Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-03-18
ECLI:NL:GHARL:2025:1591
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,602 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004567-24
Uitspraak d.d.: 18 maart 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) van 22 oktober 2024 met parketnummer 96-085124-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
wonende te [adres]
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 maart 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R. van Rhijn naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld wegens overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 tot een geldboete ter hoogte van € 220,00, subsidiair vier dagen jeugddetentie en een geheel voorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 10 september 2023 te [plaats] , [gemeente] , op de weg, [straatnaam] , (waar zich ander verkeer in de nabijheid bevond,) als bestuurder van een tweewielige bromfiets, meerdere keren, althans één keer, een zogenoemde wheelie heeft gemaakt, immers heeft hij (telkens) over een afstand van ongeveer 10 meter uitsluitend op het achterwiel gereden, waardoor de stabiliteit van het motorrijtuig (ernstig) werd verstoord en de besturing, alsmede de beremming van het voorwiel, (op de normale wijze) niet meer mogelijk was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt openbaar ministerie
Volgens de advocaat-generaal kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de hem verweten gedraging, het over een afstand van ongeveer tien meter maken van een wheelie, heeft begaan. Het door verdachte ter terechtzitting van het hof getoonde filmpje verandert daar niets aan. Het vonnis van de kantonrechter kan worden bevestigd.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Hij heeft hiertoe, kort gezegd, aangevoerd dat het wettige bewijs, het proces-verbaal bevindingen van de verbalisant, onvoldoende overtuigend is. Het dossier is heel summier. Gelet op de situatie ter plaatse wordt door de verdediging betwist dat de verbalisanten goed zicht hadden op verdachte. Een wheelie over een afstand van tien meter is, gelet op de bochten en beplanting aldaar, niet realistisch. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof benadrukt dat hij, anders dan opgeschreven door de politie en door de kantonrechter, alleen op de scooter zat. Hij heeft geen wheelie gemaakt. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij aan het hof en de advocaat-generaal op zitting een filmpje op zijn telefoon getoond waaruit zou blijken dat de verbalisant niet kan vertellen hoeveel centimeter het voorwiel van de grond is gekomen, en het tenlastegelegde dus ook niet heeft gezien.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij op 10 september 2023 met zijn scooter over [straatnaam] in [plaats] , [gemeente] , heeft gereden. De wijze waarop hij gereden heeft wordt door [verbalisant] in het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen beschreven: "Ik zag dat de bestuurder van bovengenoemd voertuig (hof: bromfiets Piaggo) over een afstand van tenminste 10,00 meter uitsluitend op het achterwiel reed.”
Tegenover de verbalisant verklaart verdachte dat hij ‘niet bewust’ een wheelie heeft gemaakt en bij de kantonrechter verklaart hij dat het voorwiel van zijn scooter van de grond kwam door het gewicht van de passagier achterop.
Het hof ziet evenals de kantonrechter, geen reden om te twijfelen aan de waarnemingen van [verbalisant] . Het aan verdachte verweten gevaarscheppende en verkeershinderende gedrag kan wettig en overtuigend worden bewezen. Het door verdachte ter terechtzitting getoonde filmpje (waarin te horen is dat een verbalisant op indringende wijze gevraagd wordt naar hoe hoog het wiel omhoog kwam en daar geen antwoord op geeft) doet daar niet aan af omdat een discussie over de hoogte van de wheelie juist niet uitsluit dat er een wheelie is gemaakt.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij, op of omstreeks 10 september 2023 te [plaats] , [gemeente] , op de weg, [straatnaam] , (waar zich ander verkeer in de nabijheid bevond,) als bestuurder van een tweewielige bromfiets, meerdere keren, althans één keer, een zogenoemde wheelie heeft gemaakt, immers heeft hij (telkens) over een afstand van ongeveer 10 meter uitsluitend op het achterwiel gereden, waardoor de stabiliteit van het motorrijtuig (ernstig) werd verstoord en de besturing, alsmede de beremming van het voorwiel, (op de normale wijze) niet meer mogelijk was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis, ook wat betreft de strafoplegging, te bevestigen.
Standpunt verdediging
Verdachte heeft verklaard dat hij met de auto naar zijn werk gaat en zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk bij de garage.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 220,00 (tweehonderdtwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen jeugddetentie.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. M.J. Vos en mr. H. Phaff, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. B.T.H. Toonen-Janssen, griffier,
en op 18 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 18 maart 2025.
Tegenwoordig:
mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,
mr. A. Hermelink, advocaat-generaal,
mr. B.T.H. Toonen-Janssen, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.