Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-03-19
ECLI:NL:GHARL:2025:1579
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,070 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.347.002/01
CJIB-nummer
: 256405323
Uitspraak d.d.
: 19 maart 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 593,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 280,- voor: “doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 maart 2023 om 23.17 uur op de Stadhoudersweg (kruising Van Aerssenlaan) in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene betwist de gedraging. Hij voert aan dat op basis van de foto’s niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene het rode licht is gepasseerd. De foto’s zijn hiervoor te donker en de stopstreep is niet zichtbaar. De gemachtigde stelt zich daarom op het standpunt dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Een ambtsedige verklaring is niet vereist. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De overtreding is met roodlichtapparatuur geautomatiseerd op twee digitale foto’s vastgelegd.
Foto 1: het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het rode licht reeds 0,8 seconden.
Foto 2: circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden.
(…)
De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd met een goedgekeurd snelheidsmeetmiddel bestaande uit een lusdetector in combinatie met een flitspaal.”
5. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal twee foto's van de gedraging ingebracht. Deze foto’s zijn van betere kwaliteit dan de foto’s die eerder in de procedure zijn ingebracht. Op deze foto’s is het voertuig van de betrokkene te zien, terwijl het zich op de linkerrijstrook voor doorgaand verkeer bevindt. Uit de eerste foto volgt dat het voertuig van de betrokkene zich met de voorzijde ter hoogte van de stopstreep bevindt. Het verkeerslicht straalt op dat moment 0,8 seconden rood licht uit. Op de tweede foto is te zien dat het voertuig verder is gereden en het aan de rechterzijde van de rijbaan geplaatste verkeerslicht is gepasseerd. Op het moment van de tweede foto straalde het verkeerslicht 1,7 seconden rood licht uit. Onder beide foto's staat dat de geellichtfase 2,9 seconden en de snelheid van het voertuig 50 km per uur bedroeg.
6. Nu uit de foto’s volgt dat het voertuig van de betrokkene in ieder geval het aan de linkerzijde van de rijbaan geplaatste en rood licht uitstralende verkeerslicht is gepasseerd, kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Deze grond treft geen doel.
7. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter bij het toekennen van de proceskosten-vergoeding ten onrechte wegingsfactor 0,25 heeft gehanteerd. Anders dan de kantonrechter overweegt is geen sprake van een minder bewerkelijke of (juridisch) complexe zaak met een gering financieel belang.
8. Het hof stelt vast dat de kantonrechter een proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de proceshandelingen in administratief beroep en in de procedure bij de kantonrechter, omdat de officier van justitie de informatieplicht heeft geschonden en de gemachtigde (ook) niet in de gelegenheid heeft gesteld om (schriftelijk) de gronden van het beroep aan te vullen. Gelet op de geringe bewerkelijkheid en complexiteit van de zaak in combinatie met het geringe financiële belang heeft de kantonrechter de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast.
9. Het hof heeft in de arresten van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336) en 1 april 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1786) geoordeeld dat - kort gezegd - in de regel een rechtens te respecteren belang bestaat bij vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte proceskosten, wanneer de betrokkene in het gelijk wordt gesteld. Daarvan is sprake wanneer de inleidende beschikking wordt vernietigd of wanneer deze wordt gewijzigd voor wat betreft het sanctiebedrag, de omschrijving van de gedraging en/of de feitcode. Wordt de betrokkene niet in het gelijk gesteld, dan is er in de regel geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
10. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking ongewijzigd in stand gelaten. Gelet daarop is de betrokkene niet in het gelijk gesteld als bedoeld in bovenstaande arresten. Naar het oordeel van het hof is er in deze zaak geen reden voor een uitzondering op de regel dat alleen in het geval van in gelijkstelling aanspraak bestaat op een proceskostenvergoeding. Een schending van de informatieplicht door de officier van justitie is weliswaar onrechtmatig en daarmee grond voor vernietiging van diens beslissing, maar is niet van dien aard dat een veroordeling in de proceskosten gerechtvaardigd is. De omstandigheid dat namens de betrokkene in administratief beroep herhaaldelijk om toezending van documenten was verzocht, maakt dat niet anders. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de stukken in de fase van het beroep bij de kantonrechter alsnog beschikbaar zijn gekomen en dat de gemachtigde de gelegenheid heeft gehad om daarop namens de betrokkene te reageren, en dat ook heeft gedaan. Gelet daarop kan niet worden gesproken van een situatie waarin de betrokkene zodanig in zijn belangen is geschaad dat het niet billijk is de proceskosten voor zijn rekening te laten blijven (zie bijvoorbeeld het arrest van dit hof van 7 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6674).
11. Gezien het bovenstaande heeft de kantonrechter ten onrechte de officier van justitie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten. Er bestaat geen rechtens te erkennen belang bij de beoordeling van de hoogte van die vergoeding.
12. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet. De aangevoerde grond met betrekking tot het per 1 januari 2024 gewijzigde artikel 13a, tweede lid, van de Wahv behoeft daarom geen bespreking.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.