheer-commissaris).
2. De bron van [naam 28] horen als getuige
Indien de raadsheer-commissaris naar aanleiding van het verhoor van journalist [naam 28] van oordeel is dat er voldoende informatie is over de identiteit van de bron van journalist [naam 28] om die persoon te kunnen oproepen voor een getuigenverhoor, kan de raadsheer-commissaris beslissen dat die persoon vervolgens wordt gehoord als getuige. Het is ter beoordeling van de raadsheer-commissaris op welke wijze dit getuigenverhoor zal plaatsvinden.
3. WOD-agenten A-4341, A-4342, A-4343 en A-4344 horen als getuige
Tot slot dienen de vier genoemde WOD-agenten te worden gehoord als getuige.”
Naar aanleiding van deze opdracht is journalist [naam 28] op 11 september 2024 bij de raadsheer-commissaris gehoord als getuige. Tijdens dat verhoor heeft journalist [naam 28] zich (met toestemming van de raadsheer-commissaris) verschoond van de beantwoording van onder meer de volgende vragen.
‒ Moet het citaat in het onderhavige fragment van het boek zo worden geïnterpreteerd dat de bron van journalist [naam 28] tegen [naam 28] heeft gezegd dat één van de undercoveragenten heeft gezegd dat gepast geweld een eufemisme is en dat het dus gaat om een indirect citaat?
‒ Heeft [naam 28] de informatie van zijn bron (direct of indirect) gecheckt?
‒ Heeft de bron aan [naam 28] verteld waarom diegene contact heeft opgenomen met [naam 28] ?
‒ Ziet de bron zichzelf als klokkenluider?
‒ Hoe heeft [naam 28] de keuze gemaakt wat wel en niet in zijn boek is opgenomen (het hof begrijpt: in verband met de informatie die [naam 28] heeft verkregen van de onderhavige bron)?
‒ Wat heeft [naam 28] gehoord over de manier waarop [medeverdachte 4] met de dood is bedreigd.
Daarnaast heeft journalist [naam 28] zonder toestemming van de raadsheer-commissaris geen antwoord willen geven op de vraag of één bron voor journalist [naam 28] voldoende is om iets te publiceren of te schrijven.
Op 18 oktober 2024 zijn vervolgens WOD-agenten A-4341, A-4342, A-4343 en A-4344 bij de raadsheer-commissaris gehoord als getuige.
Op basis van het voorgaande overweegt het hof het volgende. Het fragment van het boek van journalist [naam 28] houdt in dat [naam 28] een bron heeft die informatie heeft over de mate van druk die op [medeverdachte 4] is uitgeoefend bij de WOD-actie van 29 december 2020. Naar het oordeel van het hof brengt dit mee dat verdachte belang heeft bij een ondervraging van die bron van journalist [naam 28] . De identiteit van die bron is echter niet bekend, waardoor die persoon niet kan worden gehoord. De relevantie van een (nieuwe) ondervraging van [naam 28] zou erin gelegen zijn dat [naam 28] informatie kan verstrekken over de identiteit van die bron. Uit het getuigenverhoor van 11 september 2024 blijkt echter dat journalist [naam 28] daartoe niet bereid is. Naar het oordeel van het hof komt journalist [naam 28] op dat punt het verschoningsrecht toe. Datzelfde geldt voor andere vragen waarvan de beantwoording eraan zou kunnen bijdragen dat de identiteit van de bron van journalist [naam 28] bekend wordt bij de deelnemers aan het strafproces. Mede gelet op de onderbouwing van het getuigenverzoek en de vragen die gesteld zijn tijdens het getuigenverhoor van 11 september 2024 is het hof niet gebleken dat de verdediging vragen wil stellen aan journalist [naam 28] die niet vallen onder het journalistieke verschoningsrecht en waarvan de beantwoording noodzakelijk is met het oog op de volledigheid van het onderzoek.
Concluderend is het hof van oordeel dat, voor zover de verdediging aan journalist [naam 28] vragen wil stellen die niet vallen onder het (journalistieke) verschoningsrecht van [naam 28] , een (nader) getuigenverhoor van journalist [naam 28] niet noodzakelijk is voor de volledigheid van het onderzoek.
3Bewijsoverwegingen
3.1.
Inleiding
Poging(en) tot afpersing van [fruitbedrijf] (Maldiven en Panter)
De tenlastelegging betreft grotendeels feiten die deel uitmaken van een langdurige poging tot afpersing van [fruitbedrijf] (hierna: [fruitbedrijf] ). Over die feiten gaan de politieonderzoeken Maldiven, Panter 1, Panter 2 en Panter 3.
Op 21 mei 2019 trof een medewerker van [fruitbedrijf] in een container met bananen een verdacht pakket aan. Daarop heeft [fruitbedrijf] de politie gebeld. Het bleek te gaan om een partij cocaïne van ongeveer 400 kilogram.
In de periode van 26 mei 2019 tot en met 3 juni 2019 ontving (één van de directeuren van) [fruitbedrijf] een reeks dreigende berichten met de strekking dat [fruitbedrijf] een geldbedrag of bitcoins moet betalen ter vergoeding van de schade die is geleden door het verlies van de partij cocaïne. Over deze dreigberichten gaat het politieonderzoek Maldiven.
In het kader van het onderzoek Maldiven is een personeelslijst van [fruitbedrijf] in het dossier gevoegd, met daarop namen en woonadressen van medewerkers en ex-medewerkers van het bedrijf. [verdachte] beschikte over die personeelslijst. Op verschillende adressen vermeld op die personeelslijst is vervolgens één of meer aanslagen gepleegd.
Politieonderzoek Panter 1 gaat onder meer over zeven woningaanslagen, gepleegd in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 25 november 2020, en over twee verijdelde woningaanslagen op hetzelfde adres in Hilversum in december 2020. Verder gaat Panter 1 over een volgende reeks dreigberichten, verstuurd in de periode van 26 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021, waarin wordt verwezen naar die woningaanslagen. Die aanslagen vonden plaats op een adres dat voorkomt op de personeelslijst of bij de woning van een familielid van de directeuren van [fruitbedrijf] .
Politieonderzoek Panter 2 gaat over vijf woningaanslagen die zijn gepleegd in de periode van 2 mei 2021 tot en met 5 juni 2021.
Conclusie
3.4.
Bewijsoverwegingen Panter 1 (parketnummer 05/780001-21 + 05/780029-21)
Het hof komt nu toe aan de beoordeling van de vraag door wie de (chronologisch en inhoudelijk met elkaar verweven) dreigberichten en aanslagen in Panter 1 zijn gepleegd en hoe die moeten worden gekwalificeerd. Daarbij is voor de beoordeling van dat wat verdachte wordt verweten als uitlokker van aanslagen relevant of hij ander(en) tot aanslagen heeft aangezet. Het hof zal evenwel eerst moeten vaststellen dat en door wie de ten laste gelegde aanslagen zijn gepleegd en onder welke strafbepalingen dat handelen valt. Daarna komt het hof toe aan de rol van verdachte.
3.4.1.
Standpunt van het OM
Poging tot afpersing
Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot afpersing (feit 1 onder parketnummer 05/780029-21). Volgens het openbaar ministerie is er voldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat verdachte de verzender (al dan niet in de vorm van medeplegen) is geweest van de telefoonberichten die naar [slachtoffer 1] zijn gestuurd.
Woningaanslagen cluster 1
Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot een vrijspraak van de ten laste gelegde uitlokking van een poging tot moord/doodslag/zware mishandeling in Rosmalen (feit 1 onder parketnummer 05/780001-21).
Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten die betrekking hebben op het uitlokken van de woningaanslagen die deel uitmaken van cluster 1. Het betreft de volgende onderdelen van de tenlastelegging:
‒ onder parketnummer 05/780001-21: feit 2 en
‒ onder parketnummer 05/780029-21: feit 2, 3, 4 en 5.
Woningaanslagen cluster 2
Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten die betrekking hebben op het uitlokken van de woningaanslagen die deel uitmaken van cluster 2. Het betreft de volgende onderdelen van de tenlastelegging:
‒ onder parketnummer 05/780001-21: feit 3, 4, 5 en 6.
Met betrekking tot het onder 3 en 5 tenlastegelegde heeft het openbaar ministerie het standpunt ingenomen dat de woningaanslag in zowel Kerkdriel (van 23 november 2020) als Hedel (van 25 november 2020) moet worden aangemerkt als een poging tot moord, waarvan [verdachte] telkens de uitlokker is geweest.
Verijdelde woningaanslagen aan de [straat 2] in Hilversum
Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 7 onder parketnummer 05/780001-21, voor zover inhoudend dat:
‒ [verdachte] samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een poging heeft gedaan tot het uitlokken van een aanslag op het adres [straat 2 huisnummer D] in Hilversum en
‒ [verdachte] de voorbereiding van een aanslag op het adres [straat 2 huisnummer D] in Hilversum heeft uitgelokt.
3.4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van deze feiten verschillende (bewijs)verweren gevoerd en geconcludeerd dat verdachte van alle feiten dient te worden vrijgesproken. Waar nodig zal het hof op die verweren hieronder ingaan.
3.4.3.
Oordeel van het hof
3.4.3.1. Inleiding
Zowel parketnummer 05/780001-21 als parketnummer 05/780029-21 heeft betrekking op incidenten die deel uitmaken van het onderzoek Panter 1. In het kort gaat het om een poging tot afpersing van [slachtoffer 1] in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021. Die poging tot afpersing bestond uit de combinatie van (dreigende) telefoonberichten en woningaanslagen, waaronder twee woningaanslagen die verijdeld zijn. De woningaanslagen zijn uitgevoerd door grofweg twee verschillende dadergroepen, waardoor de aanslagen als volgt kunnen worden geclusterd (met daarbij de pleegdatum en het (beoogde) pleegadres).
Cluster 1 (uitvoerders: onder meer [medeverdachte 3] )
‒
5 oktober 2020
:
[adres 4] in Tiel
‒
8 oktober 2020
:
[adres 7] in Breda
‒
11 oktober 2020
:
[adres 1] in Rosmalen
‒
28 oktober 2020
:
[adres 6] in Tiel
‒
4 november 2020
:
[adres 5] in Vlijmen
‒
20-21 december 2020
:
[straat 2 huisnummer D] in Hilversum (verijdeld)
Cluster 2 (uitvoerders: onder meer [naam 13] en [medeverdachte 5] )
‒
23 november 2020
:
[straat 1 huisnummer B] in Kerkdriel
‒
25 november 2020
:
[adres 3] in Hedel
‒
16-17 december 2020
:
[straat 2 huisnummer D] in Hilversum (verijdeld)
5 oktober 2020: aanslag in Tiel, [adres 4] (05/780029-21, feit 2)
Op 5 oktober 2020 heeft een ontploffing plaatsgevonden bij de woning op het adres [adres 4] in Tiel.
Conclusie
2] heeft gevoerd met [naam 17] en [naam 16] .
Telefoongesprekken
[naam 17] maakte gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer 28] ( [telefoonnummer 28] ).
20 april 2021: gesprek tussen [medeverdachte 10] en [naam 17] ( [telefoonnummer 28] )
[medeverdachte 10]
:
er is een (1) adje (= adres)
(...)
daar moet gewoon wat gebeuren broer, boei boeit niet wat
(...)
Broer als je deze torie doet broer, broer weet je wat uh niffo echt gewoon lype (= super / gave / te gekke) pap [het hof begrijpt: geld] wholla (= ik zweer het je) broer of stuur iemand broer er komt lype pap, ik zweer het je broer
[naam 17]
:
wat moet ik dan doen dan
[medeverdachte 10]
:
(...) zo’n torie naar binnen gooien broer (...)
of je stuurt een soldaat
(...)
als deze torie lukt, er zijn zo’n 12 andere tories die moeten eh lukken, ik ga een boy naar je sturen, hij gaat jou pap brengen
(...)
ik zeg tegen hem die eerste uh die eerste krijgt ie soort van van mij
(...)
pak gewoon uh zeg maar wat je wil pakken je weet toch en daarna eh als ik eh als ik free ben of eh als ik hier nog zit, er zijn nog 12 andere torrie's en daar krijg ie 5 of hoger per torie voor
(...)
broer je hoeft niet iets faja (= erg/moeilijk) of zo je kan gewoon, broer die uh “splash” die window, gooi eh gooi iets naar binnen je weet toch
21 april 2021: gesprek tussen [medeverdachte 10] en [naam 17] ( [telefoonnummer 28] )
[medeverdachte 10]
:
he ik heb die Atje/Adje [het hof begrijpt: adres]
[naam 17]
:
ja geef me die Atje/Adje
(...)
[medeverdachte 10]
:
[letter]
[naam 17]
:
[letter]
[medeverdachte 10]
:
(...) je hebt toch ruzie met twee boys?
[naam 17]
:
Ja
[medeverdachte 10]
:
Je hebt met (...) die werkt bij (...) heb je ruzie, maar je hebt ook die andere boy
[naam 17]
:
Ja
[medeverdachte 10]
:
(...) die andere boy, de eerste letter maar dan twee keer, zeg maar zijn voorletter twee keer, dus [letter] en dan twee keer
(...)
[naam 17]
:
Ja ik heb, oke
[medeverdachte 10]
:
En dan eeh [letter]
(...)
En dan (...) [letter]
[naam 17]
:
Ja
[medeverdachte 10]
:
[letter]
[naam 17]
:
[letter]
[medeverdachte 10]
:
[letter]
[naam 17]
:
[letter]
[medeverdachte 10]
:
(...) hoe oud ben jij?
[naam 17]
:
Ikke?
[medeverdachte 10]
:
Conclusie
De aanslagen vonden plaats op een adres dat voorkomt op de personeelslijst, of nabij een adres op de personeelslijst waarbij dat adres op de personeelslijst kennelijk het beoogde doelwit was.
Politieonderzoek Panter 3 gaat over een incident op 2 mei 2021 bij een woning op een adres dat voorkomt op de personeelslijst van [fruitbedrijf] .
Waar [verdachte] ten laste is gelegd dat hij betrokken is geweest bij woningaanslagen, wordt hem verweten dat hij daarvan de opdrachtgever (oftewel uitlokker) is geweest. De aanslagen zijn door anderen uitgevoerd.
Woningaanslag in Zaandam (Navigator)
Daarnaast betreft de tenlastelegging een woningaanslag in Zaandam, die plaatsvond op 22 september 2020 (parketnummer 05/780039-21A, feit 1). Daarover gaat het politieonderzoek Navigator. Dit incident staat los van de poging tot afpersing van [fruitbedrijf] .
Mortierbommen/shells
Bij een aantal aanslagen is een ontploffing teweeggebracht door middel van een mortierbom (ook wel ‘shell’ genoemd). Een mortierbom bestaat uit een onderdeel met uitstootlading en een onderdeel met effect- en/of breeklading. De uitstootlading is bedoeld om het onderdeel met effect- en/of breeklading de lucht in te schieten. Het hof leidt hieruit af dat het aansteken van een mortierbom in beginsel leidt tot twee explosies, doordat eerst de uitstootlading ontploft en daarna de effect- en/of breeklading.
Mortierbommen van 2,5 inch en groter kunnen botbreuken veroorzaken. Als een persoon aan het hoofd geraakt wordt, kan dodelijk letsel optreden. Het ontsteken van een mortierbom zonder gebruik te maken van een mortier zal tot gevolg hebben dat de mortierbom op de grond tot ontploffing komt. Afhankelijk van het kaliber van de mortierbom zullen de brandende delen en andere fragmenten tientallen tot enkele honderden meters worden weggeslingerd vanaf het centrum van de explosie. Mortierbommen zijn doorgaans voorzien van een krachtige breek- en/of knallading. Personen en objecten in de nabijheid van een dergelijke ontploffing lopen gevaar voor letsel en schade. De ernst van het letsel is afhankelijk van de plaats van treffen, de afstand tot het lichaamsdeel en het kaliber van de mortierbom. Als de breek- of knallading van een mortierbom ontploft in de onmiddellijke nabijheid van het hoofd, de nek of de romp van een onbeschermd persoon kan ernstig letsel ontstaan. Afhankelijk van de exacte plaats van treffen en het kaliber van de mortierbom kan dit letsel dodelijk zijn. Verder ontstaat op grotere afstand – afhankelijk van het kaliber en de afstand – gevaar voor onder meer gehoorbeschadiging en oogletsel.
3.2.
Bewijsoverwegingen Maldiven (parketnummer 05/880702-19)
3.2.1.
Standpunt van het OM
Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder dit parketnummer tenlastegelegde. Volgens het openbaar ministerie is er voldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat verdachte heeft geprobeerd (kort gezegd) [fruitbedrijf] af te persen en daarbij degene is die de sms-berichten heeft verstuurd.
3.2.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van de feiten verschillende (bewijs)verweren gevoerd en geconcludeerd dat verdachte van alle feiten dient te worden vrijgesproken. Waar nodig zal het hof op die verweren hieronder ingaan.
3.2.3.
Oordeel van het hof
[slachtoffer 1] en zijn broer [slachtoffer 2] waren ten tijde van het tenlastegelegde beiden directeur van [fruitbedrijf] . [slachtoffer 1] gebruikte het telefoonnummer [telefoonnummer 1] ( [telefoonnummer 1] ).
3.2.3.1. Poging tot afpersing 1 (26-30 mei 2019): onvoltooide geldoverdracht in Zaltbommel
26 mei 2019: telefoonnummer [telefoonnummer 2]
Op 26 mei 2019 omstreeks 18.30 uur ontving [slachtoffer 1] het volgende sms-bericht van telefoonnummer [telefoonnummer 2] ( [telefoonnummer 2] ).
BESTE [slachtoffer 1] , BIJ DEZE LATEN WIJ JOU WETEN DAT WE JOU EN BEN PERSOONLIJK AANSPRAKELIJK STELLEN VOOR HET VERLIES VAN ONZE HANDEL. JULLIE KRIJGEN EEN BOETE VAN 1,2 MILJOEN EURO. WIJ WETEN INMIDDELS VEEL OVER JULLIE FAMILIE. JE KRIJGT 3 DAGEN DE TIJD OM TE BESLISSEN. ALS ER NIET BETAALD WORDT ZULLEN WIJ OP KORTE TERMIJN EEN WILLEKEURIGE MEDEWERKER VAN [fruitbedrijf] LIQUIDEREN. NA ELKE AANSLAG VERHOGEN WE DE BOETE MET 150DUIZEND EURO. INDIEN WIJ MERKEN DAT JE DE POLITIE INLICHT ZULLEN WE DAT MET EXTREEM GEWELD BEANTWOORDEN. WIJ HEBBEN EEN HELE LANGE ADEM, EN DE POLITIE ZAL JE NIET EEUWIG BEWAKEN. DIT TOESTEL WORDT OM 18.50 VERNIETIGD. WOENSDAGAVOND SMSEN WIJ JOU MET EEN ANDER NR EN DAN KAN JE JULLIE BESLISSING SMSEN.
29 mei 2019: telefoonnummer [telefoonnummer 3]
Op 29 mei 2019 ontving [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) een sms-bericht van telefoonnummer [telefoonnummer 3] ( [telefoonnummer 3] ). Dat bericht vormde het begin van de volgende berichtenwisseling.
Tijdstip
Afzender
Bericht
15.20 uur
[telefoonnummer 3]
JE HEBT 18MIN OM PER SMS TE REAGEREN. GA JE BETALEN?
15.24
[slachtoffer 1]
We willen dit oplossen, hoe moeten we dit doen?
15.35
[telefoonnummer 3]
BETAAL JE?
15.37
[slachtoffer 1]
Hoe moeten we dat doen dan?
(...)
15.40
[telefoonnummer 3]
MORGEN KRIJG JE VERDERE INSTRUCTIES.
Conclusie
Aangever [slachtoffer 3] lag in die woning te slapen en werd omstreeks 01.15 uur wakker door een harde knal. De aangever is gaan kijken bij zijn auto (kenteken: [kenteken 5] ) en zag dat de kentekenplaat eraf was en dat de bumper aan de onderzijde loshing. Op beelden van een camera bij de voordeur van de woning zag de aangever een explosie voor zijn auto. De auto van de aangever stond op de oprit naast de schuur, met de achterzijde van de auto in de richting van de woning. De auto had schade bij de bumper aan de linker voorzijde. Ook was de voorruit van de auto gebarsten. Op de deur van de schuur is een beschadiging aangetroffen die er volgens de eigenaar van de woning nooit had gezeten.
Op camerabeelden is het volgende te zien. Om 01:11:39 uur passeerden twee personen de oprit van de woning, lopend in de richting van het aangrenzende perceel ( [adres] ). Om 01:16:40 uur kwamen deze personen vanuit die richting (opnieuw) in beeld van de camera bij de voordeur van de woning van de aangever. Om 01:17:20 uur vond een explosie plaats onder de voorzijde van de auto op de oprit.
Het adres van de aangever komt voor op de eerder genoemde personeelslijst van [fruitbedrijf] die in het onderzoek Maldiven in het dossier is gevoegd.
Uitvoerders ( [medeverdachte 3] , [naam 3] en [medeverdachte 4] )
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 3] en [naam 3] , alias ‘ [bijnaam] ’ (het hof begrijpt: [naam 3] ) betrokken is geweest bij deze aanslag. [medeverdachte 4] heeft verklaard bijna zeker te weten dat daar een ‘shell 3’ is gebruikt (het hof begrijpt: een mortierbom van drie inch). [medeverdachte 4] was door [medeverdachte 3] gevraagd en zou € 150,- krijgen voor zijn bijdrage aan de aanslag. [naam 3] is ook meegegaan. [medeverdachte 3] en [naam 3] hebben in de buurt van de woning gekeken, kwamen terug naar de auto en hebben de shell gepakt. Ze gaven aan waar [medeverdachte 4] met de auto moest wachten. Na het afsteken van de shell kwamen ze terug gerend en zijn ze ervandoor gegaan. In de auto onderweg naar Tiel spraken [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [naam 3] af hoe ze het zouden doen, hoe ze terug zouden rijden. [medeverdachte 3] was altijd degene die de shell aanstak en [naam 3] hield de buurt in de gaten. Aan [medeverdachte 4] zijn camerabeelden getoond die zijn gemaakt door de camera bij de voordeur van de woning en waarop twee personen te zien zijn. [medeverdachte 4] heeft die twee personen herkend als [medeverdachte 3] , op basis van de houding en schoenen, en [naam 3] , op basis van de jas.
Deze verklaring van [medeverdachte 4] vindt naar het oordeel van het hof steun in de volgende onderzoeksresultaten.
‒ Op de beelden van de camera bij de voordeur van de woning is te zien dat een [bijnaam 4] zes minuten vóór de ontploffing twee personen de oprit van de woning passeerden en dat een halve minuut vóór de ontploffing twee personen bij diezelfde oprit waren. Dit past bij de verklaring van [medeverdachte 4] dat [medeverdachte 3] en [naam 3] eerst de omgeving hebben verkend en daarna een shell tot ontploffing hebben gebracht.
‒ De Audi A1 met het kenteken [kenteken 6] , dat op naam stond van [medeverdachte 4] , is op 5 oktober 2020 om 01.40 uur geregistreerd door een ANPR-camera op de A27 bij Nieuwegein. De reistijd van de plaats van het misdrijf naar de locatie van die ANPR-registratie is ongeveer 24 minuten. Naar het oordeel van het hof komt dat grofweg overeen met de tijd tussen de aanslag en de ANPR-registratie.
‒ De telefoon van [naam 3] maakte op 5 oktober 2020 om 01.26 uur verbinding met de zendmast bij de locatie [adres] in Kapel-Avezaath. De afstand tussen die zendmast en het adres [adres 4] in Tiel was hemelsbreed ongeveer 3,94 kilometer. Mede op basis van de kaart op pagina 595 van procesdossier Panter 1 (map 3), waarop de locatie van die zendmast is weergegeven, en op basis van informatie ontleend aan Google Maps, is het hof van oordeel dat deze bevinding past bij het scenario waarin de uitvoerders van de aanslag direct daarna zijn vertrokken en over de A15 en de A2 naar de A27 zijn gereden.
Tussenconclusies
Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat [medeverdachte 3] , [naam 3] en [medeverdachte 4] tezamen en in vereniging een ontploffing teweeg hebben gebracht op het adres [adres 4] in Tiel en dat daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt.
Met het openbaar ministerie acht het hof niet bewezen dat door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is geweest.
8 oktober 2020: aanslag in Breda (05/780029-21, feit 5)
Op 8 oktober 2020 omstreeks 00.44 uur ging het alarm af in de woning op het adres [adres 7] in Breda. Op dat moment waren de volgende personen in die woning aanwezig: [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] . [slachtoffer 6] (zijnde de moeder van [slachtoffer 5] ), had (direct) voordat het alarm af ging twee knallen gehoord. [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] zagen iets roods flikkeren in de tuin.
De politie heeft ter plaatse forensisch onderzoek verricht, dat onder meer de volgende bevindingen heeft opgeleverd. Achter de achtertuin van de woning lag een brandgang met daarachter braakliggend terrein. In de brandgang lagen (stukken van) een label met daarop de tekst ‘SHELL DANGEROUS EXPLOSIVES’. Ook werd in de brandgang een deel van een shell aangetroffen. In de tuin van de woning lag een zeil van kunststof, dat gedeeltelijk verbrand was. De politie verbond aan haar bevindingen de conclusie dat een shell is afgestoken die deels in de brandgang en deels in de achtertuin terecht is gekomen.
[slachtoffer 5] is een dochter van [slachtoffer 1] , die directeur was van [fruitbedrijf] . Het adres [adres 7] in Breda staat niet op de eerder genoemde personeelslijst van [fruitbedrijf] . Op 3 december 2019 is tijdens een doorzoeking van de cel van [verdachte] in [P.I. 3] een boek aangetroffen waarop met pen het volgende is aangetekend.
[adres 7]
Breda
[verdachte] heeft verklaard dat hij dat adres daar zelf op heeft geschreven.
Uitvoerders ( [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] )
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij bij de locatie is geweest waar de aanslag heeft plaatsgevonden. Hij was daar samen met [medeverdachte 3] , die daar een shell in de achtertuin heeft laten ontploffen. Verder was er niemand bij. Het betrof een shell van 6 inch. [medeverdachte 4] heeft toen gereden. [medeverdachte 3] is via een gat in de muur via een braakliggend terrein bij de achtertuin gekomen. Zowel [medeverdachte 4] als [medeverdachte 3] zou € 150,- krijgen voor de aanslag. [medeverdachte 3] had een briefje ontvangen met daarop het adres waar de aanslag moest plaatsvinden. [medeverdachte 3] had ook de shell ontvangen.
Deze verklaring van [medeverdachte 4] vindt naar het oordeel van het hof steun in de volgende onderzoeksresultaten.
‒ Wat betreft het gebruikte explosief: op de plaats van het misdrijf is een deel van een shell aangetroffen, alsmede (stukken van) een label met daarop de tekst ‘SHELL DANGEROUS EXPLOSIVES’.
‒ Wat betreft de plaats van het misdrijf: achter de achtertuin van de woning lag een brandgang en daarachter braakliggend terrein.
‒ Getuige [getuige 1] was kort na de explosie nabij de plaats van het misdrijf en vernam daar van een man dat diegene een jongen had zien rennen en zien instappen in een zwarte Audi die hard wegreed.
Conclusie
(...) dat weet je toch?
[naam 17]
:
ja
[medeverdachte 10]
:
Nou dat is die nummer
22 april 2021: gesprek tussen [medeverdachte 10] en [naam 17] ( [telefoonnummer 28] )
[naam 17] vertelt over [bijnaam] [fonetisch] (...)
(...)
[medeverdachte 10]
:
zegt tegen die [bijnaam] , niffo, zeg tegen hem weet je zeker, heb je alles loeso [fonetisch, =weg]?
[naam 17]
:
ik heb hem zelf gesproken, hij komt vandaag langs
[medeverdachte 10]
:
broer, niffo, overal kan microfoon zijn (...)
[naam 17]
:
kanker faya [=heet] man, maar ik ga die torie wel met hem doen man
[medeverdachte 10]
:
he?
[naam 17]
:
ik ga die torie met hem doen
[medeverdachte 10]
:
die torie is echt gewoon noodzaak, echt noodzaak anders ben ik echt geneukt he niffo
(...)
[naam 17]
:
maar faka [=wat dan] is deze [fonetisch] osso [=huis] (...)
[medeverdachte 10]
:
(...) maar niffo ga geen domme dingen doen he neffo, telly’s [= telefoons] mattie uit, snap je wat ik bedoel of niet?
[naam 17]
:
oke
[medeverdachte 10]
:
neffo, die torie heeft echt snelheid nodig
(...)
[naam 17]
:
ik probeer deze uh, he [naam 16] weet ervan. (...) als [bijnaam] [fonetisch] met hem meegaat, gaat hij mee
24 april 2021: gesprek tussen [medeverdachte 10] en [naam 17] ( [telefoonnummer 28] )
[medeverdachte 10] zegt dat die tori sowieso snel moet
[medeverdachte 10]
:
(...) kijk, het beste is: splash je die tori. En dan pas gooi je die ding. Snap je?
[naam 17]
:
ja, oke is goed
[medeverdachte 10]
:
of plak hem aan een/iets van een tori (...)
[naam 17]
:
een/zo’n muur. Gewoon na/naast die (...) raam
[medeverdachte 10]
:
nee, nee, plak hem aan (...) bij cobra
[naam 17]
:
die baksteen?
[medeverdachte 10]
:
(...) je weet toch, benzine
[naam 17]
:
ah, ja toch, ja toch
[medeverdachte 10]
:
Snap je? Plak hem aan een [bijnaam 4] liter of zo.
Conclusie
DIT TOESTEL WORDT NU VERNIETIGD
15.42
[slachtoffer 1]
Ja ik begrijp dat hoe houden we contact
15.44
[slachtoffer 1]
We hebben 150.000 euro liggen ik wil hier vanaf
15.46
[telefoonnummer 3]
MORGEN BENADER IK JE
15.49
[slachtoffer 1]
Oké hoe laat. Ik kan niet hele dag wachten hierop. Ik ben onderweg morgen
15:53:19
[slachtoffer 1]
Ik lever vandaag het geld
15:53:38
[slachtoffer 1]
Liever vandaag
(...)
15.57
[slachtoffer 1]
Laat me iets weten
16.23
[slachtoffer 1]
Ik begrijp dat je nu geen interesse hebt in 150.000. Om 18.00 uur moet we het afstortten en hebben het niet meer.
29-30 mei 2019: telefoonnummer [telefoonnummer 4] en de (onvoltooide) geldoverdracht
Op 29 mei 2019 ontving [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) een sms-bericht van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] ( [telefoonnummer 4] ). Dat bericht vormde het begin van de volgende berichtenwisseling.
Tijdstip
Afzender
Bericht
29 mei 2019
18.25 uur
[telefoonnummer 4]
jullie betalen 150 duizend en wij gebruiken eenmalg jullie route voor 900kilo. hebben we een deal?
18.34
[telefoonnummer 4]
8min dan gaat dit toestel uit
18.41
[slachtoffer 1]
Ik wil bellen met je
18.44
[telefoonnummer 4]
als je ons naait, zet je het leven van je dochter in, bellen gaat niet
18.57
[slachtoffer 1]
150000 is oké! Met dat ander wil ik niets te maken hebben!
19.17
[telefoonnummer 4]
kom het geld morgen naar amsterdam brengen , akkoord?
19.22
[slachtoffer 1]
150.000 euro vanavond, ik wil dat het klaar is
19.24
[telefoonnummer 4]
morgen, ik stuur een junkie om het te halen
19:32:00
[telefoonnummer 4]
Je moet wel lang nadenken he
19:32:32
[slachtoffer 1]
Vanavond! En anders pas maandag, ik ben het hemelvaartsweekend weg
19.40
[telefoonnummer 4]
ik contacteer je rond 22uur dan stuur ik ze naar je toe
19.43
[slachtoffer 1]
Niet naar mijn huis, ik zoek nu even een plek
19:46:40
[slachtoffer 1]
Van der Valk Zaltbommel is in de buurt
19:46:41
[telefoonnummer 4]
locatie krijg je vanavond, als ze in de val lopen lig ik er niet wakker van, maar jullie wel,
20.36
[telefoonnummer 4]
rond 23,15 staat er iemand bij de afgesproken plek
20.42
[slachtoffer 1]
Dan zorg ik dat het geld in Zaltbommel is
20.46
[telefoonnummer 4]
niet praten met die persoon’, geld afgeven en weggaan, zij weten n
Conclusie
Deze waarneming past bij de verklaring van [medeverdachte 4] dat de aanslag door één persoon is gepleegd (en dat [medeverdachte 4] zelf als chauffeur betrokken is geweest). Daar komt bij dat [medeverdachte 4] gebruikmaakte van een zwarte Audi.
‒ De auto van [medeverdachte 4] is op 5 oktober 2020 om 01.07 uur geregistreerd door een ANPR-camera op de A27 bij Meerkerk. De reistijd van de plaats van het misdrijf naar de locatie van die ANPR-registratie is ongeveer 29 minuten. Naar het oordeel van het hof komt dat grofweg overeen met de tijd tussen de aanslag en de ANPR-registratie.
Tussenconclusies
Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] – gelet op het onderling gecoördineerde optreden van beiden en de gelijke beloning die zij zouden ontvangen: tezamen en in vereniging – een ontploffing teweeg hebben gebracht op het adres [adres 7] in Breda en dat daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt.
Met het openbaar ministerie acht het hof niet bewezen dat door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is geweest.
11 oktober 2020: aanslag in Rosmalen (05/780001-21, feit 1 en 2)
Op 11 oktober 2020 omstreeks 00.30 uur hoorden de bewoners van de woning op het adres [adres 1] in Rosmalen een harde knal en glasgerinkel. Die bewoners, [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] , zijn beneden gaan kijken en zagen dat de gang en het toilet vol rook stonden, dat het toiletraam ontzet was en dat zowel het [bijnaam 4] raam boven de voordeur als het toiletraam rechts van de voordeur eruit lag. Ook stond op dat moment volgens [slachtoffer 8] de voordeur aan de bovenzijde een stukje open. Bij de voordeur was de grond helemaal zwart. Op camerabeelden is te zien dat op 11 oktober 2020 om 00.32 uur een ontploffing heeft plaatsgevonden in de [adres] in Rosmalen. De politie heeft vóór de woning op meerdere plaatsen restanten van vuurwerk aangetroffen, waarbij het ging om vuurwerkrestanten afkomstig van een shell. Getuige [getuige 2] , buurman van [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] , stond binnen twee minuten na de knal buiten en zag dat de bak met paraplu’s in brand stond. Die bak met paraplu’s stond buiten naast de voordeur van de woning.
Het adres van de woning waar de aanslag is gepleegd, komt voor op de eerder genoemde personeelslijst van [fruitbedrijf] die in het onderzoek Maldiven in het dossier is gevoegd.
Uitvoerders ( [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] )
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij bij een aanslag in Rosmalen is geweest. ‘ [medeverdachte 3] ’ (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 3] ) was daar ook bij. Verder heeft [medeverdachte 4] verklaard dat hij bij een rit is geweest waarbij ze met vier personen waren: [medeverdachte 4] zelf, ‘ [medeverdachte 3] ’ ( [medeverdachte 3] ), [naam 1] en [naam 2] . [naam 1] was de bestuurder en zijn auto werd gebruikt. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zijn de auto uit gegaan. [naam 2] bleef bij [naam 1] in de auto. [medeverdachte 3] stak bij de woning een shell van drie inch aan. [medeverdachte 4] stond op de uitkijk. De aanslag vond plaats in de buurt van een tankstation. Gelet op de hieronder nader genoemde verklaring van [naam 1] , betreft de rit waarover [medeverdachte 4] in dit verband heeft verklaard een rit voor de aanslag in Rosmalen.
Deze verklaring van [medeverdachte 4] vindt naar het oordeel van het hof steun in de volgende onderzoeksresultaten.
‒ Op de vuurwerkrestanten die bij de woning zijn aangetroffen, is een dactyloscopisch spoor gevonden. De politie heeft met dat spoor een vergelijkend onderzoek verricht. De uitkomst daarvan was dat zowel een zeer grote mate van overeenkomst als de afwezigheid van onverklaarbare verschillen is geconstateerd tussen het onderzochte spoor en een dactyloscopisch spoor van medeverdachte [medeverdachte 3] . Het desbetreffende rapport houdt verder in dat deze bevindingen geheel in de lijn der verwachting zijn indien het aangetroffen spoor afkomstig is van de donor van het referentiespoor (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) en dat de kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een vergelijking met een spoor van een willekeurig ander persoon verwaarloosbaar klein is.
‒ [naam 2] heeft verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [naam 1] ergens naartoe ging en dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] toen uit de auto zijn gestapt. Dat was niet in [plaats] , maar verder weg.
‒ [naam 1] heeft verklaard dat een vuurwerkbom is gegooid bij een woning in Rosmalen. [naam 1] heeft [medeverdachte 3] daar toen afgezet. Ook [medeverdachte 4] en [naam 2] waren daarbij. [medeverdachte 3] had [naam 1] gevraagd hem ergens af te zetten. [medeverdachte 4] had niets bij zich. [medeverdachte 3] had een rugzak bij zich. [medeverdachte 3] typte op de heenweg het adres in. Op enig moment is [medeverdachte 3] door [naam 1] afgezet bij een tankstation. [naam 1] heeft [medeverdachte 3] daar later weer opgepikt. Toen [medeverdachte 3] uit de auto ging, nam hij zijn rugzak mee. Ook [medeverdachte 4] is even uit de auto geweest.
‒ In de periode van 17 mei 2020 tot 11 maart 2021 stond een auto met het kenteken [kenteken 7] op naam van [naam 1] . Een auto met het kenteken [kenteken 7] is op 11 oktober 2020 om 00.56 uur geregistreerd door een ANPR-camera op de A27 bij Nieuwegein. De reistijd van de plaats van het misdrijf naar de locatie van die ANPR-registratie is ongeveer 27 minuten. Naar het oordeel van het hof komt dat grofweg overeen met de tijd tussen de aanslag en de ANPR-registratie.
‒ [medeverdachte 4] maakte gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer 10] ( [telefoonnummer 10] ) en uit de historische verkeersgegevens van dat nummer is op te maken dat er net voor de aanslag (om 00:17 uur) een inkomend gesprek van de telefoon van [medeverdachte 2] ( [telefoonnummer 26] ) binnenkomt met een duur van 4 seconden. De volgende registratie van het toestel dat gekoppeld is aan de telefoon van [medeverdachte 4] ( [telefoonnummer 10] ) is een uitgaand gesprek om 00:39 uur met een duur van 118 seconden naar de telefoon van [medeverdachte 2] ( [telefoonnummer 26] ). Dit telefonisch contact vindt 9 minuten na de aanslag plaats. Het toestel van [medeverdachte 4] bevindt zich op dat moment onder het bereik van een zendmast aan [straat] te Velddriel. Op basis van informatie ontleend aan Google Maps is de afstand tussen het adres waarop de aanslag is gepleegd en de locatie van het toestel van [medeverdachte 4] 11,6 kilometer, met een reistijd van 10 minuten. Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte 4] kort voor en na de aanslag contact heeft gehad met [medeverdachte 2] om informatie over de aanslag te delen en een terugkoppeling te geven.
Tussenconclusies
Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] – gelet op het feit dat zij zich samen naar de plaats delict hebben laten brengen en daar met het kennelijke doel van het laten plaatsvinden van een aanslag samen uit de auto zijn gestapt: tezamen en in vereniging – een ontploffing teweeg hebben gebracht bij de woning op het adres [adres 1] in Rosmalen. Hierbij stelt het hof vast dat de gebruikte mortierbom/shell van drie inch tot ontploffing is gekomen bij de voordeur van die woning, wat het hof afleidt uit het gegeven dat de grond helemaal zwart was bij de voordeur en uit de schade aan het raam boven de voordeur en aan het toiletraam naast de voordeur.
Naar het oordeel van het hof is door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest.
Conclusie
Nou splash die tori, en gooi of plak hem tegen die window
[naam 17] zegt dat hij gaat kijken waar hij zulke tori’s kan halen
[medeverdachte 10] zegt dat die tori echt voor dinsdag, woensdag moet
(...)
[naam 17] zegt dat het goedkomt en dat hij het voor maandag gaat regelen
25 april 2021: gesprek tussen [medeverdachte 10] en [naam 17] ( [telefoonnummer 28] )
[medeverdachte 10]
:
Broer is het zeker he?
[naam 17]
:
100% geloof me
[medeverdachte 10]
:
Niffo jullie moeten snel snel loezoe he! [snel weggaan/vertrekken]
[naam 17]
:
Ja komt goed, waggie [auto] is al geregeld alles
[medeverdachte 10]
:
En wat gaat he met wat gaan jullie?
[naam 17]
:
Met waggie
[medeverdachte 10]
:
Is goed! Soldaten echt soldaten matti! Gelijk loezoe. Heb je de torry’s al geregeld?
[naam 17]
:
Ja eh [naam 16] heeft een waggie geregeld en die andere torry wordt deze avond geregeld.
[medeverdachte 10]
:
Broer alstublieft regel die torry snel! Niffo en gelijk loezoe. Maar wie gaat blazen?
[naam 17]
:
Ehhhh ik of [naam 16] man of [naam 19]
(...)
[medeverdachte 10]
:
je weet die adje?
[naam 17]
:
Ja ja
(...)
[medeverdachte 10]
:
Wat is de laatste letter?
(...)
[naam 17]
:
[letter]
[medeverdachte 10]
:
Ja en dan zeg maar die een na laatste letter?
(...)
[naam 17]
:
[letter]
[medeverdachte 10]
:
Ja toch (...).
Conclusie
iet waar het geld van is
20.49
[slachtoffer 1]
Ik zet daar een auto van de zaak neer met de deuren open en het geld op de achterbank
(...)
22.58
[slachtoffer 1]
De auto staat eral
(...)
22.59
[telefoonnummer 4]
stuur mij het kenteken
23:01:25
[slachtoffer 1]
[kenteken 1]
21:01:55
[slachtoffer 1]
Staat naast de valk bij [bedrijf]
23.02
[slachtoffer 1]
De valk was druk
23.04
[telefoonnummer 4]
jij bent niet de persoon die deze auto bracht, wie was dat?
23.05
[slachtoffer 1]
Klopt, was een vriend van me
23.07
[telefoonnummer 4]
je hebt een probleem
23.08
[slachtoffer 1]
Waarom? Ik heb me aan de afspraak gehouden, geld ligt erin
23.10
[telefoonnummer 4]
er is recherche
(...)
23.13
[slachtoffer 1]
Ik heb me aan de afspraak gehouden, hoe serieus neem je mij?
23.15
[telefoonnummer 4]
je kent de gevolgen, parkeer voor de ingang van valk
23.16
[slachtoffer 1]
Ik ben daar niet, auto staat er echt en hij is open
23.21
[telefoonnummer 4]
geregeld, ze zijn er met een ruim half uur
(...)
23.33
[telefoonnummer 4]
laat ze de auto nu voor valk parkeren
23.36
[slachtoffer 1]
Jij wilde toch geen contact? Ik ook niet, de auto staat daar gewoon naast de Valk
23.38
[telefoonnummer 4]
ze gaan je bellen als ze er bijna zijn
(...)
30 mei 2019
00.16
[telefoonnummer 4]
ze kunnen er elk moment zijn
(...)
00.28
[slachtoffer 1]
Waar blijft hij?
00.38
[telefoonnummer 4]
ze vertrouwen het niet dus gaat niet door vandaag
00.41
[slachtoffer 1]
Nou dan niet, dan laat ik de auto ophalen
(...)
00.43
[telefoonnummer 4]
doe dat je krijgt rekeoing [het hof begrijpt: rekening] waar je op mag storten mogen
Op 30 mei 2019 omstreeks 00.05 uur reed een groene bestelauto met het kenteken [kenteken 2] een parkeerplaats van het Van der Valk-hotel in Zaltbommel op. De bestuurder van de auto was een vrouw, de bijrijder een man. Het voertuig scheen met de koplampverlichting in de richting van de ter plaatse aanwezige ambtenaren van de marechaussee. Een van de ambtenaren had oogcontact met de bijrijder. Het voertuig reed van de parkeerplaats af en reed weg.
Conclusie
Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt.
Daarnaast is het hof van oordeel dat door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor de personen die tijdens de ontploffing in die woning aanwezig waren. Ter onderbouwing van dit oordeel overweegt het hof het volgende. De uitvoerders van de aanslag hebben bij de voordeur van een woning een mortierbom van drie inch tot ontploffing gebracht. Die mortierbom was kennelijk krachtig genoeg om het raam boven de deur te doen breken en om het toiletraam naast de voordeur en de deur zelf te ontzetten. Tijdens de ontploffing waren in de woning mensen aanwezig. Naar het oordeel van het hof was het in de gegeven omstandigheden een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de ontploffing zou plaatsvinden terwijl een van de bewoners zich nabij de voordeur zou bevinden of dat door de ontploffing in de woning brand zou zijn ontstaan. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat een ontploffing van een mortierbom in het algemeen tot gevolg heeft dat brandende delen worden weggeslingerd en dat in dit geval door de ontploffing ook brand is ontstaan in een bak met paraplu’s die naast de voordeur van de woning stond. Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat het ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat door die ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten zou zijn.
Vrijspraak van feit 1 (poging tot moord/doodslag/zware mishandeling)
Met het openbaar ministerie acht het hof niet bewezen dat de ontploffing kan worden aangemerkt als een poging tot moord, doodslag of zware mishandeling (al dan niet met voorbedachte raad). Om die reden spreekt het hof verdachte vrij van feit 1 onder parketnummer 05/780001-21).
26 oktober 2020: sms-berichten (telefoonnummer [telefoonnummer 11] )
Op 26 oktober 2020 ontving [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) tussen 22.09 en 22.20 uur sms-berichten van telefoonnummer [telefoonnummer 11] ( [telefoonnummer 11] ). Die berichten maakten deel uit van de volgende berichtenwisseling.
Afzender
Bericht
[telefoonnummer 11]
[slachtoffer 1] , MOETEN WE DOORGAAN MET AANSLAGEN PLEGEN? OF BETAAL JE? IK HEB JE TOCH GEZEGD DAT JULLIE NOOIT ZULLEN RUSTEN? JE HEBT 10 MIN VOOR EEN REACTIE.
[slachtoffer 1]
Wat willen jullie?
[telefoonnummer 11]
MIJN GELD
[slachtoffer 1]
Hoe en wat
[telefoonnummer 11]
TWEE MILJOEN IN BITCOIN. KOOP ZE IN DAN KRIJG JE LATER EEN ACCOUNT WAAR HET HEEN KAN
[slachtoffer 1]
Ik weet niet hoe dat met bitcoins werkt man
Het hof leidt uit het voorgaande af dat [slachtoffer 1] op 26 oktober 2020 sms-berichten ontving waarin wordt verwezen naar het plegen van aanslagen, nadat eerder die maand driemaal een aanslag was gepleegd ofwel bij iemand van wie het adres voorkomt op de personeelslijst van [fruitbedrijf] ofwel bij een familielid van de directeuren van [fruitbedrijf] . Naar het oordeel van het hof vormt dit een aanwijzing dat deze berichten (direct of indirect) afkomstig waren van de opdrachtgever van die woningaanslagen. Verder is het hof van oordeel dat deze berichten inhoudelijk in het verlengde liggen van de berichten die [slachtoffer 1] heeft ontvangen in de periode van 26 mei 2019 tot en met 3 juni 2019 (onderzoek Maldiven).
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 11] ) straalde op 26 oktober 2020 op de volgende tijdstippen de zendmasten aan bij de volgende adressen:
‒ om 22:06:21 uur: [adres] in [plaats] ;
‒ om 22:12:25 uur: [adres] in [plaats] .
[verdachte] heeft verklaard dat hij gebruikmaakte van telefoonnummer [telefoonnummer 12] . De meest gebruikte zendmasten door (de telefoon van) [verdachte] in de periode van 20 juni 2020 tot en met 6 januari 2021 waren zendmasten in [plaats] en [plaats] .
28 oktober 2020: aanslag in Tiel, [straat 4] (05/780029-21, feit 4)
Op camerabeelden van de bewoner van de woning op het adres [straat 4] 11 in Tiel is te zien dat in de nacht van 28 oktober 2020 een explosie heeft plaatsgevonden in de [straat 4] in Tiel. In de nacht van 28 oktober 2020 had de politie omstreeks 00.30 uur een melding ontvangen van buurtbewoners die een harde knal hadden gehoord. Op de parkeerplaats, gelegen aan de voorzijde van de woning op het perceel, waar in de nacht van 28 oktober 2020 de auto van de bewoners van perceel 13 had gestaan, was een roetplek zichtbaar op de tegels. Rondom de parkeerplaats en voorzijde van de woning op perceel 13 lag onder meer een stuk karton met daarop een etiket met daarop de tekst ‘SHELL DANGEROUS EXPLOSIVE’. De bewoner van de woning op perceel 13, [benadeelde partij 2] , heeft op 28 oktober 2020 omstreeks 17.30 uur lakschade op het dak en op de zijkant van haar auto waargenomen.
Het adres van de woning waar de aanslag is gepleegd, komt voor op de eerder genoemde personeelslijst van [fruitbedrijf] die in het onderzoek Maldiven in het dossier is gevoegd.
Uitvoerders ( [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] )
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 3] betrokken is geweest bij deze aanslag. [medeverdachte 4] reed en [medeverdachte 3] stak de shell aan.
Deze verklaring van [medeverdachte 4] vindt naar het oordeel van het hof steun in de volgende onderzoeksresultaten.
‒ Op de camerabeelden van de bewoner van de woning op het adres [straat 4] 11 in Tiel is te zien dat een man vanuit de richting van de [straat] met een zwarte tas in zijn hand in de richting liep van de plaats van het misdrijf. Die man verdwijnt heel kort uit beeld en daarna is te zien dat die man, inmiddels zonder tas, hard wegrende in de richting van de [straat] . Enkele seconden later vond een [bijnaam 4] explosie plaats, na zes seconden gevolgd door een enorme explosie die gepaard ging met een grote vuurzee.
Conclusie
En die stad zeg maar met welke letter begint het?
(...)
Met welke letter begint die stad? of plaats je weet toch
(...)
[naam 17]
:
[letter]
[medeverdachte 10]
:
Ja toch oké is goed soldaat
[naam 17]
:
Ja toch en laatste letter [letter]
[medeverdachte 10]
:
Ja
(...)
[naam 17]
:
Is goed in ieder geval morgen
[medeverdachte 10]
:
In ieder geval eh ja man soldaten man! He RUWEN [=geweld gebruiken / chaos veroorzaken] HE! SPLANSHA (Klappen geven) en dan naar binnen!
[naam 17]
:
Ja toch
[medeverdachte 10]
:
Broer dat moet! Anders gaat niks opleveren! Anders gaat ie [het hof begrijpt: niet] eens bang worden snap je
(...)
[naam 17]
:
Of alleen RUWEN binnen in de OSSO [geweld gebruiken/chaos creëren binnen het huis]
[medeverdachte 10]
:
Broer Splanstha (klap) in die window, die raam
(...)
en dan gooi die torry naar binnen
[naam 17]
:
Oké is goed
(...)
[medeverdachte 10]
:
Gewoon met die torry’s BAM!!
[naam 17]
:
Ja, is goed
[medeverdachte 10]
:
Gewoon boeit mij niet (...) als die torry’s van hem helemaal loezo [weggeblazen] als die OSSO van hun loezoe boeit mij niet wollah
27 april 2021: gesprek tussen [medeverdachte 10] en [naam 17] ( [telefoonnummer 28] )
[naam 17]
:
ik heb ook [naam 16] zijn nummer.
Conclusie
De auto met het kenteken [kenteken 2] werd uiteindelijk geparkeerd op de [straat 3] in Hilversum ter hoogte van perceel [huisnummer E] .
Op 29 en 30 mei 2019 vond de volgende sms-berichtenwisseling plaats tussen de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 4] ) en het telefoonnummer [telefoonnummer 5] ( [telefoonnummer 5] ).
Tijdstip
Afzender
Bericht
29 mei 2019
23.25 uur
[telefoonnummer 4]
sms als jullie bij hotel zijn
(...)
23.30
[telefoonnummer 4]
[kenteken 1] dat is kenteken
23.36
[telefoonnummer 4]
[telefoonnummer 1] bel dit nr als je er bijna bent
(...)
30 mei 2019
00.25 uur
[telefoonnummer 5]
Sorry ik kon het niet!!! Ik ben al op de terug weg !
Op 30 mei 2019 omstreeks 00.00 uur werd met het telefoonnummer [telefoonnummer 5] telefonisch contact opgenomen met [slachtoffer 1] . De gebruiker van [telefoonnummer 5] zei in dat gesprek onder meer: ‘ik moest jou bellen als ik er bijna was’.
Het telefoonnummer [telefoonnummer 5] stond op naam van [naam 4] , die stond ingeschreven op het adres [straat 3 huisnummer E] in Hilversum. [naam 4] (het hof begrijpt: [naam 4] ) was in die periode de vriendin van [naam 5] .
[naam 5] heeft verklaard dat iemand hem had verzocht om tegen betaling ergens heen te rijden om geld op te halen. Op 29 mei 2019 zei [naam 5] tegen [naam 4] dat zij mee moest om wat op te halen. [naam 5] moest naar het Van der Valk-hotel in Zaltbommel rijden om geld op te halen. Hij en [naam 4] zaten samen in de auto. In de auto heeft [naam 5] via de telefoon van [naam 4] contact gehad met de persoon die hem had gevraagd geld op te halen.
Tussenconclusies
Het hof komt op basis van het voorgaande tot de volgende tussenconclusies.
In de periode van 26 mei 2019 tot en met 30 mei 2019 is een (eerste) poging gedaan tot afpersing van (kort gezegd) [slachtoffer 1] . De afperser heeft geprobeerd door middel van dreigende sms-berichten [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag.
De dreigberichten naar [slachtoffer 1] zijn verstuurd door middel van verschillende telefoonnummers, maar afkomstig van dezelfde afperser. Dit oordeel baseert het hof op de overweging dat die berichten een samenhangend geheel vormen. Zo deed [slachtoffer 1] op 29 mei 2019 in een bericht aan telefoonnummer [telefoonnummer 3] het voorstel om een geldbedrag van € 150.000,- te betalen en werd vervolgens op dat voorstel gereageerd door middel van telefoonnummer [telefoonnummer 4] .
De afperser en [slachtoffer 1] hadden afgesproken dat de geldoverdracht zou plaatsvinden op 29 mei 2019 om 23.15 uur bij het Van der Valk-hotel in Zaltbommel.
[naam 5] en [naam 4] zijn met de auto naar dat hotel gereden en kwamen daar aan op 30 mei 2019 omstreeks 00.05 uur. [naam 4] bestuurde de auto en [naam 5] had door middel van de telefoon van [naam 4] contact met zowel de afperser als met [slachtoffer 1] .
[naam 5] was door de afperser gevraagd om naar het Van der Valk-hotel te rijden om daar geld op te halen. Dit leidt het hof af uit het gegeven dat [naam 5] tijdens de autorit via de telefoon van [naam 4] contact heeft gehad met de afperser ( [telefoonnummer 4] ) en [naam 5] heeft verklaard in de auto via de telefoon van [naam 4] contact te hebben gehad met de persoon die hem had gevraagd geld op te halen.
Kort nadat [naam 5] en [naam 4] de parkeerplaats bij het hotel waren opgereden, verlieten zij de parkeerplaats weer en reden zij weg van het hotel. De geldoverdracht heeft niet plaatsgevonden.
3.2.3.2. Contact tussen [verdachte] en [naam 5]
[verdachte] heeft verklaard dat [naam 5] een goede vriend van hem is.
Op 29 mei 2019 omstreeks 20.31 uur vond een WhatsApp-gesprek van drie minuten en dertien seconden plaats tussen [verdachte] en [naam 5] .
[naam 5] heeft verklaard dat hij ‘die woensdag’ (het hof begrijpt: 29 mei 2019) omstreeks 23.00 uur klaar was met werken en dat [verdachte] hem toen met de auto heeft opgepikt en daarna heeft afgezet bij [naam 4] . [naam 5] heeft niet verklaard dat er naast hemzelf en [verdachte] nog een derde persoon in de auto zat.
[naam 5] werkte bij restaurant [restaurant] , op het adres [adres] in Hilversum. Volgens Google Maps is de reisafstand met de auto tussen [restaurant] en de woning van [naam 4] ( [straat 3 huisnummer E] in Hilversum) ongeveer vijf minuten.
Op 29 mei 2019 om 23:05:01 uur straalde de telefoon van [naam 4] (telefoonnummer [telefoonnummer 5] ) de zendmast aan bij het adres [adres 15] in Hilversum. Volgens Google Maps is de hemelsbrede afstand tussen dat adres en de woning van [naam 4] ( [straat 3 huisnummer E] in Hilversum) ongeveer 400 meter. Het hof leidt hieruit af dat de woning van [naam 4] gelegen is binnen het dekkingsgebied van die zendmast.
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 4] ) straalde op 29 mei 2019 tussen 23.04:51 en 23:05:29 uur dezelfde zendmast aan bij het adres [adres 15] in Hilversum.
Het hof komt op basis van het voorgaande tot de volgende (tussen)conclusies.
[naam 5] , zijnde degene die op verzoek van de afperser naar het Van der Valk-hotel in Zaltbommel is gegaan om geld op te halen, is een bekende van [verdachte] .
Het benaderen van [naam 5] met de vraag om geld op te halen bij het Van der Valk-hotel in Zaltbommel, heeft plaatsgevonden tussen 29 mei 2019 om 19.46 uur, zijnde het tijdstip waarop [slachtoffer 1] voorstelde om de geldoverdracht te laten plaatsvinden bij dat hotel, en 30 mei 2019 om 00.05 uur, zijnde het tijdstip waarop [naam 5] bij dat hotel aankwam. In dat tijdsbestek van ruim 4 uur heeft [verdachte] meermalen contact gehad met [naam 5] .
Conclusie
Volgens de verbalisant lijkt het signalement van de man op de beelden op het signalement van [medeverdachte 3] , met dien verstande dat de beelden van dien aard zijn dat een 100%-herkenning niet mogelijk is.
‒ De auto met het kenteken [kenteken 6] , dat op naam stond van [medeverdachte 4] , is op 27 en 28 oktober 2020 op de volgende tijdstippen geregistreerd door ANPR-camera’s op de volgende locaties:
op 27 oktober 2020 om 23.54 uur op de A27 bij hectometerpaaltje 64,7 links (reistijd tot de plaats van het misdrijf: 23 minuten);
op 28 oktober 2020 om 00.10 uur op de A15 bij hectometerpaaltje 121,1 rechts (reistijd tot de plaats van het misdrijf: negen minuten).
Het hof is van oordeel dat deze ANPR-registraties sterk duiden op een reisbeweging in de richting van de plaats van het misdrijf, waarbij het hof aan Google Maps heeft ontleend dat Tiel aan de A15 ligt, in het verlengde van de rijrichting van de auto van [medeverdachte 4] op 28 oktober 2020 om 00.10 uur. Verder is het hof van oordeel dat deze ANPR-registraties ook wat het betreft het tijdverband met de aanslag goed passen bij het scenario waarin [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op 28 oktober 2020 om 00.10 uur (onderweg waren naar en) op ongeveer negen minuten verwijderd waren van de plaats van het misdrijf en [medeverdachte 3] omstreeks 00.30 uur de ontploffing teweeg heeft gebracht.
‒ Wat betreft het gebruikte explosief: op de plaats van het misdrijf is een label aangetroffen met daarop de tekst ‘SHELL DANGEROUS EXPLOSIVE’.
Tussenconclusies
Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] – gelet op het onderling gecoördineerde optreden van beiden en het feit dat de samenwerking tussen beiden inmiddels een zekere duurzaamheid had gekregen: tezamen en in vereniging – een ontploffing teweeg hebben gebracht op het adres [adres 6] in Tiel en dat daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt.
Met het openbaar ministerie acht het hof niet bewezen dat door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is geweest.
28 oktober 2020: WhatsApp-bericht (telefoonnummer [telefoonnummer 13] )
Op 28 oktober 2020 om 22.14 uur ontving [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) via WhatsApp de volgende berichten van telefoonnummer [telefoonnummer 13] ( [telefoonnummer 13] ).
‒
Wil je dit oplossen?
‒
Dit is ons laatste gesprek
‒
2miljoen dan zijn we klaar. Als je serieus bent laat dan jou advocaat contact opnemen met de advocaat van [verdachte] . Hij heeft er niets mee te maken maar is bereid te bemiddelen als dit via de normale weg gaat.
‒
Dit toestel gaat nu weg
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 13] ) straalde op 28 oktober 2020 tussen 18:50:16 en 18:51:37 een aantal keer de zendmast aan bij het adres [adres] in [plaats] . Er zijn geen historische verkeersgegevens bekend van het tijdstip waarop de weergegeven berichten naar [slachtoffer 1] zijn gestuurd.
1 november 2020: sms-berichten (telefoonnummer [telefoonnummer 38] )
Op 1 november 2020 om 22.09 uur ontving [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) de volgende sms-berichten van telefoonnummer [telefoonnummer 38] ( [telefoonnummer 38] ).
‒
[slachtoffer 1] HEB JE NAGEDACHT OVER MIJN AANBOD? DIT TOESTEL IS NEGEN MIN ACTIEF
‒
DE AANSLAGEN ZULLEN VANAF NU SERIEUZER WORDEN. FIJNE AVOND, IK STOP PAS ALS JE BETAALD HEB
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 38] ) straalde op 1 november 2020 op de volgende tijdstippen de zendmasten aan bij de volgende adressen:
‒ om 22:09:48 uur: [adres] in [plaats] ;
‒ om 22:15:09 uur: [adres] in [plaats] .
4 november 2020: aanslag in Vlijmen (05/780029-21, feit 3)
Aangever [slachtoffer 10] woonde op het adres [adres 5] in Vlijmen en was op 4 november 2020 thuis, samen met zijn vrouw. Omstreeks 23.10 uur hoorde de aangever een harde knal. Het glas van de voordeur was kapot. Het glas lag zowel buiten als binnen in de woning. De politie heeft op 5 november 2020 omstreeks 00.30 uur ter plaatse forensisch onderzoek verricht. In de bosschages rechts bij de voordeur van de woning werd een krater aangetroffen. De verbalisanten hebben mede uit de omstandigheid dat het glas van de voordeur in de woning was geslagen afgeleid dat het een reële situatie was dat het explosief naar binnen zou slaan. Dat had letsel kunnen veroorzaken bij de bewoners als zij zich op dat moment in de hal bevonden.
Het adres van de woning waar de aanslag is gepleegd, komt voor op de eerder genoemde personeelslijst van [fruitbedrijf] die in het onderzoek Maldiven in het dossier is gevoegd.
Uitvoerders ( [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] )
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hijzelf en ‘ [medeverdachte 3] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) bij deze aanslag betrokken zijn geweest. [medeverdachte 4] heeft gereden en [medeverdachte 3] heeft de shell aangestoken. Het betrof een ‘shell 3’ (het hof begrijpt: een shell van drie inch), die [medeverdachte 3] nog bij zich had van Hedel waar ze toen niets hadden gedaan.
Deze verklaring van [medeverdachte 4] vindt naar het oordeel van het hof steun in de volgende onderzoeksresultaten.
‒ [medeverdachte 3] maakte gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer 14] ( [telefoonnummer 14] ) en woonde in [plaats] . De telefoon van [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 14] ) straalde op 4 november 2020 om 21.14 uur een zendmast aan in [plaats] . Diezelfde dag om 22.34 en 23.20 uur straalde die telefoon de zendmast aan bij het adres [adres] in Bruchem. De reistijd tussen die zendmast en de plaats van het misdrijf is ongeveer twaalf minuten. Uit de kaart op pagina 967 van procesdossier Panter 1, waarop de locatie van de zendmast is weergegeven, en uit informatie ontleend aan Google Maps leidt het hof af dat die zendmast naast de A2 staat.
Conclusie
[naam 16] wou ook met jou
[medeverdachte 10]
:
ja
(...)
[naam 17]
:
[naam 16] zijn nummer is [telefoonnummer 29]
(...)
[medeverdachte 10]
:
iemand moet gewoon die Torry doen man
[naam 17]
:
ja ik ga hem gelijk bellen
(...)
[medeverdachte 10]
:
gewoon die Torry broer met die benzine broer dan (...) ergens bel aan DOEK! LOEZOE!! He weet je die benzine?
[naam 17]
:
J
[medeverdachte 10]
:
Die moet je mixen met Dreft
[naam 17]
:
Oké is goed ja toch
[medeverdachte 10]
:
Weet je waarom?
[naam 17]
:
Waarom?
[medeverdachte 10]
:
Die TORRY gaat branden a broer DNA en zo LOEZOE [wordt vernietigd]
[naam 17]
:
Gaat LOEZOE! ja ja ja
(...)
ik ga hem gelijk zeggen ja
30 april 2021: gesprek tussen [medeverdachte 10] en [naam 17] ( [telefoonnummer 28] )
[medeverdachte 10]
:
broer maar het moet vandaag he (...)
(...)
broer maar hij moet vandaag gaan he (...)
(...)
zeg tegen hem die ding moet vandaag (...)
[naam 17]
:
Hij zegt gewoon MOLO toch? Is goed genoeg toch?
[medeverdachte 10]
:
Wat wat gewoon MOLO?
[naam 17]
:
Ja is gewoon genoeg toch?
[medeverdachte 10]
:
Ja ja ja maar het beste is als die (...) ding splashja toch?
[naam 17]
:
Ja (...) die ding
[medeverdachte 10]
:
Ja toch en daarna binnen toch
1 mei 2021: [medeverdachte 10] belde
[naam 16]
( [telefoonnummer 29] )
[medeverdachte 10]
:
Broer, je weet die torry van mij toch? Je weet toch?
[naam 16]
:
Ja toch
(...)
[medeverdachte 10]
:
je wou DRIE (3) toch?
[naam 16]
:
Ja
[medeverdachte 10]
:
Alsjeblieft, zorg dat het vandaag, broer want ik hoor dinsdag mijn besluit a niffo.
Conclusie
Omstreeks 20.31 uur hebben [verdachte] en [naam 5] een telefoongesprek gevoerd en omstreeks 23.00 uur is [naam 5] door [verdachte] naar de woning van [naam 4] gebracht.
Op 29 mei 2019 om 20.36 uur liet de afperser aan [slachtoffer 1] weten dat rond 23.15 uur iemand bij de afgesproken plek zou staan. Kort daarvoor, omstreeks 20.31 uur, had [verdachte] telefonisch contact met [naam 5] .
Op 29 mei 2019 omstreeks 23.05 uur was [verdachte] bij de woning van [naam 4] om [naam 5] daar af te zetten. Die woning van [naam 4] bevindt zich in het dekkingsgebied van de zendmast bij het adres [adres 15] in Hilversum. De telefoon van de afperser bevond zich op dat tijdstip ook in het dekkingsgebied van die zendmast.
3.2.3.3. Poging tot afpersing 2 (30 mei 2019 – 3 juni 2019): onvoltooide bitcointransactie
30 mei 2019: telefoonnummer [telefoonnummer 4]
Op 30 mei 2019 had [slachtoffer 1] om 00.43 uur van de afperser het volgende bericht ontvangen.
doe dat je krijgt rekeoing waar je op mag storten mogen
1 juni 2019: telefoonnummer [telefoonnummer 6]
Op 1 juni 2019 om 17.56 uur ontving [slachtoffer 1] de volgende sms-berichten van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] ( [telefoonnummer 6] ).
Tijdstip
Bericht
17.56:06 uur
dag beste man je hebt het verpest, je gaat 1.5m betalen. je ontvangt maandag een bitcoin adres. dan heb je 3dagen om de eerste 20 bitcoins te betalen. Om
17.56:11
dat ik me altijd aan me woord hou zal ik je straffen voor je kunstje in zaltbommel. we hebben een leuke medewerker uitgekozen . ik hoop voor je dat het b
18.01
fijn weekend alvast
2 juni 2019: telefoonnummer [telefoonnummer 7]
Op 2 juni 2019 ontving [slachtoffer 1] de volgende sms-berichten van telefoonnummer [telefoonnummer 7] ( [telefoonnummer 7] ):
Tijdstip
Bericht
19.26 uur
dit is je laatste kans en je hebt precies 10min om te reageren dan verdwijnt dit toestel in de sloot. betaal je morgen de bitcoins ja of nee?
19.31
je ontvangt morgen sowieso het bitcoin reknr wij stoppen onze aanslagen pas als de eerste 20 bitcoins ontvangen zijn
3
juni 2019: telefoonnummer [telefoonnummer 8]
Op 3 juni 2019 ontving [slachtoffer 1] de volgende sms-berichten van telefoonnummer [telefoonnummer 8] ( [telefoonnummer 8] ):
Tijdstip
Bericht
09.50 uur
Neem De Code Exact Over Inclusief Hoofdletters Die Je In Het Volgende Smsje Krijgt
09.53
[code]
10.13
Ik Dump Zo Dit Toestel, Zorg Dat Ik Uiterlijk Woensdag 20bitcoin Heb In Dat Account
10.17
We Nemen Vanaf Nu Ook Geen Contact Meer Op Totdat Je De Eerste Betaling Gedaan Hebt, Na Woensdag Krijg Je De Eerste Aanslag Als Er Niet Betaald Is
Tussenconclusies
Het hof komt op basis van het voorgaande tot de volgende (tussen)conclusies.
In de periode van 30 mei 2019 tot en met 3 juni 2019 is een tweede poging gedaan tot afpersing van [slachtoffer 1] . De afperser heeft geprobeerd door middel van dreigende sms-berichten [slachtoffer 1] te dwingen tot betaling van een aantal bitcoins.
Deze tweede serie dreigberichten naar [slachtoffer 1] , die wederom met verschillende telefoonnummers zijn verstuurd, zijn afkomstig van dezelfde afperser als de eerste serie dreigberichten. Dit oordeel baseert het hof op de overweging dat de eerste en de tweede serie dreigberichten een samenhangend geheel vormen. Zo werd in een bericht van 1 juni 2019 verwezen naar wat daarvóór had plaatsgevonden in Zaltbommel, waarmee kennelijk werd gedoeld op de onvoltooide geldoverdracht tijdens de nacht van 29 op 30 mei 2019.
De bitcointransactie heeft niet plaatsgevonden.
3.2.3.4. Bitcoinadres en contact tussen [verdachte] en [naam 6]
Op 3 juni 2019 om 09.53 uur had [slachtoffer 1] van de afperser een bericht ontvangen waarin alleen het volgende bitcoinadres wordt genoemd.
[code]
Op 2 juni 2019 om 16.26 uur had [naam 6] een WhatsApp-bericht ontvangen met daarin datzelfde bitcoinadres, gevolgd door een QR-code die codeert voor dat bitcoinadres.
[verdachte] heeft verklaard dat [naam 6] een vriend van hem is.
Op 1, 2 en 3 juni 2019 hebben [verdachte] en [naam 6] via WhatsApp berichten naar elkaar gestuurd. Die berichtenwisseling bestond onder meer uit de volgende berichten.
Tijdstip
Afzender
Bericht
3 juni 2019
15.03 uur
[verdachte]
Ga checken oké
15.10
[naam 6]
Heb ik net gedaan nog niks [hof: gevolgd door emoji’s]
3.2.3.5. Locatiegegevens [verdachte] en telefoon van de afperser
In dit onderdeel van het arrest bespreekt het hof (verschillende soorten) locatiegegevens van [verdachte] en de afperser.
Ten eerste gaat het om zogenoemde historische verkeersgegevens van telefoons. Historische verkeersgegevens houden kort gezegd in dat een bepaalde telefoon op een bepaald tijdstip een bepaalde zendmast heeft aangestraald. Daaruit kan dus worden afgeleid dat die telefoon zich op dat tijdstip bevond in het dekkingsgebied van die zendmast.
Conclusie
Naar het oordeel van het hof passen de locatiegegevens van (de telefoon van) [medeverdachte 3] bij het scenario waarin (1) [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op 4 november 2020 vanuit de woonomgeving van [medeverdachte 3] ( [plaats] ) over de A2 naar de plaats van het misdrijf zijn gereden, waarbij zij omstreeks 22.34 uur de zendmast in Bruchem passeerden, en (2) [medeverdachte 3] omstreeks 23.10 uur de ontploffing teweegbracht en (3) [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] direct daarna zijn weggereden in de richting van [plaats] , waarbij zij over de A2 reden en om 23.20 uur opnieuw die zendmast in Bruchem passeerden.
‒ [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zijn op 3 november 2020 omstreeks 00.28 uur door de politie gecontroleerd terwijl zij in het voertuig zaten met het kenteken [kenteken 6] . Die controle vond plaats in Hedel. [medeverdachte 4] heeft daarover verklaard dat zij toen een shell van drie inch bij zich hadden met de bedoeling om die te laten afgaan bij de voordeur van een bepaalde woning. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] waren bij de woning wezen kijken en besloten daar geen aanslag te plegen, omdat ze het daar te druk vonden.
Tussenconclusies
Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] – gelet op het onderling gecoördineerde optreden van beiden en het feit dat de samenwerking tussen beiden inmiddels een zekere duurzaamheid had gekregen: tezamen en in vereniging – een ontploffing teweeg hebben gebracht bij de woning op het adres [adres 5] in Vlijmen. Hierbij stelt het hof vast dat de gebruikte mortierbom/shell van drie inch tot ontploffing is gekomen bij de voordeur van die woning, wat het hof afleidt uit het kapotgaan van het glas in de voordeur en de krater in de bosschages bij de voordeur.
Naar het oordeel van het hof is door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt.
Daarnaast is het hof van oordeel dat door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor de personen die tijdens de ontploffing in die woning aanwezig waren. Ter onderbouwing van dit oordeel overweegt het hof het volgende. De uitvoerders van de aanslag hebben bij de voordeur van een woning een mortierbom van drie inch tot ontploffing gebracht. Die mortierbom was kennelijk krachtig genoeg om het glas in de voordeur te doen breken en naar binnen te laten slaan. Tijdens de ontploffing waren in de woning mensen aanwezig. Naar het oordeel van het hof was het in de gegeven omstandigheden een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de ontploffing zou plaatsvinden terwijl een van de bewoners zich nabij de voordeur zou bevinden of dat door de ontploffing in de woning brand zou zijn ontstaan. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat een ontploffing van een mortierbom in het algemeen tot gevolg heeft dat brandende delen worden weggeslingerd en dat het een reële mogelijkheid was dat brandende delen door het breken van de ruit in de woning terecht zouden komen. Dat wordt ondersteund door de hierboven genoemde bevindingen van de politie ter plaatse dat er een reële mogelijkheid was dat het explosief in de woning zou slaan. Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat het ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat door die ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten zou zijn.
6 november 2020: sms-berichten (telefoonnummer [telefoonnummer 15] )
Op 6 november 2020 ontving [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) om 20.35 uur een sms-bericht van telefoonnummer [telefoonnummer 15] ( [telefoonnummer 15] ). Die berichten maakten deel uit van de volgende berichtenwisseling.
Afzender
Bericht
[telefoonnummer 15]
Hoe Lang Heb Je Nodig Om 2miljoen Contant Te Krijgen? Je Moet Snel Reageren
[slachtoffer 1]
Ik moet elke keer snel reageren! 2 miljoen is veel!
Ik kijk niet steeds op mijn telefoon. Ik wil dat het stopt maar elke keer 10 minuten dan kan ik niet antwoorden.
[telefoonnummer 15]
Je Hebt 2weken, Zorg Dat Je Het Cash Hebt Laat Ik Het Ophalen, Tot Die Tijd Stop Ik De Aanslagen
[slachtoffer 1]
Ik kan het niet beloven doe mijn best! Maar als ik 2 miljoen opneem gaat de bank gelijk bellen en zet het vast!
[telefoonnummer 15]
2weken Zorg Dat Je Het Hebt
[slachtoffer 1]
Noem een datum en tijdstip hoe bereik ik je
Laten we dit dan als mannen oplossen...
Nogmaals ben hier echt klaar mee en wil het opgelost hebben.
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 15] ) straalde op 6 november 2020 om 20:42:18 uur de zendmast aan bij het adres [adres] in [plaats] .
8 november 2020: sms-berichten (telefoonnummer [telefoonnummer 16] )
Op 8 november 2020 ontving [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) om 19.02 uur een sms-bericht van telefoonnummer [telefoonnummer 16] ( [telefoonnummer 16] ). Die berichten maakten deel uit van de volgende berichtenwisseling.
Afzender
Bericht
[telefoonnummer 16]
ZORG DAT JE ALLES IN briefjes van 200 en 500 hebt op 20NOV
[slachtoffer 1]
En dan?
[telefoonnummer 16]
DAT HOOR JE DAN.
Conclusie
Want nu gaan ze tegen mij zegen: “Sinds jij binnen bent, er gebeurt niks” Snap je wat ik bedoel
[naam 16]
:
hm oke
[medeverdachte 10]
:
dus die ding moet gebeuren
(...)
regel dat ding vandaag a mati, dan dinsdag, dinsdag...
[medeverdachte 10]
:
Zorg dat ie vanavond wordt gefikst a broer. Je kan jouw ding ophalen bij [naam 17] en dan ga ik die iemand fiksen
Het hof leidt uit het voorgaande het volgende af.
Op 20 april 2021 zei [medeverdachte 10] tegen [naam 17] dat er een adres was en dat daar iets moest gebeuren, met daarbij aan [naam 17] het verzoek dat uit te voeren in ruil voor geld (‘pap’). Op 21 april 2021 verstrekte [medeverdachte 10] het adres ( [adres 9] ) aan [naam 17] . Tijdens verschillende gesprekken in de periode van 20 tot en met 30 april 2021 bespraken [medeverdachte 10] en [naam 17] wat [medeverdachte 10] wilde dat op dat adres zou gebeuren. [medeverdachte 10] sprak daarbij over het doen breken (‘splash’) van een raam (‘window’) en vervolgens iets naar binnen gooien. Daarbij sprak [medeverdachte 10] in verschillende gesprekken over het gebruik van een explosief (‘cobra’) of een brandbare stof (benzine). Toen [naam 17] het gebruik van een molotovcocktail (‘molo’) voorstelde, reageerde [medeverdachte 10] instemmend en voegde [medeverdachte 10] daaraan toe dat het het beste is als ‘die ding splashja’ (het hof begrijpt: de ruit wordt ingegooid) en ‘daarna binnen’ (het hof begrijpt: daarna de molotovcocktail naar binnen wordt gegooid). Daarbij zei [medeverdachte 10] op 25 april 2021 tegen [naam 17] dat het hem ( [medeverdachte 10] ) niet boeide als het huis (‘osso’) ‘loezoe’. Het hof begrijpt dat dit in de gegeven context betekende dat het [medeverdachte 10] niet uitmaakte of de aanslag zou leiden tot verwoesting van de woning.
[medeverdachte 10] heeft aanvankelijk [naam 17] benaderd om de opdracht van [verdachte] uit te voeren. Tijdens het gesprek van 22 april 2021 noemde Ayouil dat ‘ [naam 16] ’ ( [naam 16] ) mogelijk mee zou gaan, waarbij het toen nog de insteek was dat [naam 17] en [naam 16] beiden zouden deelnemen aan de uitvoering. In het gesprek van 27 april 2021 verstrekte [naam 17] aan [medeverdachte 10] het telefoonnummer van [naam 16] . In het gesprek van 30 april 2021 tussen [medeverdachte 10] en [naam 17] zei [medeverdachte 10] dat ‘hij’, een derde dus, vandaag moet gaan. Het hof leidt daaruit af dat het op dat moment de insteek was dat [naam 16] de aanslag zou plegen. Op 1 mei 2021 nam [medeverdachte 10] telefonisch contact op met [naam 16] . In dat gesprek benadrukte [medeverdachte 10] dat het die dag moest gebeuren. Ook werd gesproken over de financiële beloning voor [naam 16] voor het plegen van de aanslag (‘Je wou drie, toch?’). In dat gesprek werd niet gesproken over de wijze van uitvoering, terwijl niet is gebleken van verder contact tussen [medeverdachte 10] en [naam 16] voorafgaand aan het incident van 2 mei 2021. Het hof leidt hieruit af dat ( [medeverdachte 10] ervan uitgang dat) [naam 16] over de wijze van uitvoering was geïnstrueerd door [naam 17] .
3.5.3.1. Rol [medeverdachte 10]
Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat [medeverdachte 10] een poging heeft gedaan om [naam 17] en [naam 16] te bewegen tot het plegen een aanslag op het adres [adres 9] in Kerkdriel. Om hen tot die woningaanslag te bewegen, heeft [medeverdachte 10] onder meer het adres verstrekt waar de aanslag moest plaatsvinden en hen een financiële beloning in het vooruitzicht gesteld voor het uitvoeren van de aanslag. Daarnaast heeft [medeverdachte 10] aan [naam 17] instructies gegeven over de wijze waarop de aanslag moest worden uitgevoerd en ging [medeverdachte 10] ervan uit dat [naam 17] instructies doorgaf aan [naam 16] .
Poging tot uitlokking van een misdrijf
De opdracht van [medeverdachte 10] strekte ertoe dat een woningraam zou worden ingegooid en dat vervolgens een explosief (‘cobra’) of een brandend voorwerp (‘benzine’, molotovcocktail) in de woning zou worden gegooid. Naar het oordeel van het hof is daarmee gepoogd om anderen te bewegen tot het begaan van een brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing teweeg te brengen waarvan gemeen voor goederen te duchten was. Daarnaast geldt voor een dergelijke woningaanslag dat daarin de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid besloten ligt dat de aanslag leidt tot een woningbrand of andersoortige levensgevaarlijke situatie met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn. Naar het oordeel van het hof is dit – zoals reeds eerder opgemerkt – ook algemeen bekend, wat meebrengt dat (het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat) [medeverdachte 10] zich ervan bewust is geweest dat hij [naam 17] en [naam 16] probeerde te bewegen tot een woningaanslag die zou leiden tot een aanmerkelijke kans op het overlijden van de personen die (mogelijk) in die woning aanwezig zouden zijn. Dit besef heeft [medeverdachte 10] niet weerhouden van de poging om de woningaanslag uit te lokken. Daar komt bij dat [medeverdachte 10] tegen [naam 17] heeft gezegd dat het hem niet boeit als het huis ‘loezoe’ (het hof begrijpt: verwoest wordt). Het hof leidt uit deze uitspraak af dat [medeverdachte 10] er rekening mee hield dat de beoogde woningaanslag verstrekkende gevolgen zou hebben en dat die gevolgen voor [medeverdachte 10] geen reden vormden om van (de poging tot uitlokking van) die woningaanslag af te zien. Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat [medeverdachte 10] bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard op het overlijden van de mensen die (eventueel) in die woning aanwezig zouden zijn. Daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van opzettelijke uitlokking van medeplegen van opzettelijk brandstichten of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
In het voorgaande ligt verder besloten dat is geprobeerd een woningaanslag uit te lokken die naar het oordeel van het hof tevens kan worden aangemerkt als een (poging tot) moord, begaan tegen de personen die op dat moment in die woning aanwezig waren. Het hof leidt uit het voorgaande namelijk af dat ook is gehandeld met voorbedachte raad. Zowel de uitlokkers als de beoogde uitvoerders hadden immers de gelegenheid om na te denken over de betekenis en de gevolgen van de beoogde woningaanslag en om zich daarvan rekenschap te geven.
3.5.3.2. Rol [verdachte]
Naar het oordeel van het hof heeft [verdachte] als medepleger deelgenomen aan de poging van [medeverdachte 10] om anderen te bewegen tot het begaan van een moord. [verdachte] heeft aan de basis heeft gestaan van het incident in Kerkdriel door [medeverdachte 10] het adres [adres 9] in Kerkdriel te verstrekken met de opdracht daar een aanslag te laten plaatsvinden. Daarbij acht het hof bewezen dat [verdachte] bij het verstrekken van die opdracht aan [medeverdachte 10] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de uitvoering daarvan zou leiden tot de dood van de eventuele aanwezigen in die woning.
Conclusie
[verdachte] heeft verklaard dat hij gebruikmaakte van telefoonnummer [telefoonnummer 9] ( [telefoonnummer 9] ).
Daarnaast gaat het om zogenoemde ANPR-registraties van de auto van [verdachte] . Uit een ANPR-registratie volgt dat een bepaalde auto op een bepaald tijdstip op een bepaalde locatie door een camera is geregistreerd. [verdachte] heeft verklaard dat hij gebruikmaakte van een Toyota Aygo met het kenteken [kenteken 3] .
Uit het voorgaande blijkt dat [slachtoffer 1] op de volgende dagen sms-contact heeft gehad met de afperser: 26 mei 2019, 29 mei 2019, 30 mei 2019, 1 juni 2019, 2 juni 2019 en 3 juni 2019. Voor die dagen heeft de politie historische verkeersgegevens verkregen van zowel de telefoon van [verdachte] ( [telefoonnummer 9] ) als de telefoon van de afperser, die gebruikmaakte van verschillende telefoonnummers. De door de politie verkregen historische verkeersgegevens zijn weergegeven in het rapport ‘Tijdlijn telecom’, dat vanaf pagina 1253 deel uitmaakt van politiedossier Maldiven. Naast historische verkeersgegevens zijn in dat rapport ook twee ANPR-registraties van de auto van [verdachte] verwerkt. Naast de twee ANPR-registraties die in het rapport worden genoemd, is de auto van [verdachte] op 29 mei 2019 om 15.39 uur door een ANPR-camera geregistreerd op de [straat] in Amsterdam-Duivendrecht.
Wat betreft de locatiegegevens die betrekking hebben op de telefoon ( [telefoonnummer 9] ) of auto ( [kenteken 3] ) van [verdachte] , gaat het hof ervan uit dat [verdachte] op dat moment de gebruiker was van die telefoon of auto. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van aanwijzingen dat die telefoon of auto op een of meer onderzochte tijdstippen door iemand anders werd gebruikt.
Over de verkregen locatiegegevens – dit betreft dus de historische verkeersgegevens en ANPR-registraties zoals genoemd in het genoemde rapport ‘Tijdlijn telecom’ plus de genoemde ANPR-registratie van 29 mei 2019 in Amsterdam-Duivendrecht – overweegt het hof in zijn algemeenheid het volgende. Voor alle dagen waarop de afperser en [slachtoffer 1] contact hebben gehad, geldt dat er geen enkel tijdstip is waarvoor geldt dat uit de locatiegegevens blijkt dat (de telefoon of auto van) [verdachte] niet op dezelfde locatie kan zijn geweest als de telefoon van de afperser. Het doet zich dus niet voor dat uit de locatiegegevens blijkt dat [verdachte] en de telefoon van de afperser op hetzelfde tijdstip op verschillende locaties waren of dat zij op verschillende tijdstippen op verschillende locaties waren waarbij de afstand tussen die locaties zodanig groot was dat die niet (met de auto) kon worden overbrugd in het tijdsbestek tussen die twee tijdstippen.
Verder overweegt het hof over de verkregen locatiegegevens het volgende.
26 mei 2019 (telefoonnummer [telefoonnummer 2] )
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 2] ) straalde om op 26 mei 2019 om 18:48:49 uur de zendmast aan bij het adres [adres] in [plaats] .
De telefoon van [verdachte] ( [telefoonnummer 9] ) straalde om 18:49:01 uur diezelfde zendmast aan.
Het hof verbindt hieraan de (tussen)conclusie dat op 26 mei 2019 omstreeks 18.49 uur zowel de telefoon van de afperser als [verdachte] aanwezig was binnen het dekkingsgebied van de genoemde zendmast.
29 mei 2019 (telefoonnummer [telefoonnummer 3] )
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 3] ) straalde op 29 mei 2019 om 15:35:17 de zendmast aan bij het adres [adres] in Amsterdam-Duivendrecht.
De auto van [verdachte] ( [kenteken 3] ) is op 29 mei 2019 om 15.39 uur door het ANPR-systeem geregistreerd op de [straat] in Amsterdam-Duivendrecht, twintig meter voorbij de [adres] , rijdend in de richting zuidwest.
Volgens de openbare bron Google Maps is de afstand tussen het adres [adres] in Amsterdam-Duivendrecht en de locatie van de ANRP-registratie (hemelsbreed) ongeveer 450 meter.
Het hof verbindt hieraan de (tussen)conclusie dat op 29 mei 2019 omstreeks 15.35 - 15.39 uur zowel de telefoon van de afperser als [verdachte] in Amsterdam-Duivendrecht was.
29 mei 2019 (telefoonnummer [telefoonnummer 4] )
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 4] ) straalde op 29 mei 2019 op de volgende tijdstippen de zendmasten aan bij de volgende adressen:
‒ om 18:42:59 uur: [adres 16] in Hilversum;
‒ om 18:43:22 uur: [adres 17] in Hilversum.
De auto van [verdachte] (kenteken [kenteken 3] ) is op 29 mei 2019 om 18.43 uur geregistreerd door een ANPR-camera bij het kruispunt van [adres] in Hilversum. Volgens de openbare bron Google Maps is de afstand tussen dat kruispunt in Hilversum en de adressen [adres 16] en [adres 17] (hemelsbreed) ongeveer 200 respectievelijk 50 meter.
Het hof verbindt hieraan de conclusie dat op 29 mei 2019 omstreeks 18.43 uur zowel de telefoon van de afperser als de auto van verdachte in Hilversum was.
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 4] ) straalde op 29 mei 2019 om 19:26:22 uur de zendmast aan bij het adres bij [adres] in [plaats] .
De telefoon van [verdachte] ( [telefoonnummer 9] ) straalde om 19:27:29 uur diezelfde zendmast aan.
Het hof verbindt hieraan de (tussen)conclusie dat op 29 mei 2019 omstreeks 19.27 uur zowel de telefoon van de afperser als [verdachte] aanwezig was binnen het dekkingsgebied van de genoemde zendmast.
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 4] ) straalde op 29 mei 2019 om 20:33:17 uur en om 20:50:41 uur de zendmast aan bij het adres [adres 18] in [plaats] , zijnde de zogenoemde thuismast van [verdachte] . Tussen die tijdstippen heeft die telefoon van de afperser geen andere zendmast aangestraald.
De telefoon van [verdachte] straalde diezelfde zendmast aan op 29 mei 2019 om 20.23:06 uur en om 20.54:08 uur. Tussen die tijdstippen heeft de telefoon van [verdachte] geen andere zendmast aangestraald.
De zendmast bij het adres [adres 18] in [plaats] was de zogenoemde thuismast van [verdachte] , oftewel de zendmast die door de telefoon van [verdachte] (telefoonnummer [telefoonnummer 9] ) het vaakst is aangestraald in de periode waarvoor historische verkeersgegevens zijn opgevraagd. [verdachte] woonde toen op het adres [adres] in [plaats] . Volgens de openbare bron Google Maps is de afstand tussen het adres [adres 18] in [plaats] en het genoemde woonadres van [verdachte] (hemelsbreed) ongeveer 310 meter. Het hof leidt hieruit af dat de woning van [verdachte] gelegen is binnen het dekkingsgebied van die zendmast.
Het hof verbindt hieraan de (tussen)conclusie dat op 29 mei 2019 tussen 20.33 en 20.50 uur zowel de telefoon van de afperser als [verdachte] aanwezig was binnen het dekkingsgebied van de zogenoemde thuismast van [verdachte] .
Conclusie
DEAL?
[slachtoffer 1]
Ik doe mijn best maar is te veel geld om zo maar op te nemen zonder gezeik te krijgen
[telefoonnummer 16]
DOE JE BEST.
[slachtoffer 1]
En dan????
[telefoonnummer 16]
DAN WIJN WE KLAAR
[slachtoffer 1]
Hoe weet ik dat dan klaar zijn en ook echt klaar! Wat voor zekerheid heb ik !!!
[telefoonnummer 16]
GELOOF ME JE KRIJGT ZEKERHEID. IK GA NU OFFLINE. TOT DAN
[slachtoffer 1]
Wacht
Ga toch niet zonder zekerheid zoveel ged overdragen!!
[telefoonnummer 16]
ZORG DAT JE HET HEBT
[slachtoffer 1]
Ik doe mijn best! Wat voor zekerheid geef je me..
Hoe moet ik ongemerkt 2 miljoen bij elkaar krijgen...?
Waar komt 2 miljoen vandaan het was toch 1.2???
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 16] ) straalde op 8 november 2020 op de volgende tijdstippen de zendmasten aan bij de volgende adressen:
‒ om 19:02:10 uur: [adres] in [plaats] ;
‒ om 19:07:22 uur: [adres] in [plaats] .
12 november 2020: sms-berichten (telefoonnummer [telefoonnummer 17] )
Op 12 november 2020 ontving [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) om 19.53 uur een sms-bericht van telefoonnummer [telefoonnummer 17] ( [telefoonnummer 17] ). Die berichten maakten deel uit van de volgende berichtenwisseling.
Afzender
Bericht
[telefoonnummer 17]
Hoe staat het ervoor? 10min
[slachtoffer 1]
Nog lang niet
Ik wil meer zekerheid..
[telefoonnummer 17]
Morgen moet je Advocaat die verdachte mailen met bevestiging dat je 2miljoen wil betalen.
[slachtoffer 1]
Jullie hebben het dan weer over bitcoins en dat moet ik [verdachte] zijn advocaat spreken!! Nu weer cash. Wie zegt mij dat jij degene bent die aanslagen pleegt!
Welke advocaat, nu dit weer en van het weekend was het nog cash??
[telefoonnummer 17]
vlijmen was laatste
Je advocaat moet [verdachte] mailen doei
[slachtoffer 1]
Ja dat klopt dat stond ook in de krant! Dus nogmaals wil meer zekerheid
Ja hebben we al lang gedaan
Die geeft aan het alleen via officier te willen spelen! Daar hebben we toch niets aan
Geef mij ook antwoorden dan? Jij wilt toch geld
[telefoonnummer 17]
[verdachte] gaat tussen ons bemidellen. wij geven hem alle info. fijne avond
[slachtoffer 1]
Ja maar hij wil alleen met goedkeuring officier, dat geven ze nooit!
Waarom nu 2 miljoen en niet 1,2? Daar het toch om???
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 17] ) straalde op 12 november 2020 op de volgende tijdstippen de zendmasten aan bij de volgende adressen:
‒ om 19:53:21 uur: [adres] in Hilversum;
‒ om 19:57:37 uur: [adres] in Hilversum.
14 november 2020: sms-berichten (telefoonnummer [telefoonnummer 18] )
Op 14 november 2020 ontving [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) om 15.05 uur een sms-bericht van telefoonnummer [telefoonnummer 18] ( [telefoonnummer 18] ). Die berichten maakten deel uit van de volgende berichtenwisseling.
Afzender
Bericht
[telefoonnummer 18]
JE HEBT TOT 2130 OM DIE VERDACHTE TE LATEN MAILEN. DAT JE BEREID BENT OM JE SCHULD TE BETALEN.
Conclusie
De telefoon van de afperser was daarmee ook in de buurt van de woning van [verdachte] .
30 mei 2019 (telefoonnummer [telefoonnummer 4] )
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 4] ) straalde op 30 mei 2019 op de volgende tijdstippen de zendmasten aan bij de volgende adressen:
‒ 00:25:47 00:25:47 uur: [adres 18] in [plaats] (thuismast van [verdachte] );
‒ 00:25:47 00:37:05 uur: [adres] in Muiderberg;
‒ 00:25:47 00:38:05 uur: [adres] in Muiden;
‒ 00:25:47 00:38:40 uur: [adres] in Muiden;
‒ 00:25:47 00:41:28 uur: [adres] in Diemen;
‒ 00:25:47 00:49:25 uur: [adres] in Diemen.
Aan de hand van de kaart op pagina 1271 van politiedossier Maldiven, op welke kaart de locaties van de genoemde zendmasten zijn weergegeven, en informatie ontleend aan Google Maps, leidt het hof hieruit af dat de telefoon van de afperser tussen 00.37 en 00:41 uur over de A1 is vervoerd op het traject tussen [plaats] en Diemen (in de richting van Diemen) en dat die telefoon om 00.49 uur nog in Diemen was.
De telefoon van [verdachte] straalde op 30 mei 2019 op de volgende tijdstippen de zendmasten aan bij de volgende adressen:
‒ 00:28:09 00:28:09 uur: [adres 18] in [plaats] (thuismast van [verdachte] );
‒ 00:28:09 00:53:13 uur: [adres] in Muiden;
‒ 00:28:09 00:53:23 uur: [adres] in Muiden.
Aan de hand van de kaart op pagina 1270 van politiedossier Maldiven, op welke kaart de locaties van de genoemde zendmasten zijn weergegeven, en informatie ontleend aan Google Maps, leidt het hof hieruit af dat de telefoon van de afperser omstreeks 00:53 uur over de A1 is vervoerd op het traject tussen Diemen en [plaats] in de richting van [plaats] .
Het hof verbindt hieraan de (tussen)conclusie dat op 30 mei 2019 tussen 00.37 en 00.53 uur zowel [verdachte] als de telefoon van de afperser over de A1 heeft gereden of werd vervoerd op het traject tussen [plaats] en Diemen. Naar het oordeel van het hof zijn deze reisbewegingen van [verdachte] en de telefoon van de afperser verenigbaar met het scenario waarin [verdachte] de telefoon van de afperser heeft vervoerd en tussen 00.37 en 00.41 uur van Muiderberg naar Diemen is gereisd en vervolgens tussen 00.49 en 00.53 uur van Diemen naar Muiden. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat volgens Google Maps de reistijd voor het traject over de A1 tussen de genoemde zendmasten bij de [adres] in Diemen en de [adres] in Muiden vier minuten is.
Tussenconclusies
Het hof komt op basis van het voorgaande tot de volgende (tussen)conclusies.
Voor alle zes de dagen waarop de afperser en [slachtoffer 1] telefonisch contact hebben gehad, geldt dat er geen enkel tijdstip is waarvoor geldt dat uit de verkregen locatiegegevens kan worden afgeleid dat [verdachte] niet op dezelfde locatie kan zijn geweest als de telefoon van de afperser.
Op een aantal dagen waren [verdachte] en de telefoon van de afperser min of meer tegelijkertijd aanwezig in het dekkingsgebied van een bepaalde zendmast. Dit geldt voor:
26 mei 2019 omstreeks 18.49 uur: de zendmast bij het adres [adres] in [plaats] ;
29 mei 2019 omstreeks 19.27 uur: de zendmast bij het adres [adres] in [plaats] ;
29 mei 2019 tussen 20.33 en 20.50 uur: de zogenoemde thuismast van [verdachte] ( [adres 18] in [plaats] );
30 mei 2019 omstreeks 00.28 uur: de thuismast van [verdachte] .
Op de volgende dagen waren [verdachte] en de telefoon van de afperser min of meer tegelijkertijd aanwezig op een locatie die op enige afstand is gelegen van de woonplaats van verdachte.
Op 29 mei 2019 omstreeks 15.35-15.39 uur was zowel [verdachte] als de telefoon van de afperser in Amsterdam-Duivendrecht.
Op 29 mei 2019 omstreeks 18.43 uur was zowel [verdachte] als de telefoon van de afperser in Hilversum.
Op 30 mei 2019 tussen 00.37 en 00.53 uur bevond zowel [verdachte] als de telefoon van de afperser zich op de A1 op het traject tussen [plaats] en Diemen.
Zoals eerder geconcludeerd bevonden [verdachte] en de telefoon van de afperser zich ook op 29 mei 2019 omstreeks 23.05 uur min of meer tegelijkertijd in het dekkingsgebied van een bepaalde zendmast, namelijk de zendmast bij het adres [adres 15] in Hilversum.
Het hof is van oordeel dat deze tussenconclusies, bezien in onderlinge samenhang, een sterke aanwijzing vormen dat [verdachte] de gebruiker was van de telefoon die gebruikt werd voor het afpersen van [slachtoffer 1] . Naar het oordeel van het hof is dat samenstel van tussenconclusies namelijk veel waarschijnlijker in het scenario waarin [verdachte] telkens de gebruiker was van die telefoon dan in het scenario waarin iemand anders dan [verdachte] de afperser was en die afperstelefoon onafhankelijk van [verdachte] werd vervoerd. Bij het voorgaande heeft het hof in aanmerking genomen dat niet een scenario aannemelijk is geworden waarin [verdachte] niet de gebruiker was van de telefoon maar hij wel vaak bij (de gebruiker van) die telefoon in de buurt was. Hier komt het hof verderop in dit arrest op terug bij het besprek van het (alternatieve) scenario van [verdachte] .
3.2.3.6. Conclusie
Het hof acht op basis van het voorgaande bewezen dat [verdachte] het onder parketnummer 05/880702-19 tenlastegelegde heeft begaan.
Zoals eerder overwogen, is het hof van oordeel dat de locatiegegevens van [verdachte] en de telefoon van de afperser een sterke aanwijzing vormen dat [verdachte] de gebruiker was van die telefoon.
Daar komt bij dat, zoals eerder geconcludeerd, [verdachte] niet alleen een bekende is van de persoon ( [naam 5] ) die door de afperser is benaderd om geld te op halen bij het Van der Valk-hotel in Zaltbommel, maar bovendien contact heeft gehad met [naam 5] in het vrij korte tijdsbestek waarin dat benaderen van [naam 5] heeft plaatsgevonden. Daarbij is het hof van oordeel dat het tijdsverband tussen het telefoongesprek om 20.31 uur tussen [verdachte] en [naam 5] en het sms-bericht van de afperser van 20.36 uur (inhoudend dat rond 23.15 uur iemand bij de afgesproken plek zou staan) een aanwijzing vormt dat in dat telefoongesprek van 20.31 uur tussen [verdachte] en [naam 5] is afgesproken dat [naam 5] later die avond naar Zaltbommel zou gaan om geld op te halen.
Daar komt ook nog bij dat de afperser op 3 juni 2019 om 09.53 uur een bericht naar [slachtoffer 1] heeft gestuurd met daarin een bitcoinadres dat een dag eerder was ontvangen door een vriend van [verdachte] ( [naam 6] ) met wie [verdachte] in die periode dagelijks contact had. Bovendien verstuurde [verdachte] ongeveer vijf uur nadat het bitcoinadres naar [slachtoffer 1] was verstuurd naar [naam 6] het bericht ‘Ga checken oké’, waarop [naam 6] antwoordde ‘Heb ik net gedaan nog niks’. Naar het oordeel van het hof duidt de inhoud van die berichten er in combinatie met het moment van het versturen van het bitcoinadres naar [slachtoffer 1] op dat [verdachte] bij [naam 6] informeerde of [slachtoffer 1] al bitcoins had overgemaakt naar dat adres.
Op basis van het voorgaande, bezien in onderlinge samenhang, acht het hof bewezen dat verdachte in de periode van 26 mei 2019 tot en met 3 juni 2019 tweemaal een poging heeft gedaan tot het afpersen van [slachtoffer 1] , waarbij de eerste poging gericht was op betaling van een geldbedrag en de tweede poging strekte tot betaling van bitcoins.
Alternatief scenario verdachte
[verdachte] heeft verklaard dat iemand anders dan hijzelf de afperser is en dat hij ook weet wie de afperser is, maar dat hij redenen heeft om de naam van diegene niet te noemen.
Conclusie
ZO NIET DAN HERVAT IK DE AANSLAGEN MAAR DIT X ZAL DE SCHADE ANDERS ZIJN.
GEEN DISCUSSIE JE TIJD LOOPT
[slachtoffer 1]
Ik begrijp je niet, gisteren stuur je nog sms over geld
Jullie hebben het over 2 miljoen waar komt dat vandaan was toch 1.2 miljoen...
Je gaf me tot de 20ste, toen bitcoins toen [verdachte] ... wat wil je nou???
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 18] ) straalde op 14 november 2020 om 15.05 en 15.10 uur de zendmast aan bij het adres [adres] in [plaats] .
23 november 2020: aanslag in Kerkdriel (05/780001-21, feit 3 en 4)
Aangeefster [benadeelde partij 4] heeft aangifte gedaan van een incident bij haar woning op het adres [straat 1 huisnummer B] in Kerkdriel. Op 23 november 2020 lagen de aangeefster en haar vriend ( [benadeelde partij 5] ) in de slaapkamer, die zich bevond op de begane grond aan de straatzijde. Omstreeks 02.05 uur werd de aangeefster wakker van een luide knal. Meteen na de knal hoorde zij glasgerinkel. De vriend van de aangeefster vertelde haar dat hij vóór de luide knal een soort gebonk op het slaapkamerraam had gehoord.
Op camerabeelden is te zien dat op 23 november 2020 omstreeks 02.05 uur twee personen voor de woning stonden. Een van die personen had een lichtkleurig voorwerp in zijn hand, waarbij het volgens de verbalisant mogelijk ging om een plastic tas. De andere persoon stak dat voorwerp in brand, waarbij volgens de verbalisant vermoedelijk een lont werd aangestoken. Vervolgens werd het brandende voorwerp in de richting van de voorgevel van de woning gegooid. Twaalf seconden na het aansteken en gooien vond een explosie plaats. Vier seconden later volgde wederom een explosie, waarbij glasgerinkel te horen is en veel vuurwerk te zien.
De politie heeft op 23 november 2020 om 13.20 uur forensisch onderzoek verricht op de plaats van het incident. De politie vernam toen van [benadeelde partij 5] dat in de tuin een onbekende steen is aangetroffen en dat hij die nacht wakker was geworden van een bonkgeluid tegen het slaapkamerraam, dat hij vervolgens het vallen van een steen op de bestrating hoorde en dat daarna een luide explosie te horen was en het slaapkamerraam brak en siervuurwerk te zien was. Verder toonde [benadeelde partij 5] camerabeelden, waarop de verbalisant heeft waargenomen dat twee personen voor de woning staan, een object lijken aan te steken en dat richting de raampartij in de buitengevel gooien. Volgens de verbalisant lijkt het object lijkt af te ketsen tegen een van de ruiten en vervolgens te vallen op de bestrating voor de voorgevel. Vervolgens deed de verbalisant de volgende bevindingen. In de tuin voor de voorgevel lag een stuk natuursteen met een gewicht van ongeveer 2,4 kilogram. Op de bestrating in de voortuin direct voor de voorgevel lag gebroken glas. Diezelfde plek op de bestrating was beroet. De buitenste ruit van het dubbelglas in het raamkozijn was gebroken. De zinken dakgoot, die ongeveer 2,5 meter boven het beroete deel van de bestrating hing, bevatte een perforatie die van onderaf was ontstaan. De auto, die op ongeveer vier meter afstand van het beroete deel van de bestrating stond, bevatte een metaalvervorming. De politie concludeerde dat een explosie heeft plaatsgevonden direct voor de raampartij in de voorgeval van de woning waarachter een slaapkamer gesitueerd was. Volgens de verbalisant is het zeer wel mogelijk dat het ontplofte explosief zwaar siervuurwerk betrof, zoals een mortierbom.
Het adres [straat 1 huisnummer B] in Kerkdriel staat op de eerder genoemde personeelslijst van [fruitbedrijf] die in het onderzoek Maldiven in het dossier is gevoegd.
Uitvoerders ( [naam 13] , [naam 14] en [medeverdachte 5] )
De grijze Renault Clio met het kenteken [kenteken 8] , dat op naam stond van [medeverdachte 5] , was ten tijde van de ontploffing voorzien van plaatsbepalingsapparatuur (een peilbaken). Op 23 november 2020 maakte die auto de volgende reisbewegingen.
‒ Tussen 00.17 en 00.26 uur is de auto verplaatst van Hilversum naar een tankstation aan de A27 bij Groenekan, waar een stop is geregistreerd tot 00.37 uur.
‒ Tussen 00.37 en 00.51 uur is de auto verplaatst naar een tankstation aan de A27 bij Nieuwegein, waar een stop is geregistreerd tot 00.58 uur.
‒ Tussen 00.58 en 01.28 uur is de auto verplaatst naar Kerkdriel.
‒ Van 02:03:34 tot 02:05:46 uur registreerde het baken een stop ter hoogte van het adres [straat 1] 2 in Kerkdriel. Dat perceel is gelegen aan dezelfde straat als de woning waar omstreeks 02.05 uur de ontploffing heeft plaatsgevonden.
‒ Tussen 02.07 en 02.42 uur is de auto verplaatst naar Hilversum.
Op camerabeelden van het tankstation aan de A27 bij Groenekan is te zien dat om 00.25 uur een grijze Renault Clio kwam aanrijden en vervolgens stilstond bij een pomp. Uit de auto stapten drie personen, die de shop binnengingen en bij binnenkomst zijn vastgelegd door een camera.
Uit de peilbakengegevens blijkt dat de Renault Clio met het kenteken [kenteken 8] op 23 november 2020 tussen 01.28 en 01.41 uur driemaal over de [straat] in Kerkdriel heeft gereden. Door de camera op het adres [straat] 1 in Kerkdriel is vastgelegd dat op 23 november 2020 om 01.30, 01.34 en 01.36 uur een lichtkleurige personenauto is gepasseerd. Volgens de politie komt dat voertuig het meest overeen met een Renault Clio. Aan Google Maps heeft het hof ontleend dat de [straat] in verbinding staat met het [straat 1] en dat de [straat] via de [straat] in verbinding staat met de [straat] .
Met de telefoon die is aangetroffen bij de fouillering van [naam 13] is op 23 november 2020 om 00.47 uur in de applicatie Google Maps gezocht naar ‘ [straat 1 huisnummer A] ’, waarna het adres [straat 1 huisnummer A] in Kerkdriel is geselecteerd.
[medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij de persoon is die op een camerabeeld te zien is en door de politie als bestuurder van de auto is aangemerkt. Verder heeft [medeverdachte 5] verklaard dat hij in Kerkdriel is geweest om twee personen een lift te geven.
[naam 13] is de foto getoond van de persoon die achterin die auto zat. [naam 13] heeft verklaard dat hij die persoon is. [naam 13] heeft verder verklaard dat hij een pakketje voor de woning in Kerkdriel heeft gegooid. Hij zou daarvoor € 200,- krijgen. Het pakketje zat in een witte plastic tas. [naam 13] dacht dat in die tas ‘een nitraat of iets dergelijks’ zat. Iemand anders had de lont van het pakketje aangestoken. [naam 13] heeft erkend dat hij op 23 november 2020 om 00.47 uur op zijn telefoon in Google Maps heeft gezocht naar ‘ [straat 1 huisnummer A] ’ en vervolgens het adres [straat 1 huisnummer A] in Kerkdriel heeft geselecteerd. De telefoon van [naam 13] is gebruikt om naar dat adres te navigeren.
[naam 14] is de foto getoond van de persoon die als bijrijder in de auto zat. [naam 14] heeft erkend dat hij die persoon is.
Conclusie
Er is daarbij ook gewezen op de mogelijkheid dat die persoon vaak in zijn gezelschap verkeerde, waardoor de overeenkomsten tussen de genoemde locatiegegevens van [verdachte] en de telefoon van de afperser verklaarbaar zijn. Hierbij is ook verwezen naar delen van de verklaringen van [naam 5] en [naam 6] die over verdachte ontlastend heeft verklaard.
Het hof acht dit scenario van [verdachte] niet aannemelijk geworden, ook niet als de voor verdachte ontlastende delen van de verklaring van [naam 5] en [naam 6] daarbij worden betrokken. Ter onderbouwing daarvan overweegt het hof in de eerste plaats dat [verdachte] niet heeft verklaard wie de gestelde afperser is. Mede daardoor zijn er onvoldoende aanknopingspunten om de juistheid van het scenario van [verdachte] te kunnen onderzoeken. Maar ook overigens is het niet aannemelijk dat iemand anders dan [verdachte] in de periode van 26 mei 2019 tot en met 3 juni 2019 de afperser van [slachtoffer 1] is geweest. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat [naam 5] weliswaar aanvankelijk bij de politie heeft verklaard dat ene Pedro hem heeft benaderd om geld te gaan ophalen bij het Van der Valk-hotel in Zaltbommel, maar dat onderzoek door de politie naar de betrokkenheid van een Pedro niets heeft opgeleverd en dat [naam 5] later bij de rechtbank Gelderland heeft verklaard dat Pedro ‘gedeeltelijk verzonnen’ is. Tenslotte betrekt het hof hierbij de omstandigheid dat [naam 5] heeft verklaard dat [verdachte] hem die woensdag (29 mei 2020) rond 23.00 uur met de auto heeft opgepikt en daarna heeft afgezet bij [naam 4] , maar daarbij niet heeft verklaard dat er naast hemzelf en [verdachte] nog een derde persoon in de auto zat. Dat zou, uitgaande van het scenario van verdachte, wel het geval moeten zijn geweest omdat op dat moment ook de telefoon van de afperser de zendmast bij het adres [adres 15] in Hilversum, aanstraalde.
3.3.
Bewijsoverwegingen Navigator (parketnummer 05/780039-21A, feit 1)
Onderzoek Navigator is een zaak die geen direct verband houdt met [fruitbedrijf] , maar zoals later zal blijken, heeft het feit wel overeenkomsten met de incidenten tegen [fruitbedrijf] .
Op 22 september 2020 omstreeks 23:20 uur is een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC) tot ontploffing gebracht bij de voordeur van een woning aan de [adres 8] in Zaandam. Het betrof de woning van [benadeelde partij 1] (de moeder van [naam 7] , ook wel bekend als ‘ [pseudoniem] ’). [benadeelde partij 1] stond op het moment van ontploffing in de hal. De VBC bestond uit een met motorbenzine gevulde jerrycan met daaraan zwaar vuurwerk (mortierbom) bevestigd. Als gevolg van de explosie is de voordeur naar binnen geslagen, kwam er zwarte rook naar binnen, zijn de bovenlichten van de toegangsdeuren van de nummers 58, 60 en 62 gebroken en lagen er in de omgeving glasscherven. Daarnaast was er schade aan beplanting en decoraties. Op camerabeelden is te zien dat één persoon om 23:20 uur in de richting van de voorzijde van de [adres 8] loopt, ter hoogte van de woning vermoedelijk iets aansteekt en daarna wegrent. Om 23:26 uur is een Volkswagen Caddy (kenteken [kenteken 4] ) twee ANPR-camera’s in de omgeving van de plaats delict gepasseerd. Het voertuig kwam vanuit de richting van Zaandam en bewoog in de richting van de Rijksweg A8.
3.3.1.
Standpunt van het OM
Anders dan de rechtbank hebben de advocaten-generaal het standpunt ingenomen dat voorbedachte raad bewezen kan worden verklaard en dat daarmee het grondfeit gekwalificeerd kan worden als poging tot moord en als het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing waarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te duchten was. Er is sprake van eendaadse samenloop. Volgens de advocaten-generaal is er tevens voldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat de uitlokking door verdachte van die poging tot moord wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van de feiten verschillende (bewijs)verweren gevoerd en geconcludeerd dat verdachte van alle feiten dient te worden vrijgesproken. Waar nodig zal het hof op die verweren hieronder ingaan.
3.3.3.
Oordeel van het hof
Vaststaat dat op 22 september 2020 in Zaandam een VBC tot ontploffing is gebracht bij de voordeur van de woning van [benadeelde partij 1] . De vraag die het hof moet beantwoorden is wie hierbij betrokken zijn geweest.
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 3] in Zaandam een aanslag heeft gepleegd op de woning van een treitervlogger. Hij heeft verklaard dat hij door [medeverdachte 3] is benaderd om hem ergens naar toe te brengen tegen een vergoeding. [medeverdachte 3] zou daar vuurwerk afsteken. Hij reed (in een Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken 4] ) en stond op de uitkijk, terwijl [medeverdachte 3] het vuurwerk afstak, een shell. [medeverdachte 3] vertelde hem later dat de opdracht van [verdachte] kwam en hij ( [medeverdachte 3] ) daarvoor € 150,- of € 200,- kreeg.
De verklaring van [medeverdachte 4] - die inhoudt dat hij samen met [medeverdachte 3] betrokken is geweest bij deze aanslag - wordt op de volgende punten ondersteund:
de ANPR-hits met het voertuig dat op dat moment door [medeverdachte 4] werd gebruikt die passen bij de terugrit vanaf de plaats delict;
op de camerabeelden is slechts één persoon te zien (hetgeen een bevestiging vormt voor de verklaring van [medeverdachte 4] dat hij de bestuurder was en [medeverdachte 3] de shell gooide);
het type zwaar vuurwerk (shell) dat bij de aanslag is gebruikt.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] bij dit feit betrokken zijn geweest.
Opzet op de dood?
De vraag die het hof, gelet op de tenlastelegging, vervolgens moet beantwoorden is of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] opzet op de dood van de bewoner hebben gehad. Van vol opzet is niet gebleken. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien verdachten zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Volgens het onderzoek van de brandonderzoeker kon door de explosieve verbranding van een zwaar stuk vuurwerk een drukgolf ontstaan. Door die drukgolf zijn vrijwel alle ramen van de aan deze portiek gelegen voordeuren vernield geraakt. Door de kracht van de explosie zijn glasdelen met grote kracht in diverse richtingen weggeschoten, met de beschreven schade tot gevolg. Personen die zich op dat moment in de omgeving hadden bevonden, al dan niet in de woning zelf, hadden als gevolg van weggeschoten fragmenten of glasdelen ernstig tot dodelijk letsel kunnen oplopen. Ook kon de ontploffing van de VBC tot een heftige explosie leiden, waarbij door de ontbranding van de motorbenzine een grote vuurbal kon ontstaan. Het ontstaan van deze vuurbal, in combinatie met de constructie van de betreffende portiek en de vernielde ruiten van de voordeuren, kon tot een zeer snelle tot explosieve branduitbreiding in verschillende woningen leiden.
Conclusie
[naam 14] heeft verder verklaard dat hij één van de twee personen is die te zien zijn op de genoemde camerabeelden bij de woning waar de ontploffing heeft plaatsgevonden en dat hij, [naam 14] , een lont heeft aangestoken.
Tussenconclusies
Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat [medeverdachte 5] , [naam 13] en [naam 14] tezamen en in vereniging een ontploffing teweeg hebben gebracht bij de woning op het adres [straat 1 huisnummer B] in Kerkdriel. [medeverdachte 5] heeft de auto bestuurd waarin het drietal naar de plaats van het misdrijf is gereden. [naam 13] en [naam 14] zijn uit de auto geweest en naar de woning gegaan, waar [naam 14] de lont heeft aangestoken en [naam 13] het explosief naar de woning heeft gegooid. Bovendien heeft voorafgaand aan het teweegbrengen van de ontploffing door [medeverdachte 5] , [naam 13] en [naam 14] een verkenning plaatsgevonden van de (omgeving van de) plaats van het misdrijf, wat het hof afleidt uit het herhaaldelijk rijden over de [straat] en de [straat] tussen 01.28 en 01.41 uur. Daarnaast heeft [medeverdachte 5] gewacht in de auto teneinde de vlucht voor zijn mededaders mogelijk te maken. Op grond van al deze feiten en omstandigheden blijkt dat er een nauwe en bewuste samenwerking tussen alle drie de verdachten was.
Naar het oordeel van het hof is door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt.
Verder is het hof van oordeel dat:
‒ door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor de personen die tijdens de ontploffing in die woning aanwezig waren en
‒ de bijdrage aan de ontploffing van in ieder geval [naam 13] moet worden aangemerkt als een poging tot moord.
Ter onderbouwing van deze oordelen overweegt het hof het volgende.
Het hof stelt vast dat gebruik is gemaakt van een explosief dat blijkbaar krachtig genoeg was om vanaf de grond de buitenste ruit van het dubbelglas van de slaapkamer te doen breken, een perforatie te veroorzaken in een zinken dakgoot die 2,5 meter van het explosief verwijderd was en een metaalvervorming te bewerkstelligen in een auto die op vier meter afstand van het explosief stond.
Daarnaast stelt het hof vast dat het explosief tegen de ruit van de slaapkamer in de voorgevel is gegooid. Dit leidt het hof in het bijzonder af uit de volgende onderzoeksresultaten, bezien in onderlinge samenhang. Voorafgaand aan de luide knal hoorde [benadeelde partij 5] een soort gebonk op de ruit en daarna iets vallen op de bestrating. De politieambtenaar die ter plaatste forensisch onderzoek heeft verricht, heeft camerabeelden bekeken waarop het incident te zien is en heeft daarop waargenomen dat het explosief richting de raampartij van de woning werd gegooid en dat het erop lijkt dat het explosief is afgeketst tegen een van de ruiten en op de bestrating voor de voorgevel is gevallen. Ook de omstandigheid dat het explosief verzwaard was met een steen, vormt naar het oordeel van het hof een aanwijzing dat het de bedoeling was dat het explosief door een ruit zou worden gegooid. Dat het explosief verzwaard was met een steen, leidt het hof af uit de volgende onderzoeksresultaten, bezien in onderlinge samenhang. [benadeelde partij 5] heeft verklaard na het bonkgeluid tegen het slaapkamerraam iets te hebben gehoord dat klonk als het vallen van een steen op de bestrating. Daarnaast is kort na de explosie in de voortuin direct voor de voorgevel, dus bij de plek van de ontploffing, een steen aangetroffen met een gewicht van ongeveer 2,4 kilogram. Verder zat het explosief in een plastic tas, wat er naar het oordeel van het hof op duidt dat het explosief gebundeld was met een ander voorwerp.
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat [naam 13] een krachtig explosief, dat verzwaard was met een steen van ongeveer 2,4 kilo, tegen een ruit van de slaapkamer in de voorgevel van de woning heeft gegooid.
Poging tot moord
Uit de uiterlijke verschijningsvorm leidt het hof af dat het kennelijk de bedoeling was dat het (verzwaarde) explosief door de woningruit heen zou gaan, vervolgens in de woning tot ontploffing zou komen en daar zou hebben geleid tot een woningbrand of andersoortige levensgevaarlijke situatie waarbij een dodelijke afloop voor de personen die in die woning aanwezig waren een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was. Naar het oordeel van het hof is het ook algemeen bekend dat een ontploffing van een krachtig explosief binnen in een woning – vanwege de specifieke combinatie van een uitzonderlijk grote gevaarzetting en de veelal volstrekte onvoorspelbaarheid van de precieze situatie in de woning op het moment van en direct na de ontploffing – gepaard gaat met de reële mogelijkheid dat dit leidt tot de dood van de personen die tijdens die ontploffing in de woning aanwezig zijn. [naam 13] heeft wellicht niet geweten dat achter het raam waartegen het explosief werd gegooid een slaapkamer gesitueerd was waarin op dat moment personen lagen te slapen, maar naar het oordeel van het hof is er geen enkele reden om aan te nemen dat hij geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat in de woning mensen aanwezig waren. Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat (het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat) [naam 13] zich ervan bewust is geweest dat het gooien van het verzwaarde explosief door de woningruit zou leiden tot een aanmerkelijke kans op het overlijden van de personen die in die woning aanwezig waren. Verder is het hof van oordeel dat de gedraging van [naam 13] , het gooien van een verzwaard krachtig explosief tegen de woningruit, zozeer gericht was op het veroorzaken van het overlijden van de personen in die woning, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat [naam 13] de aanmerkelijke kans op het overlijden van die personen bewust heeft aanvaard.
In het voorgaande ligt besloten dat het hof van oordeel is dat de onderhavige woningaanslag moet worden aangemerkt als een poging tot moord, begaan tegen de personen die op dat moment in die woning aanwezig waren. Het hof acht immers ook bewezen dat [naam 13] door het explosief tegen de woningruit te gooien, heeft gehandeld met voorbedachte raad. Hij is vanuit de omgeving van Hilversum met een explosief naar de plaats van het misdrijf gegaan om daar dat explosief tot ontploffing te laten komen in een woning. Deze gang van zaken getuigt van een planmatige aanpak. Het hof leidt hieruit af dat [naam 13] zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit om een explosief in een woning tot ontploffing te laten komen. [naam 13] heeft dus de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen daarvan en zich daarvan rekenschap te geven.
Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezigen in de woning
Uit het vorenstaande volgt tevens dat het ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat door die ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten zou zijn voor de personen die tijdens de ontploffing in die woning aanwezig waren.
25 november 2020: aanslag in Hedel (05/780001-21, feit 5 en 6)
Op 25 november 2020 om 03.12 uur ontving de politie een melding van een woningbrand op het adres [adres 3] in Hedel.
Aangever [benadeelde partij 6] , die net als zijn broer [benadeelde partij 7] die nacht in die woning was, hoorde een heel harde knal. Kort daarna hoorde de aangever een tweede harde knal. Kort erna riep zijn broer dat er brand was. De aangever zag vuur en rook, die van beneden kwam.
Conclusie
Personen die op dat moment in de woningen of in de omgeving daarvan aanwezig waren konden daardoor ernstig tot dodelijk (brand)letsel oplopen.
Met betrekking tot [medeverdachte 4] overweegt het hof dat niet kan worden vastgesteld dat hij de aanmerkelijke kans dat er mensen konden overlijden of zwaar lichamelijk letsel konden oplopen willens en wetens heeft aanvaard. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij dacht dat het om lichter vuurwerk ging dat in een tuin tot ontploffing zou worden gebracht ter afschrikking. Dat [medeverdachte 3] een VBC heeft gebruikt en deze bij een voordeur van een woning tot ontploffing heeft gebracht wist [medeverdachte 4] (vooraf) niet. Zijn rol ging niet verder dan het besturen van de auto en het op de uitkijk staan, waardoor hij ook niet tussentijds van het gebruik van de VBC op de hoogte is geraakt. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen die het tegendeel onderbouwen. Om die reden acht het hof niet bewezen dat er bij [medeverdachte 4] sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van de bewoners. Dat betekent dat hij niet als (mede)pleger van de ten laste gelegde poging tot moord/doodslag/zware mishandeling kan worden gezien.
Met betrekking tot [medeverdachte 3] overweegt het hof dat de mortierbom die hij bij de voordeur van de woning tot ontploffing heeft gebracht op zichzelf genomen al zwaar illegaal vuurwerk is dat een enorme knal en drukgolf veroorzaakt. Daarbij is tevens door hem gebruik gemaakt van een met motorbenzine gevulde jerrycan. Deze VBC heeft hij bij de voordeur nabij glas tot ontploffing gebracht. Mede in het licht van de bevindingen van de brandonderzoeker, beoordeelt het hof de kans dat personen in/nabij de woningen als gevolg van de ontploffing hadden kunnen overlijden als aanmerkelijk. Voorts is het hof van oordeel dat [medeverdachte 3] de aanmerkelijke kans op overlijden ook bewust heeft aanvaard. Op het moment van de ontploffing stond [benadeelde partij 1] overigens daadwerkelijk in de hal op korte afstand van de voordeur. Zij is door de kracht van de explosie haar woning ingeworpen.
Voorbedachte raad?
De volgende vraag die het hof dient te beantwoorden is of [medeverdachte 3] zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord of poging tot doodslag. Bij (poging tot) moord moet bewezen worden dat een verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Het hof overweegt in dat kader dat [medeverdachte 3] met een door hem op voorhand verkregen explosief naar een op voorhand bepaalde woning is gegaan om dat explosief daar tot ontploffing te laten komen bij de voordeur van die woning. Dit betrof een woning in een andere stad en hij heeft hiervoor [medeverdachte 4] benaderd om hem daar met de auto naartoe te brengen. Deze gang van zaken getuigt van een planmatige aanpak. Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 3] zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit om dat explosief bij de voordeur van de woning tot ontploffing te laten komen. [medeverdachte 3] heeft dus de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen daarvan en zich daarvan rekenschap te geven, zodat naar het oordeel van het hof sprake is van voorbedachte raad.
Eendaadse samenloop met opzettelijk ontploffing teweegbrengen
Hetzelfde feitencomplex is tevens aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] ten laste gelegd als het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, met gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar. Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van dit feit het opzet van een verdachte slechts gericht hoeft te zijn op het teweegbrengen van een ontploffing en niet ook op het teweegbrengen van de gevolgen daarvan. Van belang is of het gevaar ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest.
Gelet op het tijdstip (laat in de avond), de locatie waar de VBC tot ontploffing is gebracht (bij de voordeur), de kracht van de ontploffing die af te leiden is uit de schade die door de ontploffing is veroorzaakt én waarbij benzine als brandversneller is gebruikt en de feitelijke aanwezigheid van de bewoonster in de woning, is het hof van oordeel dat naar algemene ervaringsregels voor [medeverdachte 3] voorzienbaar moet zijn geweest dat door dit handelen gemeen gevaar voor (de inboedel van) de woning, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor de bewoners van die woning te duchten was.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat voor [medeverdachte 4] , ten aanzien van wie alleen kan worden vastgesteld dat hij dacht dat het om lichter vuurwerk ging dat in een tuin tot ontploffing zou worden gebracht ter afschrikking en dat hij is opgetreden als degene die de auto bestuurde en op de uitkijk stond, naar algemene ervaringsregels niet zonder meer voorzienbaar kan worden geacht dat door het handelen van [medeverdachte 3] gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor de bewoners van een woning te duchten was. Wel acht het hof bewezen dat voor [medeverdachte 4] voorzienbaar moet zijn geweest dat door het tot ontploffing brengen van vuurwerk in een tuin gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
Conclusie
Kort daarna is de aangever uit een raam geklommen en via de partytent naar beneden geklommen.
[benadeelde partij 7] is die nacht wakker geworden van glasgerinkel beneden. Kort daarna hoorde hij een geluid dat volgens hem klonk als een ontsteking of ontbranding. Even later hoorde hij een enorme klap. Kort daarna vulde het huis zich met dikke rook. [benadeelde partij 7] is vanaf de eerste verdieping uit een raam gesprongen en kwam terecht in het gras. Door de brand en de sprong heeft [benadeelde partij 7] verschillende soorten letsel opgelopen, waaronder een diepe hoofdwond, tweedegraads brandwonden op zijn rechterarm en een breuk van zijn rechterpols.
De politie heeft later die dag forensisch onderzoek verricht en geconcludeerd dat de brand is ontstaan in de linker voorkamer van de woning. De ruit van de linkerkamer was eruit geblazen. Op het gras in de voortuin werd glas aangetroffen, tot 23 meter bij de woning vandaan. Uit de breuken van het glas leidde de politie af dat het glas kapot was gegaan door geweld, bijvoorbeeld door een explosie. Aan beide zijden van het glas in de voortuin was geen afzetting van roet zichtbaar, wat er volgens de politie op duidt dat de ruit voorafgaand aan de brand al kapot was. De politie concludeerde dat een ontploffing, bijvoorbeeld door zwaar vuurwerk, zeer aannemelijk is.
Het adres [adres 3] in Hedel staat op de eerder genoemde personeelslijst van [fruitbedrijf] die in het onderzoek Maldiven in het dossier heeft gezeten.
Uitvoerders ( [naam 13] en [medeverdachte 5] )
De grijze Renault Clio met het kenteken [kenteken 8] , dat op naam stond van [medeverdachte 5] , was ten tijde van de ontploffing voorzien van plaatsbepalingsapparatuur (een peilbaken). Op 24 en 25 november 2020 maakte die auto de volgende reisbewegingen.
‒ Tussen 23:53:41 en 00:22:43 uur bevond de auto zich in Hilversum.
‒ Tussen 00:22:43 en 01:19:16 uur verplaatste de auto zich van Hilversum naar Hedel.
‒ Om 01:23:38 uur was de auto bij het adres [straat] 45 in Hedel. Aan Google Maps heeft het hof ontleend dat dit adres gelegen is op een afstand van 300 meter van de plaats van het misdrijf. Om 01:25:49 uur is een stop geregistreerd bij het adres [straat] 40 in Hedel en om 01:37:46 is beweging geregistreerd bij het adres [adres] in Ammerzoden. Aan Google Maps heeft het hof ontleend dat deze twee adressen gelegen zijn tussen het adres [straat] 45 in Hedel en de plaats van het misdrijf.
‒ Tussen 01.37 en 02.10 uur verplaatste de auto zich naar een tankstation aan de A2 bij Bruchem, waar een stop is geregistreerd tot 02.33 uur.
‒ Om 03:01:30 uur is een stop geregistreerd bij het adres [straat] 19 in Hedel. Om 03:03:48 uur is een stop geregistreerd bij het adres [adres] in Hedel. Aan Google Maps heeft het hof ontleend dat deze twee adressen hemelsbreed ongeveer honderd meter van elkaar verwijderd zijn en dat voor beide adressen geldt dat de afstand naar de plaats van het misdrijf ongeveer 200 meter is.
‒ De eerstvolgende registratie was om 03:11:17 uur bij het adres [adres] in Hedel. Het hof heeft aan Google Maps ontleend dat dit adres gelegen is op ongeveer een kilometer van de plaats van het misdrijf.
‒ Tussen 03.12 en 03.47 uur verplaatste de auto zich naar Hilversum.
Met de telefoon die is aangetroffen bij de fouillering van [naam 13] is op 25 november 2020 om 00.42 uur in de applicatie Google Maps gezocht naar ‘ [adres 3] ’, waarna het adres [adres 3] in Hedel is geselecteerd.
Op camerabeelden van een tankstation aan de A2 bij Bruchem is het volgende te zien (telkens op 25 november 2020). Om 02.10 uur kwam een zilvergrijze Renault Clio met het kenteken [kenteken 8] het parkeerterrein van het tankstation opgereden. De bijrijder stapte uit de auto en liep in de richting van de ingang van de shop en liep vervolgens de shop binnen. De bijrijder droeg een gele hoodie. Om 02.31 uur stapte de bestuurder uit de auto en liep in de richting van de ingang van de shop. De bestuurder droeg een blauwe jas met witte banden om de bovenarmen. De bestuurder liep de shop binnen.
[naam 13] is de foto getoond van de persoon die als bijrijder in de auto zat, waarop [naam 13] heeft verklaard dat hij die persoon is. [naam 13] heeft verklaard dat hij met iemand naar Hedel is gereden omdat daar weer een pakketje naar een woning moest worden gegooid. Verder heeft [naam 13] verklaard dat zijn telefoon is gebruikt voor de navigatie naar Hedel.
Een politieambtenaar heeft de camerabeelden van het tankstation bekeken en heeft de daarop zichtbare bestuurder (met een vest met witte strepen over de bovenarmen) herkend als [medeverdachte 5] .
[medeverdachte 5] heeft over het incident in Hedel verklaard dat hij één persoon een lift heeft gegeven en dat hij daar een geldbedrag voor heeft ontvangen. Hij is die avond twee keer in Hedel geweest. Tussendoor zijn ze bij een tankstation geweest.
Tussenconclusies
Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat [medeverdachte 5] en [naam 13] tezamen en in vereniging een ontploffing teweeg hebben gebracht op het adres [adres 3] in Hedel. [medeverdachte 5] heeft de auto bestuurd waarin het tweetal naar de plaats van het misdrijf is gereden. Voorafgaand aan het teweegbrengen van de ontploffing heeft een verkenning plaatsgevonden van de (omgeving van de) plaats van het misdrijf, wat het hof afleidt uit de aanwezigheid van de auto van [medeverdachte 5] op niet meer dan enkele honderden meters van de plaats van het misdrijf tussen 01.23 en 01.37 uur.
Het hof stelt vast dat het explosief door de ruit in de voorgevel bij de linker voorkamer is gegooid en dat het explosief daarna in die linker voorkamer tot ontploffing is gekomen. Dit leidt het hof in het bijzonder af uit de volgende onderzoeksresultaten, bezien in onderlinge samenhang. Ten eerste heeft [benadeelde partij 7] voorafgaand aan de ‘enorme klap’ glasgerinkel gehoord. Ten tweede zijn in de voortuin van de woning glasdelen zonder roetafzetting aangetroffen op een afstand van 23 meter van de woning. Naar het oordeel van het hof duiden deze bevindingen op een gang van zaken waarbij eerst het explosief door de ruit in de woning is gegooid en vervolgens dat explosief in de woning tot ontploffing is gekomen, waarbij die ontploffing ervoor heeft gezorgd dat glas dat nog in de geval zat bij de woning vandaan de voortuin in is geblazen.
Daarnaast stelt het hof vast dat het explosief tegen de ruit is gegooid met de bedoeling het explosief in de woning tot ontploffing te laten komen.
Conclusie
Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat:
‒ twee dagen eerder (op 23 november 2020) door dezelfde dadergroep de hiervóór behandelde woningaanslag in Kerkdriel is gepleegd, waarbij is geprobeerd een (met een steen verzwaard) explosief door een woningruit te gooien en in een woning tot ontploffing te laten komen, en
‒ de afperser van [slachtoffer 1] – naar het oordeel van het hof ook de opdrachtgever van de aanslagen – op 1 november 2020 heeft aangekondigd dat de aanslagen serieuzer zullen worden en op 14 november 2020 heeft aangekondigd dat als de aanslagen worden hervat de schade anders zal zijn.
Het hof is van oordeel dat:
‒ door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor de personen die tijdens de ontploffing in die woning aanwezig waren en
‒ het teweegbrengen van de ontploffing moet worden aangemerkt als een poging tot moord.
Ter onderbouwing van deze oordelen overweegt het hof het volgende.
Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezigen in de woning
Naar het oordeel van het hof is door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten geweest voor de personen die tijdens de ontploffing in die woning aanwezig waren. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt, want de ontploffing heeft geleid tot een woningbrand, waardoor een levensgevaarlijke situatie is ontstaan waarin de bewoners geen andere mogelijkheid zagen dan de woning te verlaten via een raamopening op de eerste verdieping. Naar het oordeel van het hof was dit gevaar ook naar algemene ervaringsregels voorzienbaar ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing.
Poging tot moord
Het hof is van oordeel dat door de ontploffing in de woning een aanmerkelijke kans is ontstaan op het overlijden van de twee personen die in de woning aanwezig waren. De ontploffing heeft geleid tot een woningbrand, waardoor een levensgevaarlijke situatie is ontstaan waarin de bewoners geen andere mogelijkheid zagen dan de woning te verlaten via een raamopening op de eerste verdieping. Naar het oordeel van het hof is het ook algemeen bekend dat een ontploffing van een krachtig explosief binnen in een woning – zoals eerder opgemerkt: vanwege de specifieke combinatie van een uitzonderlijk grote gevaarzetting en de veelal volstrekte onvoorspelbaarheid van de precieze situatie in de woning op het moment van en direct na de ontploffing – gepaard gaat met de reële mogelijkheid dat dit leidt tot de dood van de personen die tijdens die ontploffing in de woning aanwezig zijn. Op basis van het voorgaande komt het hof tot de (tussen)conclusie dat (het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat) de persoon die het explosief in de woning tot ontploffing heeft laten komen (hierna: de uitvoerder) zich ervan bewust is geweest dat die ontploffing zou leiden tot een aanmerkelijke kans op het overlijden van de personen die (mogelijk) in die woning aanwezig waren. Verder is het hof van oordeel dat de gedraging van de uitvoerder, het gooien van een krachtig explosief tegen de woningruit met de kennelijke bedoeling het explosief in de woning tot ontploffing te laten komen, zozeer gericht was op het veroorzaken van het overlijden van de personen in die woning, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat de uitvoerder de aanmerkelijke kans op het overlijden van die personen bewust heeft aanvaard.
In het voorgaande ligt besloten dat het hof van oordeel is dat de onderhavige woningaanslag moet worden aangemerkt als een poging tot moord, begaan tegen de personen die op dat moment in die woning aanwezig waren. Het hof acht namelijk ook bewezen dat is gehandeld met voorbedachte raad. De pleger is vanuit de omgeving van Hilversum met een explosief naar de vooraf vastgestelde plaats van het misdrijf gegaan om daar een explosief in een woning tot ontploffing te laten komen. Deze gang van zaken getuigt van een planmatige aanpak. Het hof leidt daaruit af dat de pleger zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit om een explosief in een woning tot ontploffing te laten komen. Die persoon heeft dus de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen daarvan en zich daarvan rekenschap te geven.
30 november 2020: sms-berichten (telefoonnummer [telefoonnummer 19] )
Op 30 november 2020 om 19.21 uur ontving [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) de volgende sms-berichten van telefoonnummer [telefoonnummer 19] ( [telefoonnummer 19] ).
‒
Het is nu 2.5miljoen. draag het geld over. tot die tijd gaan we door en het zal erger zijn dan hedel
‒
Je weet hoe je moet betalen. geen uitstel en geen contact meer.
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 19] ) straalde op 30 november 2020 om 19:21:00 en 19:23:25 uur de zendmast aan bij het adres [adres] in [plaats] .
20 december 2020: sms-bericht (telefoonnummer [telefoonnummer 20] )
Op 20 december 2020 om 13.53 uur ontving [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) de volgende sms-berichten van telefoonnummer [telefoonnummer 20] ( [telefoonnummer 20] ).
‒
was even het e.e.a aan het voorbereiden voor je. als je vandaag geen contact laat opnemen met die verdachte, en niet aangeeft dat je mij wilt betalen dan krijg je zoals beloofd een nieuwe aanslag. dit x zal het er iets anders aan toe gaan.
‒
FIJNE DAG NOG TOESTEL IS WEG
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 20] ) straalde op 20 december 2020 tussen 13:53:52 en 13:56:58 uur de zendmast aan bij het adres [adres] in [plaats] .
16-21 december 2020: verijdelde aanslagen in Hilversum (05/780001-21, feit 7)
8 december 2020: [verdachte] verkrijgt het adres van een dochter van [slachtoffer 1]
Het hof stelt vast dat [verdachte] op 8 december 2020 iemand heeft ingeschakeld om via een medewerker van een verzekeringsmaatschappij gegevens te verkrijgen van de kinderen van [slachtoffer 1] . Dat heeft ertoe geleid dat [verdachte] het adres heeft verkregen van een dochter van [slachtoffer 1] , te weten [straat 2 huisnummer D] in Hilversum. Deze conclusie baseert het hof op het volgende.
R. [medeverdachte 12] maakte gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer 21] ( [telefoonnummer 21] ).
A. [medeverdachte 11] maakte gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer 22] ( [telefoonnummer 22] ).
[verdachte] heeft verklaard dat hij gebruikmaakte van telefoonnummer [telefoonnummer 12] ( [telefoonnummer 12] ).
Op 8 december 2020 rond 14.53 uur belde [medeverdachte 12] ( [telefoonnummer 12] ) met (Abdelhafid) [medeverdachte 11] ( [telefoonnummer 22] ).
Conclusie
Dit gesprek duurde 65 seconden.
Kort daarna, om 14:54:22 uur, nam [medeverdachte 11] ( [telefoonnummer 22] ) via WhatsApp contact op met [verdachte] ( [telefoonnummer 12] ) en vond de volgende berichtenwisseling plaats.
Tijdstip
Afzender
Bericht
14:54:22 uur
[medeverdachte 11]
wat heb je nodig
14:57:09 uur
[verdachte]
werkt ie
14:57:33
[medeverdachte 11]
ja (...)
(...)
14:58:22 uur
[verdachte]
ik wil weten hoe de kinderen van deze persoon heten
(...)
14:58:36 uur
[medeverdachte 11]
wat nog meer
14:58:36 uur
[verdachte]
oke moment
(...)
14:59:16 uur
[verdachte]
uurtje dan stuur ik je
(...)
17:52:26
[medeverdachte 11]
ik bel hem nu op
19:02:14
[medeverdachte 11]
gelukt
Diezelfde dag tussen 17.56 en 18.03 uur vonden zeven bevragingen plaats van de Basisregistratie Personen (BRP) op [slachtoffer 1] en zijn twee dochters [slachtoffer 5] en [slachtoffer 11] . Die bevragingen zijn verricht door gebruiker [medeverdachte 12] (medewerker van [verzekeringsmaatschappij] ). Door deze bevragingen zijn gegevens verkregen van [slachtoffer 11] , die toen in de BRP stond ingeschreven op het adres [straat 2 huisnummer D] in Hilversum.
Om 18.56 uur zocht [verdachte] op zijn telefoon in de applicatie ‘Kaarten’ naar ‘ [straat 2] Hilversum’.
Rond 21.05 uur stuurde [verdachte] ( [telefoonnummer 12] ) via WhatsApp de volgende berichten naar [naam 8] ( [telefoonnummer 39] ).
ik heb net namelijk wat info gehad
waar justitie niet blij mee gaat zijn (...) haha
In de telefoon van [medeverdachte 12] zijn foto’s aangetroffen waarop privacygevoelige informatie zichtbaar was van onder meer [slachtoffer 11] (het hof begrijpt: [slachtoffer 11] ). Op één van die foto’s is te zien dat iemand staat ingeschreven op het adres [straat 2 huisnummer D] in Hilversum.
[medeverdachte 12] heeft verklaard dat [medeverdachte 11] hem op 8 december 2020 belde en vroeg of hij de persoonsgegevens van een vrouw met de achternaam [slachtoffer 11] wilde opvragen in de systemen. [medeverdachte 12] moest het adres van die vrouw opzoeken en aan [medeverdachte 11] doorgeven. [medeverdachte 12] vond in de systemen de persoon naar wie [medeverdachte 11] had gevraagd en heeft toen foto’s gemaakt van zijn beeldscherm. Die foto’s heeft [medeverdachte 12] via WhatsApp naar [medeverdachte 11] gestuurd.
[medeverdachte 11] heeft verklaard dat hij bij [medeverdachte 12] ( [medeverdachte 12] ) gegevens heeft opgevraagd en die heeft doorgestuurd naar [verdachte] ( [verdachte] ). Dat ging via [medeverdachte 12] , omdat [medeverdachte 12] bij een verzekeringsmaatschappij werkte en daardoor persoonsgegevens kon opvragen. [medeverdachte 11] was door [verdachte] gevraagd om [medeverdachte 12] te benaderen. [medeverdachte 11] had een naam ontvangen waarop gezocht moest worden.
Nadat [verdachte] op 8 december 2020 het adres van de dochter van [slachtoffer 1] had verkregen, zijn later die maand twee aanslagen op dat adres verijdeld. In beide gevallen werd de aanslag voorbereid door personen die al eerder hadden deelgenomen aan een woningaanslag in het kader van de poging tot afpersing van [slachtoffer 1] . Deze conclusie baseert het hof op het volgende.
16-17 december 2020: verijdelde aanslag 1 ( [naam 13] en [medeverdachte 5] )
De auto van [medeverdachte 5] (een Renault Clio met het kenteken [kenteken 8] ) was voorzien van apparatuur voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC).
Conclusie
Op 16 december 2020 voerden [medeverdachte 5] en [naam 13] in die auto met elkaar een gesprek dat hieronder gedeeltelijk is weergegeven.
Vanaf 00.36 uur
[medeverdachte 5]
:
Waar is die oso precies
[naam 13]
:
[onverstaanbaar] Den Dolder
[medeverdachte 5]
:
Nee, die die die boemba
[naam 13]
:
ooh wacht [straat 2]
(...)
[medeverdachte 5]
:
ja ja ik weet precies, je moet dat hele straatje gaan uitrennen man
[naam 13]
:
ja de [straat 2] ga ik helemaal uitrennen
[medeverdachte 5]
:
ik ga ff bedenken waar ik ga staan, waar geen cammies (fon) staan man
(...)
ik zat ff na te denken waar ik ga staan. [straat 2] . Je blijft gewoon de weg ja toch dan die straatje daarna.
Wah zo zodie [straat] , zo heet dat toch daar achter?
[naam 13]
:
jaja
[medeverdachte 5]
:
(...) anders sowieso heet, daar zijn sowieso oso’s met camera’s, je weet toch
[naam 13]
:
daarom dacht ik gelijk bij de [straat] daar laatste (...) soort van straatje gelijk in.
Daar sta jij
[medeverdachte 5]
:
[onverstaanbaar]straat
[naam 13]
:
één van die straten, ik weet niet meer
[medeverdachte 5]
:
naar de [straat] [het hof begrijpt: [straat] ], ja
[naam 13]
:
kijk als je de [straat] [fonetisch] uitrijdt, naar links en dan rechts, daar heb je een straatje (...)
geen oso geen cammie
[medeverdachte 5]
:
kijk ik weet als ik gewoon geparkeerd sta, kijk ze gaan sowieso kijken weet je wat je het beste kan doen, je kan vanaf daar naar de [straat] (...) wist je dat? (...)
[naam 13]
:
ooh die uh die fietspadje bedoel je?
[medeverdachte 5]
:
juistem (...). Eigenlijk zat ik te denken kom ga fiets ergens pakken, fiets je dat [bijnaam 4] stukje. Snap je wat ik bedoel
[naam 13]
:
ja maar ik dacht van dat we gelijk doen.
Conclusie
(...)
jij rijdt [straat] uit (...) en uiteindelijk rijden we gewoon de snelweg op en gaan we naar Amersfoort
Vanaf 01:03:40 uur
[naam 13]
:
ik moet het vanavond doen gast
Vanaf 01:04:51 uur
[medeverdachte 5]
:
kan je niet met papier verlengen? Want die lont is gevoelig toch?
[naam 13]
:
ja maar als ik m gooi
Vanaf 01:05:11 uur
[medeverdachte 5]
:
wol, je moet wol hebben, wol, iets wat langzaam brand en niet uitgaat
[naam 13]
:
ja man als je die door de raam heen gooit (...) afgaat (...)
[medeverdachte 5]
:
als je m door die raam heen gooit kan het ook zijn (...) knalt
Vanaf 01:06:03 uur
[medeverdachte 5]
:
(...) Kijk als jij hier rent (...)
ik zal je laten zien, kijk als jij de [straat] [het hof begrijpt: [straat] ] pakt, is letterlijk twee-/driehonderd meter
(...)
[naam 13]
:
zodra die bakkie is gegooid en shell er in zit dan moet je eigenlijk al weg zijn, dan moet je al in de auto zitten
[medeverdachte 5]
:
weet ik weet ik, maar je moet zo zien he die straat is sowieso fucked up voor mij. Je moet zo zien he het is onze eigen stad he bro, ik rij met deze auto gewoon in de buurt snap je
Vanaf 01:15:42 uur
[naam 13]
:
die grote straten worden heet
[medeverdachte 5]
:
ja daarom, daarom wil ik..
Conclusie
dit is 1 minuut rijden snap je
[naam 13]
:
want kijk, de politie komt sowieso gaat sowieso via [straat] want dat is het makkelijkste voor hun, hun willen sowieso gelijk deze zone gewoon gelijk rond hebben dat als wij uitrijden, dan komen we tegemoet
Vanaf 01:27:18 uur
[naam 13]
:
[straat 2 huisnummer C] , oke 450 meter ja
(...)
[medeverdachte 5]
:
ik ga nu die [straat] laten zien
[naam 13]
:
bro stil alsjeblieft, dat is 500 meter zelfs, ik heb je nog gegund met 50 meter he
[medeverdachte 5]
:
oooh wat erg 50 meter meer rennen
(...)
[naam 13]
:
oke [straat 2] , hier wacht kijk [straat 2 huisnummer C] [straat]
Vanaf 01:28:32 uur
[naam 13]
:
ik moet me nog omkleden daarna nog en die spullen pakken
[medeverdachte 5]
:
heb je dat allemaal nog niet gepakt
[naam 13]
:
waarom ga ik dat nu meenemen als we gaan verkennen?
(...)
[naam 13] vraagt of hij nu wil doen.
[medeverdachte 5] zegt: ja nu.
[naam 13] zegt: waarom niet om twee, drie dat is het minst heet
Vanaf 01:33:25 uur
(...)
[naam 13]
:
we kunnen ook net zo goed morgen gaan als jij beter vindt, zeg maar
Zeg maar nu of morgen
[medeverdachte 5]
:
beter morgen
Uit peilbakengegevens blijkt dat de auto van [medeverdachte 5] (Renault Clio, kenteken [kenteken 8] ) op 16 december 2020 tussen 00.00 en 02.00 uur in de directe omgeving van de [straat 2] in Hilversum is geweest en een aantal keren is gestopt vlakbij de [straat 2] .
Met de telefoon die is aangetroffen bij de fouillering van [naam 13] is op 16 december 2020 om 01.28 uur in de applicatie Google Maps gezocht naar ‘ [straat 2 huisnummer C] ’, waarna het adres [straat 2 huisnummer C] in Hilversum is geselecteerd.
[medeverdachte 5] is aangehouden op 17 december 2020 om 21.39 uur. [naam 13] is aangehouden op 17 december 2020 om 22.14 uur. [naam 13] was toen woonachtig in Hilversum. Bij de doorzoeking van de slaapkamer van [naam 13] , direct na zijn aanhouding, zijn twee mortierbommen aangetroffen.
[naam 13] is op 15 november 2021 als getuige verhoord bij de rechter-commissaris, onder meer over een incident in Hilversum. In dat verband heeft [naam 13] de vraag of daar iets gepland was met een vuurwerkbom beantwoord met ‘ja’.
Tussenconclusies
Bij de interpretatie van de weergegeven gespreksfragmenten en de overige genoemde bevindingen heeft het hof in aanmerking genomen dat [naam 13] en [medeverdachte 5] een aantal weken vóór 16 december 2020 samen twee woningaanslagen hebben gepleegd (op 23 november 2020 in Kerkdriel en op 25 november 2020 in Hedel) die erop gericht waren een explosief in een woning tot ontploffing te laten komen. Daarbij zijn zij beide keren naar de plaats van het misdrijf gereden in de auto van [medeverdachte 5] , zijnde een Renault Clio met het kenteken [kenteken 8] .
Het hof leidt uit het voorgaande af dat [naam 13] en [medeverdachte 5] van plan waren een woningaanslag te plegen aan de [straat 2] in Hilversum. Op 16 december 2020 waren zij tussen 00.36 en 01.34 uur nabij de plaats van het (beoogde) misdrijf voor een verkenning van de situatie ter plaatse. Zij spraken onder meer over de [straat] , de [straat] en het [straat] . Aan Google Maps heeft het hof ontleend dat straten met die namen gelegen zijn op een afstand van hemelsbreed minder dan 500 meter van de [straat 2] in Hilversum.
Conclusie
[naam 13] en [medeverdachte 5] bespraken de mogelijkheid om de aanslag ‘nu’ te plegen of ‘om twee, drie’ (het hof begrijpt: rond 02.00 en 03.00 uur), maar besluiten uiteindelijk om de aanslag uit te stellen tot ‘morgen’ (het hof begrijpt: 17 december 2020). Wat betreft de wijze van uitvoering was het de bedoeling dat een baksteen (‘bakkie’) door een woningraam zou worden gegooid en dat daarna een mortierbom (‘shell’) in de woning zou worden gegooid. Het hof leidt hieruit af dat het de bedoeling was dat de mortierbom ín de woning tot ontploffing zou komen. Met het oog op de aanslag had [naam 13] mortierbommen in zijn slaapkamer liggen. Verder was het de bedoeling dat [medeverdachte 5] zou optreden als chauffeur en daarvoor gebruik zou maken van zijn Renault Clio met het kenteken [kenteken 8] . Dit laatste leidt het hof af uit de omstandigheid dat zowel bij de aanslagen van 23 en 25 november 2020 als bij de verkenning op 16 december 2020 gebruik is gemaakt van die auto en dat niets erop wijst dat bij de aanslag op 17 december 2020 een andere auto zou worden gebruikt. De aanslag is voorkomen doordat [naam 13] en [medeverdachte 5] op 17 december 2020 zijn aangehouden.
Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat [naam 13] en [medeverdachte 5] tezamen en in vereniging bezig waren met het voorbereiden van het teweegbrengen van een ontploffing in een woning aan de [straat 2] in Hilversum. Met het oog op die aanslag had [naam 13] een mortierbom in zijn slaapkamer liggen en [medeverdachte 5] beschikte over een auto die bestemd was tot het plegen van de aanslag. Gelet op de bedoeling van [naam 13] en [medeverdachte 5] om in de woning een mortierbom tot ontploffing te brengen, is het hof van oordeel dat door die ontploffing niet alleen gemeen gevaar voor goederen te duchten zou zijn geweest, maar dat het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zou zijn geweest dat door die ontploffing ook levensgevaar te duchten zou zijn geweest voor de aanwezigen in die woning tijdens de ontploffing.
Verder concludeert het hof dat de bedoeling was dat de aanslag aan de [straat 2] in Hilversum zou plaatsvinden op perceel 6 (dus op het adres [straat 2 huisnummer D] in Hilversum), ondanks dat [naam 13] in Google Maps het adres [straat 2 huisnummer C] had geselecteerd. Deze conclusie van het hof is gebaseerd op het volgende, bezien in onderlinge samenhang.
‒ Op het adres [straat 2 huisnummer D] woonde een dochter van [slachtoffer 1] , terwijl [naam 13] en [medeverdachte 5] op 23 en 25 november 2020 hadden deelgenomen aan het plegen van aanslagen die deel uitmaakten van de poging tot afpersing van [slachtoffer 1] . Van het adres [straat 2 huisnummer C] in Hilversum is niet gebleken dat er een verband is met [slachtoffer 1] .
‒ Op 20 en 21 december 2020, dus een aantal dagen na de aanhouding van [naam 13] en [medeverdachte 5] , zijn anderen bezig geweest met het voorbereiden van een aanslag op het adres [straat 2 huisnummer D] in Hilversum. Het betrof onder meer personen die al eerder hadden deelgenomen aan woningaanslagen die deel uitmaakten van de poging tot afpersing van [slachtoffer 1] .
Dat [naam 13] in Google Maps het adres [straat 2 huisnummer C] in Hilversum heeft geselecteerd, vormt dus naar het oordeel van het hof geen doorslaggevende tegenaanwijzing. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat [naam 13] in verband met de aanslag in Kerkdriel op 23 november 2020 in Google Maps het adres [straat 1 huisnummer A] had geselecteerd, maar de aanslag (vervolgens) plaatsvond op het adres [straat 1 huisnummer B] .
20-21 december 2020: verijdelde aanslag 2 ( [medeverdachte 3] , [naam 3] en [naam 15] )
[medeverdachte 3] maakte gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer 14] ( [telefoonnummer 14] ).
[naam 3] maakte gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer 24] ( [telefoonnummer 24] ).
[naam 15] maakte gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer 25] ( [telefoonnummer 25] ).
[medeverdachte 2] maakte gebruik van (telefoonnummer [telefoonnummer 26] ( [telefoonnummer 26] )
Op 21 december 2020 om 13.33 uur is op de telefoon van [medeverdachte 3] op de website van Google Maps het adres [straat 2 huisnummer D] in Hilversum geselecteerd.
Zoals hiervoor al aangegeven woonde op dat adres een dochter van [slachtoffer 1] .
Op 21 december 2020 vanaf 13.47 uur voerde [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 14] ) een telefoongesprek met [naam 15] ( [telefoonnummer 25] ).
Conclusie
Dat gesprek is hieronder gedeeltelijk weergegeven.
[medeverdachte 3]
:
luister dan, als je wilt kan je deze kant opkomen vanavond of straks wanneer dat jij denkt uh ik ga dan geef ik je die dinge, geef ik je die adres, kun je gaan
[naam 15]
:
oké maar luister dan
[medeverdachte 3]
:
Ja
[naam 15]
:
wanneer krijg ik uitbetaald?
[medeverdachte 3]
:
gelijk als je terug komt gelijk
(...)
direct direct direct maar je moet zeker weten dan
[naam 15]
:
he?
[medeverdachte 3]
:
je moet zeker weten begrijp je
(...)
k ga je zo meteen als je hier bent ga ik je uitleggen ja
maar je moet tegen mij zeggen of je gaat (...)
[naam 15]
:
[bijnaam 1] , ik ga sowieso
[medeverdachte 3]
:
ja sowieso je gaat sowieso vandaag?
[naam 15]
:
ja
[medeverdachte 3]
:
(...) ik ga nu alles voor je klaarleggen
(...)
[naam 15]
:
moloto euh wat wil je precies?
[medeverdachte 3]
:
wat?
[naam 15]
:
wat wilde je precies, wat moest er gebeuren precies, wat wilde je, molotov, wat was het?
[medeverdachte 3]
:
(...) ik ga je zo precies uitleggen als je uh nou uh je komt vanavond gewoon deze kant op of zo
[naam 15]
:
ja man
[medeverdachte 3]
:
perfect dan heb ik hem gewoon klaar voor je, ga ik je precies uitleggen hoe of wat en dan eh ja dan is het in principe dan is het helemaal aan jou hoe je hem zet en zo, hoe laat of wat dan ook, snap je
(...)
hoe laat kan ik je verwachten, rond hoe laat heb je tijd?
[naam 15]
:
bro ga van 8 uur uit, maar het is in Hilversum?
[medeverdachte 3]
:
ja t is in Hilly
(...)
ik bel je maar kan ik op je rekenen vanavond of niet?
[naam 15]
:
ja oke prima
Op 21 december 2020 vanaf 15.02 uur voerde [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 14] ) een telefoongesprek met [naam 3] ( [telefoonnummer 24] ).
Conclusie
Dat gesprek is hieronder gedeeltelijk weergegeven.
Vanaf 15.02 uur
[medeverdachte 3]
:
ben je langs [plaats] (...) geweest vandaag?
[naam 3]
:
ja man
[medeverdachte 3]
:
heb je die dingen aangeraakt?
[naam 3]
:
nee man
[medeverdachte 3]
:
maar heb je gekeken of ze er waren?
[naam 3]
:
ja ik heb hem verplaatst, ik ben gisteren ge - uh, ik ben gegaan alles
[medeverdachte 3]
:
watte?
[naam 3]
:
he waar ben je waar ben je?
[medeverdachte 3]
:
(...) ik ben bij de Lidl, maar waar zijn die dingen bro wacht effe is belangrijk nu
[naam 3]
:
ze zijn daar
[medeverdachte 3]
:
nog steeds daar?
[naam 3]
:
ja
[medeverdachte 3]
:
maar precies op dezelfde plek of wat zeg je nu... verplaatst zeg je
[naam 3]
:
ja gewoon maar daar, daar naast, ik heb ‘m gewoon beter dicht gedaan en zo, die zak
[medeverdachte 3]
:
maar euh, als ik daar naar toe ga dan kan ik ze gelijk / zeker zien?
[naam 3]
:
ja die zie je gewoon, (...) bij die boom
[medeverdachte 3]
:
(...) ja, bij die boom
[naam 3]
:
is een beetje onder de blaadjes, je weet wel
[medeverdachte 3]
:
(...) perfect.
Conclusie
Maar dus je hebt net gezien dat ze daar waren?
[naam 3]
:
nee heb ik niet gezien maar waarschijnlijk wel, ga maar kijken, ik heb ze goed verstopt
(...)
[naam 3]
:
ik kan nog he
(…)
[medeverdachte 3]
:
(...) ja maar ik heb anders
Vanaf 15.04 uur
[naam 3]
:
he, je kan ook doorgeven als je wilt, zeg tegen hem; hij zag dat het raam open stond maar daar waren mensen binnen
[medeverdachte 3]
:
maar is dat ook echt zo?
[naam 3]
:
ja, ik trof een open raam, daar waren mensen, om 3 uur in de nacht
Vanaf 15.12 uur
[medeverdachte 3] vraagt hoe snel [naam 3] achter Lidl kan komen
[naam 3] zegt: in vijf minuten
(...)
[medeverdachte 3]
:
(...) we moeten toch nog over wat anders praten, over euh vanavond
[naam 3]
:
over wat?
[medeverdachte 3]
over die van vanavond wat je net tegen mij zegt toch
[naam 3]
:
(...) ik kom wel naar uh achter Lidl
Het hof heeft bij de interpretatie van dit gesprek tussen [medeverdachte 3] en [naam 3] het volgende in aanmerking genomen.
‒ Op 20 december 2020 maakte de telefoon van [naam 3] ( [telefoonnummer 24] ) om 02.37 uur verbinding met de zendmast bij het adres [adres] in Hilversum. De afstand tussen dat adres en het adres [straat 2 huisnummer D] in Hilversum is hemelsbreed ongeveer 574 meter. Diezelfde nacht om 02.16 en 02.53 uur maakte die telefoon van [naam 3] verbinding met zendmasten in [plaats] . [naam 3] woonde in [plaats] .
‒ Uit het voorgaande blijkt dat [medeverdachte 3] samen met [medeverdachte 4] heeft deelgenomen aan vijf woningaanslagen die zijn gepleegd in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 1 november 2020. Aan de aanslag van 5 oktober 2020 is ook deelgenomen door [naam 3] . Bij die woningaanslagen is telkens een ontploffing teweeggebracht door middel van een mortierbom/shell.
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat de shells van ‘ [medeverdachte 2] ’ ( [medeverdachte 2] ) kwamen en dat het bij alle aanslagen (waaraan [medeverdachte 4] heeft deelgenomen) zo ging dat [medeverdachte 2] de shell aan [medeverdachte 3] gaf.
[medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 14] ) en [medeverdachte 2] ( [telefoonnummer 26] ) voerden op 20 november 2020 een telefoongesprek dat hieronder gedeeltelijk is weergegeven.
[medeverdachte 2]
:
Iemand heeft ze gewoon meegenomen
[medeverdachte 3]
:
Wat???
[medeverdachte 2]
:
Iemand die had ze meegenomen en ik had ze net op tijd (...) cobra [fonetisch] (...)
ik heb bijna gevochten net
[medeverdachte 3]
:
Maar jij liep er toevallig?
(...)
[medeverdachte 2]
:
Ik liep daar toevallig en ik heb ze gewoon afgepakt
[medeverdachte 3]
:
Maar alle 5? Alle 5 heb je ze?
[medeverdachte 2]
:
Alle 5.
Conclusie
Alle 5
[medeverdachte 3]
:
Oke, ze zien er nog gewoon goed uit nog toch?
[medeverdachte 2]
:
Ze zien er nog heel goed uit. Ik leg ze precies dus, precies waar we altijd (...) doen zeg maar
[medeverdachte 3]
:
Nee, daar moet je ze niet meer laten
[medeverdachte 2]
:
(...) ik leg ze tijdelijk ff hier
[medeverdachte 3]
:
Oh je bedoelt gewoon bij je osso daar?
[medeverdachte 2]
:
Nee (...) bij die ghettoplek [fonetisch] van ons, weetje? Daaro
[medeverdachte 3]
:
Ja maar dat is toch vlak bij waar (...) die mensen ze toch hebben gevonden dan?
[medeverdachte 2]
:
Ik heb ze weggejaagd (...) zwaar ruzie man
Op 21 december 2020 om 16.43 uur voerde [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 14] ) opnieuw een telefoongesprek met [naam 15] ( [telefoonnummer 25] ). Dat gesprek is hieronder gedeeltelijk weergegeven.
[naam 15]
:
ik ga nu naar die compa [fonetisch] van me en ga ik met hem praten
[medeverdachte 3]
:
oh uh je bent nog niet zeker?
[naam 15]
:
jawel
[medeverdachte 3]
:
ja
[naam 15]
:
maar ik moet even horen wat die man te zeggen heeft
[medeverdachte 3]
:
ja toch nou is goed, ja ik reken op je alles is ready hier [fonetisch]
[naam 15]
:
ja toch, is goed maak je niet druk
[medeverdachte 3]
:
oke is goed, soldaat
Op 21 december 2020 om 19.01 uur voerde [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 14] ) opnieuw een telefoongesprek met [naam 15] ( [telefoonnummer 25] ).
Conclusie
Dat gesprek is hieronder gedeeltelijk weergegeven.
[naam 15]
:
[bijnaam]
[medeverdachte 3]
:
waar (ben jij), G!
[naam 15]
:
faka [= hoe is het] [bijnaam 1] ?
[medeverdachte 3]
:
hoe laat ga ik je zien?
[naam 15]
:
luister neffo, ik moet even naar Groningen, man
[medeverdachte 3]
:
ja?
[naam 15]
:
ja maar voor euh, ja, niet voor een vijf (5) barkie [= honderd], snap je
[medeverdachte 3]
:
eee, dus je bent vanavond niet aanwezig
[naam 15]
:
dat wil ik niet zeggen, kan het ook om elf (11) uur of zo?
[medeverdachte 3]
:
ja dat is ook top, is perfect als je daarheen (fon) kan
(...)
hoe laat, hoe laat kan je terug zijn, maar je moet me zeggen bro, ik zweer het je, ik moet zeker weten snap je, dat is het
[naam 15]
:
daarom, ik ga voor je uh op een missie man!
(...)
[medeverdachte 3]
:
nou wat denk je, denk je dat je vanavond nog kan of niet? Eerlijk
[naam 15]
:
ja ik denk van wel
[medeverdachte 3]
:
ja? nou is goed, dan timer [= wacht] ik gewoon op je broer, ik ben gewoon actief
[naam 15]
:
anders kan ik ook een [bijnaam 4] soldaat van me naar je toe sturen
[medeverdachte 3]
:
ja
[naam 15]
:
nou die doet het ook maar ja ik wil het liever zelf doen, die vier [fonetisch] barkie is voor mij mooi snap je, vier [fonetisch] barkie de man, snel snel
[medeverdachte 3]
:
bro kijk, weet je wat het is, voor mij moet gewoon vandaag gebeuren, dat is het, ik zweer het je, het moet echt vandaag
(...)
maar luister, zie ik je vandaag of niet broer
[naam 15]
:
nou dat is niet zeker [bijnaam 1] , ik kan jou nu zeggen ja nee maar ik weet niet zeker
[medeverdachte 3]
:
ja je weet niet, je weet niet, euhm
[naam 15]
:
anders kan ik iemand wel sturen naar je (...)
[medeverdachte 3]
:
kan dat? (...)
[naam 15]
:
ja dat kan
[medeverdachte 3]
:
maar weet je dat zeker?
[naam 15]
:
ja ik heb [bijnaam 4] werkertjes toch
[medeverdachte 3]
:
ja nou als je iemand hebt dan stuur hem mijn kant op dan, alsjeblief
[naam 15]
:
oke is goed
Conclusie
Op 21 december 2020 om 20.33 uur voerde [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 14] ) een telefoongesprek met [medeverdachte 2] ( [telefoonnummer 26] ). Dat gesprek is hieronder gedeeltelijk weergegeven.
(...)
[medeverdachte 2]
:
weet je nog meer of uh?
[medeverdachte 3]
:
ja ja ja, (...) toevallig net geconnect, hij laat me weten, misschien is hij iets later euh, dat ie deze kant op komt maar hij heft me wel gewoon geconnect dat ie komt
[medeverdachte 2]
:
ja oke is goed, rustig aan
[medeverdachte 3]
:
(...) hoe dan ook gaat ie vandaag gebeuren, desnoods .. stuur ik iemand anders vandaag (...)
[medeverdachte 2]
:
ja oke is goed
Op 21 december 2020 vond tussen 21.16 uur en 22.00 uur via WhatsApp een berichtenwisseling plaats tussen [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 14] ) en [naam 15] ( [telefoonnummer 25] ). Die berichtenwisseling is hieronder gedeeltelijk weergegeven.
[medeverdachte 3]
:
Niffo reageer eens ff snelle jelle
Dan weet ik ook wat ik moet doen
[naam 15]
:
Neefie die youngboy is aan t twijdels
twijfele
[medeverdachte 3]
:
Hoeveel wilt die? (...)
800 is al veel he
(...)
[medeverdachte 3]
:
Weetje al meer?
[naam 15]
:
Ja hij wil driver regele
Hij zoekt
Op 21 december 2020 om 22.20 uur voerde [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 14] ) opnieuw een telefoongesprek met [medeverdachte 2] ( [telefoonnummer 26] ). Dat gesprek is hieronder gedeeltelijk weergegeven.
(...)
[medeverdachte 2]
:
ik heb iets voor je geregeld uh, (...) heb je geen internet buiten?
[medeverdachte 3]
:
ja wel
[medeverdachte 2]
:
kun je niet even op Snap komen?
[medeverdachte 3]
:
maar wat heb je geregeld dan?
[medeverdachte 2]
:
kom even op Snap
Op 21 december 2020 om 22.32 uur voerde [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 14] ) opnieuw een telefoongesprek met [naam 15] ( [telefoonnummer 25] ).
Conclusie
Dat gesprek is hieronder gedeeltelijk weergegeven.
(...)
[naam 15]
:
kijk, voor wanneer moet die torie [= dinges, geval] gedaan worden, hoe laat?
[medeverdachte 3]
:
in ieder geval gewoon vandaag
[naam 15]
:
ja maar vandaag (...) is gewoon twee (2) uur ’s nachts ook
[medeverdachte 3]
:
ja is ook goed (...)
[naam 15]
:
maar euh is een huis van mensen of niet?
[medeverdachte 3]
:
ja ja
(...)
maar je kan geen zekerheid geven?
[naam 15]
:
voor acht (8) barkie zou ik komen maar ja toen kreeg ik wat anders in mijn hand geschoven
[medeverdachte 3]
:
ja broer, meer dan dat kan ik er niet van maken, je weet toch
(...)
ja is bij een huis ja
[naam 15]
:
ja zijn gewoon osso [= thuis/huis]?
[medeverdachte 3]
:
ja (...),kijk als die mensen beneden zijn dan hoeft het niet
(...)
goed?
[naam 15]
:
ja ja ja, gaat gebeuren [fonetisch]
[medeverdachte 3]
:
maar vandaag?
[naam 15]
:
ja, maar kijk
(...)
vraag gewoon rond broer, heb jij duizend procent van iemand anders, dan prima geen probleem
[medeverdachte 3]
:
ja maar dat is het, dat heb ik al gedaan broer
(...)
[naam 15]
:
is het jouw torie [= geval, ding, verhaal] gewoon?
[medeverdachte 3]
:
ja ja mijn, mijn torie [= geval, ding, verhaal]
[naam 15]
:
haha [bijnaam 1] , met wie heb jij beef [fonetisch, = ruzie, conflict] gemaakt?
[medeverdachte 3]
:
nee broer, je gaat uh, bro als ik je ga uitleggen, ga je blij zijn, je weet toch, je gaat het begrijpen
(...)
[naam 15]
:
ik ben misschien pas vier (4) uur terug in de buurt
Op 21 december 2020 om 23.15 uur stuurde [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 14] ) via WhatsApp het volgende bericht naar [naam 15] ( [telefoonnummer 25] ).
Wordt al gefixt
Op 22 december 2020 om 01.27 uur is [medeverdachte 3] aangehouden.
Op 22 december 2020 om 02.30 uur is [naam 15] aangehouden.
Tussenconclusie
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat [medeverdachte 3] op 21 december 2020 heeft geprobeerd [naam 15] te bewegen tot het teweegbrengen van een ontploffing bij de woning op het adres [straat 2 huisnummer D] in Hilversum. Deze conclusie is gebaseerd op het volgende.
[medeverdachte 3] had in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 4 november 2020 deelgenomen aan vijf woningaanslagen die deel uitmaakten van een poging tot afpersing van [slachtoffer 1] . De aanslag vond telkens plaats ofwel op een adres dat voorkomt op de personeelslijst van [fruitbedrijf] ofwel op het woonadres van een dochter van [slachtoffer 1] . Op 21 december 2020 om 13.33 uur selecteerde [medeverdachte 3] in Google Maps het adres [straat 2 huisnummer D] in Hilversum, waar toen een dochter van [slachtoffer 1] woonde.
Ongeveer een kwartier later voerde [medeverdachte 3] een telefoongesprek met [naam 15] waarin besproken werd dat [naam 15] tegen betaling een opdracht zou uitvoeren waarvoor [medeverdachte 3] ‘die dingen’ en het adres nog zou verstrekken aan [naam 15] . Later in dat gesprek werd duidelijk dat het ging om een adres in Hilversum. [naam 15] vroeg aan [medeverdachte 3] wat hij precies wilde, waarbij [naam 15] vroeg of [medeverdachte 3] wilde dat een molotovcocktail zou worden gebruikt (‘wat wilde je, molotov, wat was het?’).
Conclusie
[medeverdachte 3] antwoordde later precies te zullen uitleggen wat de opdracht inhoudt. Het hof leidt hieruit af dat [naam 15] weliswaar nog niet precies wist wat de opdracht inhield, maar op basis van wat hij wel wist de opdracht kennelijk associeerde met het gebruik van een molotovcocktail.
Ruim een uur na het gesprek met [naam 15] voerde [medeverdachte 3] een telefoongesprek met [naam 3] , met wie [medeverdachte 3] op 5 oktober 2020 een woningaanslag had gepleegd op een adres dat voorkomt op de personeelslijst van [fruitbedrijf] . [naam 3] zei in dat gesprek nog beschikbaar te zijn (‘ik kan nog he’), waarop [medeverdachte 3] antwoordde dat hij al iets anders had geregeld (‘ja maar ik heb anders’). Kort daarna zei [naam 3] dat [medeverdachte 3] aan een derde (‘hem’) kan doorgeven dat daar om drie uur ’s nachts het raam openstond en dat daar toen mensen binnen waren. Een dag eerder (op 20 december 2020) was [naam 3] , die in [plaats] woonde, tussen 02.16 en 02.53 uur vanuit [plaats] op en neer geweest naar Hilversum, waarbij [naam 3] om 02.37 uur in het dekkingsgebied was van een zendmast die hemelsbreed ongeveer 574 meter verwijderd was van het adres [straat 2 huisnummer D] .
In datzelfde telefoongesprek spraken [medeverdachte 3] en [naam 3] over verstopte ‘dingen’ in een tas bij een boom. Het hof leidt hieruit af dat het ging om voorwerpen die verstopt waren op een plek waar ook andere mensen toegang toe hadden. Datzelfde geldt voor voorwerpen waarover [medeverdachte 3] op 20 november 2020 sprak met [medeverdachte 2] . Uit dat gesprek blijkt namelijk dat andere mensen die voorwerpen (bijna) hadden meegenomen. In dat gesprek viel het woord ‘cobra’, wat er naar het oordeel van het hof op duidt dat het ging over illegaal zwaar vuurwerk. Daar komt bij dat [medeverdachte 4] over de vijf woningaanslagen die hij en [medeverdachte 3] hebben gepleegd in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 4 november 2020 heeft verklaard dat de shells van [medeverdachte 2] kwamen en dat het alle keren zo ging dat [medeverdachte 2] de shell aan [medeverdachte 3] gaf.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat [medeverdachte 3] bezig was met het organiseren van een woningaanslag op het adres [straat 2 huisnummer D] in Hilversum. Zowel het gesprek met [naam 15] als het gesprek met [naam 3] ging daarover. [naam 3] had tijdens de nacht van 20 december 2020 een verkenning gedaan bij de plaats van het beoogde misdrijf en deelde zijn bevindingen met [medeverdachte 3] met de suggestie dat [medeverdachte 3] die zou doorgeven aan de beoogde uitvoerder. De ‘dingen’ waarover [medeverdachte 3] met [naam 3] sprak, betroffen het explosief dat voor die aanslag zou worden gebruikt. [naam 15] zou de aanslag uitvoeren, in ruil voor een financiële beloning. [medeverdachte 3] was van plan [naam 15] nog het adres te verstrekken waar de aanslag moest plaatsvinden en het explosief waarmee de aanslag moest worden gepleegd. De aanslag is voorkomen doordat [medeverdachte 3] en [naam 15] tijdens de nacht van 22 december 2020 zijn aangehouden.
Mede gelet op de opmerking van [medeverdachte 3] dat het niet hoeft als die mensen beneden zijn en omdat het hof niet kan vaststellen wat voor explosief zou worden gebruikt en waar het explosief tot ontploffing had moeten komen, acht het hof niet bewezen dat door de ontploffing levensgevaar te duchten zou zijn geweest voor de (eventuele) aanwezigen in de woning. Het hof concludeert wel dat het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zou zijn geweest dat door die ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten zou zijn geweest.
Verder concludeert het hof dat [medeverdachte 3] bij de poging tot het uitlokken van de ontploffing nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 2] . Dit leidt het hof af uit het volgende. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] voerden om 20.33 uur een telefoongesprek waarin [medeverdachte 2] vroeg of [medeverdachte 3] nog meer wist, waarop [medeverdachte 3] antwoordde dat hij net contact had gehad met iemand (‘geconnect’), dat diegene misschien iets later zou zijn maar wel heeft laten weten dat hij komt en dat [medeverdachte 3] desnoods iemand anders stuurt. Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] overlegden omdat ze op zoek waren naar iemand om een opdracht uit te voeren. Het antwoord van [medeverdachte 3] , dat de persoon die hij op het oog heeft misschien iets later is, sluit aan bij het contact dat [medeverdachte 3] daarvoor had gehad met [naam 15] , die vertelde dat hij eerst nog naar Groningen moest. Daarna vond via WhatsApp een berichtenwisseling plaats tussen [medeverdachte 3] en [naam 15] waaruit blijkt dat nog naar een ‘driver’ (het hof begrijpt: chauffeur) werd gezocht. Vervolgens zei [medeverdachte 2] om 22.20 uur tegen [medeverdachte 3] dat hij ( [medeverdachte 2] ) iets voor [medeverdachte 3] had geregeld. Vervolgens liet [medeverdachte 3] om 23.15 uur aan [naam 15] weten dat het al wordt gefixt. Het hof leidt uit het voorgaande af dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] samen bezig waren mensen te werven voor de beoogde aanslag op het adres [straat 2 huisnummer D] in Hilversum. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen wat [medeverdachte 4] in verband met de woningaanslagen waaraan hij zelf heeft deelgenomen (in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 4 november 2020) heeft verklaard over de samenwerking tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , namelijk dat de adressen liepen van [verdachte] ( [verdachte] ) via [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) naar [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) en dat het alle keren zo ging dat [medeverdachte 2] de shell aan [medeverdachte 3] gaf.
1 januari 2021: sms-berichten (telefoonnummer [telefoonnummer 27] )
Op 1 januari 2021 om 00.25 uur ontving [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) de volgende sms-berichten van telefoonnummer [telefoonnummer 27] ( [telefoonnummer 27] ).
‒
IK ZWEER HET OP MIJN VADERS GRAF. DE EERST VOLGENDE AANSLAG ZAL EEN LEVEN KOSTEN. WIJ ZIJN ECHT NIET AFHANKELIJK VAN EEN OF ANDERE LIJST. JE HOEFT NIET ZO HEEL LANG TE WACHTEN.
‒
JULLIE ZULLEN NOOIT RUSTEN ZOLANG IK ME GELD NIET HEB
De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 27] ) straalde op 1 januari 2021 tussen 00:24:58 en 00:26:57 uur de zendmast aan bij het adres [adres] in [plaats] .
3.4.3.20. Samenhang tussen de telefoonberichten en de woningaanslagen
Uit het voorgaande blijkt dat in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021 pogingen zijn gedaan tot het afpersen van (kort gezegd) [slachtoffer 1] . Die pogingen tot afpersing bestonden uit de combinatie van telefoonberichten en woningaanslagen. Dat dezelfde dader(groep) achter zowel de telefoonberichten als de woningaanslagen zat, leidt het hof af uit het volgende omstandigheden, bezien in onderlinge samenhang.
‒ Nadat op 5, 8 en 11 oktober 2020 aanslagen zijn gepleegd, telkens op een adres dat ofwel voorkomt op de personeelslijst van [fruitbedrijf] ofwel op het woonadres van een familielid van [slachtoffer 1] , ontving [slachtoffer 1] op 26 oktober 2020 een bericht waarin wordt verwezen naar aanslagen (“ [slachtoffer 1] , MOETEN WE DOORGAAN MET AANSLAGEN PLEGEN?”).
‒ Nadat op 28 oktober 2020 nog een aanslag was gepleegd op een adres dat voorkomt op de personeelslijst van [fruitbedrijf] , ontving [slachtoffer 1] op 1 november 2020 een bericht waarin wordt aangekondigd dat de aanslagen vanaf nu serieuzer zullen worden.
Conclusie
Naar het oordeel van het hof is die aankondiging ook gestand gedaan, aangezien de aanslagen die daarop volgden (op 4 november 2020 in Vlijmen, op 23 november 2020 in Kerkdriel en op 25 november 2020 in Hedel) gemiddeld meer gevaar en schade met zich brachten dan de aanslagen die vóór die aankondiging waren gepleegd. Vóór die aankondiging ging het namelijk drie van de vier keren om een aanslag waarbij het explosief ofwel was geplaatst bij een auto die bij een woning geparkeerd stond ofwel in de achtertuin van een woning, terwijl na de aankondiging van 1 november 2020 eerst een aanslag plaatsvond (op 4 november 2020) waarbij het explosief bij de voordeur van een woning is geplaatst en daarna twee aanslagen (op 23 en 25 november 2020) waarbij het explosief tot ontploffing is gekomen in de woning of daartoe een poging is gedaan. Op 25 november 2020 in Hedel is hierdoor een woningbrand veroorzaakt die de bewoners bijna fataal is geworden. Ook op 14 november 2020 is aangekondigd dat volgende aanslagen meer schade zouden veroorzaken (“DIT X ZAL DE SCHADE ANDERS ZIJN”), waarop dus twee aanslagen zijn gevolgd die erop gericht waren het explosief in de woning tot ontploffing te laten komen.
‒ Op 6 november 2020 ontving [slachtoffer 1] het bericht dat hij twee weken de tijd had om te betalen en dat de afperser tot die tijd de aanslagen zou stoppen. Ook die aankondiging is gestand gedaan, want tussen de aanslagen van 4 en 23 november 2020 heeft geen aanslag plaatsgevonden.
‒ In een bericht van 12 november 2020 verwezen naar ‘vlijmen’, terwijl daar op 4 november 2020 een aanslag was gepleegd. In een bericht van 30 november 2020 staat dat de afperser doorgaat en dat het erger zal zijn dan ‘hedel’, terwijl daar op 25 november 2020 een aanslag had plaatsgevonden.
‒ Op 20 december 2020 ontving [slachtoffer 1] het bericht “was even het e.e.a aan het voorbereiden voor je”, terwijl in de periode van 16 tot en met 21 december 2020 voorbereidingen werden getroffen voor een aanslag bij de woning van een familielid van [slachtoffer 1] in Hilversum.
‒ Op 1 januari 2021 ontving [slachtoffer 1] een bericht waarin wordt verwezen naar een lijst (“WIJ ZIJN ECHT NIET AFHANKELIJK VAN EEN OF ANDERE LIJST.”), terwijl in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 25 november 2020 aanslagen zijn gepleegd op zes adressen die voorkomen op de personeelslijst van [fruitbedrijf] .
3.4.3.21. Rol [verdachte]
Naar het oordeel van het hof kan worden vastgesteld dat [verdachte] verantwoordelijk is voor de in Panter 1 ten laste gelegde pogingen tot afpersing van [slachtoffer 1] , dus voor zowel de telefoonberichten naar [slachtoffer 1] als de daarmee samenhangende (verijdelde) woningaanslagen. Deze conclusie baseert het hof op het volgende.
Verband tussen de Maldiven- en de Panter-berichten
Zoals eerder overwogen, is naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat [verdachte] in de periode van 26 mei 2019 tot en met 3 juni 2019 in het kader van pogingen tot afpersing telefoonberichten naar [slachtoffer 1] heeft gestuurd (hierna: Maldiven-berichten). Het hof is van oordeel dat er overeenkomsten zijn tussen de Maldiven-berichten en de telefoonberichten die [slachtoffer 1] heeft ontvangen in de periode van 26 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021 (hierna: Panter-berichten), zodanig dat die overeenkomsten een aanwijzing vormen dat de Panter-berichten afkomstig zijn van dezelfde persoon als de Maldiven-berichten. Het betreft de volgende overeenkomsten.
‒ Voor beide berichtenreeksen geldt dat het gaat om telefoonberichten die zijn gestuurd naar [slachtoffer 1] en waarvan de strekking is dat aanslagen zullen worden gepleegd als [slachtoffer 1] geen geld of bitcoins betaalt aan de afperser.
‒ De Maldiven-berichten strekten aanvankelijk tot betaling van een geldbedrag, maar die berichtenreeks eindigde ermee dat de afperser wilde dat [slachtoffer 1] zou betalen in bitcoins. De Panter-berichtenreeks begon met een bericht dat strekte tot het betalen van bitcoins. Op dat punt sluiten de Maldiven-berichten en de Panter-berichten dus op elkaar aan.
‒ Zowel de Maldiven-berichten als de Panter-berichten zijn verstuurd door middel van wisselende telefoon(nummer)s die telkens maar op één of twee dagen werden gebruikt. Ook bevatten beide berichtenreeksen berichten met de strekking dat het toestel waarmee het bericht is verzonden zal worden vernietigd of nog maar een bepaald aantal minuten actief is, alsook berichten die inhouden dat [slachtoffer 1] een bepaald aantal minuten de tijd had voor een reactie.
‒ De Maldiven- en Panter-berichten bevatten opvallende overeenkomsten wat betreft de opmaak van de berichten. Voor beide berichtenreeksen geldt dat verschillende opmaakstijlen zijn gebruikt. Beide berichtenreeksen bevatten berichten die volledig bestaan uit hoofdletters en berichten waarin ieder woord met een hoofdletter begint.
Adressen waarop de aanslagen zijn gepleegd
Naar het oordeel van het hof vormen de hierna te noemen omstandigheden aanwijzingen dat [verdachte] verantwoordelijk was voor de (woning)aanslagen die plaatsvonden in de periode van 4 oktober 2020 tot en met 25 november 2020, alsook voor de verijdelde aanslagen aan de [straat 2] in Hilversum.
Voor al die (verijdelde) aanslagen geldt dat het ging om een adres dat in verband kan worden gebracht met [slachtoffer 1] . Het (beoogde) doelwit was telkens ofwel een adres dat vermeld wordt op de personeelslijst van de [fruitbedrijf] die in het dossier is terechtgekomen ofwel het adres van een familielid van [slachtoffer 1] . Naar het oordeel van het hof duidt dit er op dat de aanslagen zijn gepleegd in opdracht van iemand die bezig was met (een poging tot) het afpersen van [slachtoffer 1] . Zoals eerder overwogen is buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat [verdachte] in de periode van 26 mei 2019 tot en met 3 juni 2019 bezig is geweest met (pogingen tot) het afpersen van [slachtoffer 1] (Maldiven).
Daar komt bij het bij al deze (verijdelde) aanslagen ging om een adres waarover [verdachte] beschikte. Het merendeel van de aanslagen is gepleegd op een adres dat vermeld wordt op de personeelslijst van [fruitbedrijf] . [verdachte] beschikte over die lijst. Ook voor de andere twee adressen die het (beoogde) doelwit waren van een aanslag geldt dat het ging om adressen waarover [verdachte] beschikte. Het adres in Breda, destijds het adres van een dochter van [slachtoffer 1] , was door [verdachte] genoteerd in een boek dat op 3 december 2019 in zijn cel is aangetroffen. Over het adres aan de [straat 2] in Hilversum is [verdachte] komen te beschikken doordat een medewerker van [verzekeringsmaatschappij] dat adres had verkregen uit de BRP. Dat gebeurde op initiatief van [verdachte] , die (via een tussenpersoon) opdracht had gegeven tot het opzoeken van adresgegevens van de kinderen van [slachtoffer 1] .
Verklaringen van [medeverdachte 4]
Uit het voorgaande blijkt dat [medeverdachte 4] samen met [medeverdachte 3] als uitvoerder betrokken is geweest bij de woningaanslagen van 5, 8, 11 en 28 oktober 2020 en 4 november 2020. Over de wijze waarop zij werden aangestuurd, heeft [medeverdachte 4] het volgende verklaard.
In het algemeen heeft [medeverdachte 4] verklaard dat de adressen vanaf ‘ [verdachte] ’ ( [verdachte] ) via ‘ [medeverdachte 2] ’ ( [medeverdachte 2] ) naar ‘ [medeverdachte 3] ’ ( [medeverdachte 3] ) gingen. Het adres werd verstrekt op een briefje dat [medeverdachte 3] kreeg van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 4] heeft verklaard dat ze die lijst hadden als gevolg van ‘die blunder’ (het hof begrijpt dat dit gaat over de personeelslijst van [fruitbedrijf] die door een fout in het dossier terecht is gekomen).
Conclusie
Bij alle aanslagen waaraan [medeverdachte 4] heeft deelgenomen, kwam de shell van [medeverdachte 2] , die de shell aan [medeverdachte 3] gaf. De shell was altijd verpakt in een boodschappentas of een vuilniszak. Alles wat [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zei, kwam vanuit [verdachte] . [medeverdachte 2] moest ook altijd eerst overleggen voordat hij ergens antwoord op kan geven. De terugkoppeling verliep vaak via [medeverdachte 2] .
Over de financiële beloning voor zijn deelname aan de aanslagen heeft [medeverdachte 4] verklaard dat hem geld in het vooruitzicht werd gesteld door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , die zeiden dat [verdachte] dat zou betalen. Per aanslag zou het gaan om 150 tot 200 euro. Als [slachtoffer 1] zou betalen, zouden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] ieder € 5.000,- krijgen.
Over de aanslag aan [straat] in Tiel (van 5 oktober 2020) heeft [medeverdachte 4] verklaard dat de shell via [medeverdachte 2] werd geregeld en dat [medeverdachte 3] die bij zich had.
Over de aanslag in Breda (van 8 oktober 2020) heeft [medeverdachte 4] verklaard dat [medeverdachte 2] een briefje met daarop het adres had gegeven aan [medeverdachte 3] . [medeverdachte 4] heeft dat briefje ook gezien. Ook heeft [medeverdachte 2] de shell aan [medeverdachte 3] gegeven. [verdachte] was de opdrachtgever van de aanslag en [medeverdachte 2] was een doorgeefluik.
Over de aanslag aan de [straat 4] in Tiel (van 28 oktober 2020) heeft [medeverdachte 4] verklaard dat [verdachte] de opdrachtgever was en dat [medeverdachte 2] weer het doorgeefluik was.
[medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zijn op 3 november 2020 in Hedel door de politie gecontroleerd terwijl zij in een Audi zaten met het kenteken [kenteken 6] . [verdachte] en [medeverdachte 2] zeiden daarna dat het gebruik van die Audi moest worden gemeden omdat die Audi gesignaleerd stond.
Over de aanslag in Vlijmen (van 4 november 2020) heeft [medeverdachte 4] verklaard dat ze eigenlijk hadden afgesproken niet meer met de auto van [medeverdachte 4] te gaan. De opdracht voor de aanslag kwam van [verdachte] . [medeverdachte 2] gaf het briefje (het hof begrijpt: met daarop het adres).
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat zijn auto (het hof begrijpt: de Audi met het kenteken [kenteken 6] ) niet meer kon worden gebruikt in verband met de controle in Hedel. [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn toen op zoek gaan naar andere auto’s voor de aanslagen. [medeverdachte 4] heeft ook verklaard dat [verdachte] wilde dat het steeds extremer werd en dat de shells van drie inch naar zes inch gingen. Onder meer na de aanslag in Vlijmen kwam de boodschap dat er meer schade moest komen.
Uit het voorgaande blijkt dat de aanslag in Vlijmen van 4 november 2020 is gevolgd door aanslagen op 23 en 25 november 2020 (in Kerkdriel respectievelijk Hedel) die zijn uitgevoerd door een andere dadergroep, bestaande uit (onder meer) [naam 13] en [medeverdachte 5] . Beide aanslagen waren erop gericht een explosief in een woning tot ontploffing te laten komen.
Over de telefoonberichten die [slachtoffer 1] ontving van de afperser heeft [medeverdachte 4] verklaard dat dat hij van [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) heeft gehoord dat [verdachte] sms-berichten liet sturen naar [slachtoffer 1] . Het hof begrijpt dat dit ging over de (Panter-) berichten die zijn verstuurd in de periode waarin [medeverdachte 4] zelf betrokken is geweest bij de woningaanslagen die plaatsvonden in het kader van de poging(en) tot afpersing van [slachtoffer 1] .
Activiteiten op telefoon
Onderzoek aan de telefoon van [verdachte] ( [telefoonnummer 12] ) heeft de volgende bevindingen opgeleverd. Op 5 oktober 2020 omstreeks 01.17 uur is de aanslag gepleegd aan [straat] in Tiel. Diezelfde dag om 05.37 uur is in de telefoon van [verdachte] in Google gezocht naar ‘harde knal tiel’ en ‘ontploffing tiel’.
Op 25 november 2020 omstreeks 03.12 uur is de woningaanslag in Hedel gepleegd. Diezelfde dag om 05.52 uur is op de telefoon op de website van het Brabants Dagblad een pagina geopend met een artikel over een grote woningbrand in Hedel.
Naar het oordeel van het hof vormen deze (zoek)activiteiten een aanwijzing voor het daderschap van [verdachte] . Het telkens korte tijdverloop tussen de aanslag en de zoekopdrachten naar het incident duidt erop dat [verdachte] nieuwsberichten verwachtte over die incidenten.
Locatiegegevens telefoon [verdachte] en telefoon afperser
Bij de beoordeling van het daderschap van [verdachte] met betrekking tot de poging tot afpersing van [slachtoffer 1] in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021 heeft het hof rekening gehouden met het volgende.
Uit het voorgaande blijkt dat [slachtoffer 1] in de periode van 26 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021 op een aantal dagen telefoonberichten heeft ontvangen van de afperser. De politie heeft voor die dagen historische verkeersgegevens verkregen van zowel de telefoon van de afperser als de telefoon van [verdachte] , die heeft verklaard dat hij gebruikmaakte van telefoonnummer [telefoonnummer 12] . Uit die verkregen locatiegegevens leidt het hof af dat voor 1, 6 en 12 november 2020 en 1 januari 2021 geldt dat de telefoon van de afperser en de telefoon van [verdachte] op bepaalde tijdstippen op verschillende locaties waren. Hieruit volgt dat de persoon die de telefoon van de afperser gebruikte op die tijdstippen niet de telefoon van [verdachte] met nummer [telefoonnummer 12] bij zich had. Het hof heeft deze bevinding betrokken bij de beantwoording van de vraag of het buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat [verdachte] verantwoordelijk is voor de poging(en) tot afpersing van [slachtoffer 1] in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021. Hierover overweegt het hof het volgende.
Het hof stelt vast dat de Panter-berichten zijn verstuurd nadat [verdachte] was aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de poging(en) tot afpersing van [slachtoffer 1] waarover het onderzoek Maldiven gaat. [verdachte] was toen dus al ondervraagd over de Maldiven-berichten en kon dus ook beschikken over het politiedossier waaruit blijkt dat de Maldiven-verdenking onder meer gebaseerd was op (de resultaten van) een vergelijking van de locatiegegevens van de telefoon van de afperser met de locatiegegevens van zijn eigen telefoon. Dat [verdachte] zich ook daadwerkelijk bewust was van de rol van telefoonlocatiegegevens in het politieonderzoek, blijkt uit de volgende passage uit een politieverhoor van 15 januari 2021 waarin [verdachte] werd verhoord als verdachte.
Vraag politie
:
Je hebt voor Maldiven 10 maanden vastgezeten. Wat heb je toen gezegd tegen je kennis?
Antwoord [verdachte]
:
Die heeft moeten betalen. Hoeveel ga ik niet zeggen maar hij heeft mij schadeloos moeten stellen. (...) Een van de redenen dat ik aangehouden ben zijn de mastlocaties.