Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-03-12
ECLI:NL:GHARL:2025:1694
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,202 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001664-23
Uitspraak d.d.: 12 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 22 maart 2023 met parketnummer 16-072289-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteland] op [geboortedag] 1980,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
vernietiging van het vonnis van de rechtbank;
vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde;
veroordeling van verdachte ter zake van het meer subsidiair tenlastegelegde;
oplegging van een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis;
verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen mes, en
opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. H.A. Rispens, en mr. J. Faber, de advocaat van het slachtoffer, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Verdachte is bij vonnis van de rechtbank van 22 maart 2023 vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en veroordeeld ter zake van het subsidiair tenlastegelegde tot een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast is het inbeslaggenomen mes verbeurd verklaard en is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
zij op of omstreeks 22 maart 2022 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een dergelijk scherp (steek)voorwerp, met kracht heeft gestoken in de (boven)arm, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairzij op of omstreeks 22 maart 2022 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om haar echtgenoot [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een dergelijk scherp (steek)voorwerp, met kracht heeft gestoken in de (boven)arm, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
zij op of omstreeks 22 maart 2022 te [plaats] haar echtgenoot [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een dergelijk scherp (steek)voorwerp, met kracht te steken in de (boven)arm.
Vrijspraak
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde. De meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling kan wettig en overtuigend worden bewezen. Er is geen sprake van noodweer. Als het gooien van de asbak al als een aanval moet worden gezien, dan was die ten tijde van het steken met het mes al voorbij. Het dichtslaan van de lade door aangever was geen wederrechtelijke aanranding, maar was er op gericht om te voorkomen dat verdachte een mes in haar handen zou krijgen.
Standpunt verdediging
Door en namens verdachte is aangevoerd dat vrijspraak moet volgen van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Er is geen sprake van vitale onderdelen in de bovenarm en niet kan worden vastgesteld dat er ongecontroleerd is gestoken. Bovendien is bepleit dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Dit maakt dat verdachte ook van de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling moet worden vrijgesproken.
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hierover het volgende.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt het hof de feiten als volgt vast.
Op 22 maart 2022 in de avond ontstaat er een woordenwisseling tussen verdachte en haar toenmalige echtgenoot [slachtoffer] (aangever). Verdachte klapt de laptop van aangever dicht, waarna aangever – uit boosheid – een glazen asbak in haar richting gooit. Verdachte loopt hierop richting de keuken en aangever loopt haar achterna. In de keuken probeert aangeefster iets uit de besteklade te pakken omdat zij bang is. Ze zocht iets om zichzelf te verdedigen. Aangever probeert de lade dicht te houden en duwt de lade met daarin de arm van verdachte meerdere keren dicht. Het lukt verdachte om een mesje uit de lade te pakken. Er ontstaat vervolgens een handgemeen, waarbij verdachte aangever met het mesje in de buitenkant van zijn linker bovenarm raakt. Als verdachte ziet dat aangever bloedt zegt zij meteen dat het niet haar bedoeling was om hem te raken en pakt zij een handdoek voor hem.
Evenals de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte heeft geprobeerd om aangever opzettelijk te doden, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daarbij overweegt het hof in het bijzonder dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld op welke wijze verdachte aangever met het mes heeft geraakt. Vast staat wel, dat op de locatie waar aangever is geraakt zich geen grote bloedvaten of andere vitale structuren bevonden. Uit het voorgaande volgt dat het primair en subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Niet ter discussie staat dat verdachte aangever met het mes in zijn bovenarm heeft geraakt en dat dit pijn en letsel bij aangever heeft veroorzaakt.
De vraag die vervolgens in het kader van het meer subsidiair tenlastegelegde voorligt is of verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat daardoor geen sprake is van wederrechtelijkheid van haar handelen.
Het hof is van oordeel dat wat verdachte heeft verklaard over (de toedracht van) het incident, te weten: dat aangever een asbak naar haar gooide, dat zij bang was voor aangever omdat er eerder sprake was geweest van geweld in de relatie, dat zij richting de keuken is gevlucht, dat aangever haar achterna kwam, dat ze in de keuken geen andere kant meer op kon, dat ze toen in de keukenla iets zocht om zich te verdedigen, dat aangever meermalen de keukenlade dichtsloeg terwijl haar arm zich nog in de keukenla bevond en dat zij in het daarop volgende handgemeen aangever met het mes heeft geraakt, voldoende aannemelijk is geworden en dat verdachte handelde uit noodweer. Verdachte werd in de keuken ingesloten en (opnieuw) geconfronteerd met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van haar lichaam, waardoor verdachte kon en mocht handelen zoals zij heeft gedaan.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Mes (goednummer: [nummer] ).
Aldus gewezen door
mr. M.B. de Wit, voorzitter,
mr. F.E.J. Goffin en mr. B. Stapert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,
en op 12 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.