Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-03-18
ECLI:NL:GHARL:2025:1544
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,482 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.349.426
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 579868)
beschikking van 18 maart 2025
in het hoger beroep van:
[verzoekster] (de moeder),
en
[verzoeker] (de (stief)vader),
gezamenlijk: de ouders,
woonplaats: [woonplaats1] ,
advocaat: mr. L.T.C.M. Geurts.
Belanghebbenden zijn:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
gevestigd in Utrecht,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI),
gevestigd te Amsterdam.
1Onderwerp
Het gaat in deze zaak om de ondertoezichtstelling van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2013 en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2024.
2Belangrijke informatie
De moeder heeft alleen het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] . De (stief)vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige2] . [de minderjarige2] en [de minderjarige1] wonen bij de moeder en de (stief)vader. [de minderjarige1] heeft geen contact met zijn (biologische en juridische) vader.
Dictum
De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) heeft op 26 september 2024 op verzoek van de raad [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI tot 26 september 2025. De kinderrechter heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld.
4Het hoger beroep
De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij zijn in hoger beroep gegaan. Zij vinden dat het hof het verzoek van de raad alsnog moet afwijzen.
5De rechtszaak bij het hof
5.1
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift van de ouders van 17 december 2024;
- het verweerschrift van de raad;
- een journaalbericht van mr. Geurts van 11 februari 2025 met een productie; en
- een journaalbericht van mr. Geurts van 18 februari 2025.
5.2
[de minderjarige1] heeft in een brief aan het hof geschreven wat hij van de zaak vindt.
5.3
De zitting bij het hof was op 18 februari 2025. Aanwezig waren:
- de vader met mr. Geurts;
- een vertegenwoordiger van de raad; en
- een vertegenwoordiger van de GI.
6De redenen voor de beslissing
6.1
Het hof vindt dat de beslissing van de kinderrechter moet blijven gelden. Hierna zal het hof uitleggen waarom het hof het eens is met de beslissing van de kinderrechter.
Wat staat er in de wet?
6.2
De kinderrechter mag een kind onder toezicht stellen als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij werken de ouders niet of niet genoeg mee aan vrijwillige hulpverlening. Het moet wel zo zijn dat de ouders de verzorging en opvoeding na een tijdje weer helemaal zelf kunnen gaan doen (artikel 1:255 BW).
Wat vinden de ouders?
6.3
De ouders stellen dat de kinderen niet ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De ouders hebben wel eens ruzie en kleine discussies, maar [naam1] heeft dit uitvergroot door te zeggen dat er dagelijks grote ruzies zijn. De onenigheid tussen de ouders ontstaat doordat zij verschillende communicatiestijlen hebben, maar zij praten dit uit buiten het zicht en de aanwezigheid van de kinderen. Hun onenigheden kunnen geen oorzaak zijn voor de vermeende ontwikkelingsbedreiging van kinderen. Bovendien ontwikkelen de kinderen zich erg goed. [de minderjarige2] is een blije, gezonde jongen en ook [de minderjarige1] ontwikkelt zich op sociaal, emotioneel en intellectueel vlak goed. [de minderjarige1] heeft zowel op school en voetbal als daarbuiten veel vriendjes.
Mocht al sprake zijn van een ontwikkelingsbedreiging, dan is nog niet voldaan aan de gronden voor een ondertoezichtstelling. De ouders accepteren immers noodzakelijke hulp en gaan ook zelfstandig op zoek naar hulp. Er is daarom geen reden om vanuit het vrijwillige kader over te stappen naar het gedwongen kader. De moeder heeft hulp gehad van [naam2] bij haar emotieregulatie, zij gaat nu naar een regiegroep bij [naam1] in verband met traumaklachten die zijn ontstaan doordat de ouders uit hun woning zijn gezet. Ook wil de moeder een verwijzing krijgen voor traumatherapie. De vader staat op de wachtlijst van [naam3] en hij wil samen met de moeder relatietherapie. Voor de relatietherapie hebben de ouders twee instanties benaderd, maar beide instanties konden niet de benodigde hulp bieden.
Wat vindt de raad?
6.4
Het is positief dat de GI en de school zien en benoemen dat het goed gaat met de kinderen, maar er zijn toch ernstige zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. Tijdens de twee raadsonderzoeken is gebleken dat de kinderen opgroeien in een gezin waarin al langdurig sprake is van onrust, ruzies en/of spanningen tussen de ouders. Er zijn meerdere politiecontacten geweest, aanvaringen met hulpverlening en een huisuitzetting met als gevolg twee verhuizingen en schoolwisselingen van [de minderjarige1] . De raad ziet bij de ouders een patroon van ruzie, schreeuwen en spanningen. Dit patroon is schadelijk voor opgroeiende kinderen. De spanning die er in huis is, is een directe ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen. Weliswaar laten de kinderen nu geen kindsignalen zien, maar dat betekent niet dat zij geen last hebben van de ruzies en spanningen tussen de ouders. De kinderen kunnen dit gedrag van de ouders als normaal beschouwen. Het is zorgelijk dat [de minderjarige1] afgevlakt reageert op de conflicten, zoals is waargenomen door [naam1] . [de minderjarige2] is een baby en de raad maakt zich zorgen dat hij de spanningen en onrust aanvoelt en hierdoor onvoldoende toekomt aan het opbouwen van een veilige hechtingsrelatie met zijn ouders. De ouders ontkennen de heftige ruzies, maar zowel [naam4] , [naam1] als de raad zelf zijn getuige geweest van ruzies tussen ouders waar de kinderen bij waren.
Na het eerste raadsonderzoek in april 2024 heeft de raad besloten geen ondertoezichtstelling te verzoeken – hoewel daar wel aanleiding toe was – omdat de ouders zeiden open te staan voor hulpverlening. Maar binnen drie maanden na de sluiting van het onderzoek werden er weer zorgen gemeld over de communicatie tussen de ouders en met de hulpverlening. De raad maakt zich zorgen dat bij de ouders inzicht ontbreekt in wat de dynamiek tussen hen voor de kinderen betekent. Dat kan het slagen van een hulptraject in de weg staan. Ook is de hulpverlening nog niet in gang gezet. Op het voorstel van de GI om [naam5] en Video-Interactiebegeleiding (VIB) in te zetten, hebben de ouders afwijzend gereageerd. Omdat de noodzakelijk geachte hulpverlening nog niet (volledig) is ingezet en de zorgen die de raad had gedurende het raadsonderzoek er nog zijn, is een ondertoezichtstelling nodig om te zorgen dat de hulpverlening ook daadwerkelijk wordt ingezet en om zicht te houden op verloop hiervan.
Wat vindt de GI?
6.5
De GI is sinds november 2024 betrokken bij het gezin. Zij is sindsdien twee keer op bezoek geweest bij de ouders, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Bij [de minderjarige2] ziet de GI een gezonde ontwikkeling en hechting. De ouders voelen goed aan wat [de minderjarige2] nodig heeft. Tijdens het gesprek met [de minderjarige1] vertelde hij dat het op school goed gaat. Hij scoort met rekenen hoog; hij vindt rekenen ook heel leuk. [de minderjarige1] heeft veel vriendjes, ook nog van vroeger.
Op de mondelinge behandeling heeft de GI aan het hof verteld dat de ouders een sterke mening hebben over wat ze wel en niet willen, en dat mag ook. De GI wil kijken welke hulp voor de ouders passend is. De GI heeft VIB voorgesteld, maar dat vindt de vader een inbreuk op de privacy van de ouders. Daarom gaat de GI kijken of NIKA wel mogelijk is. De GI heeft [naam5] voorgesteld voor hulp in de relatie tussen de ouders. Omdat de ouders dat niet willen, is de GI nog op zoek naar een andere organisatie, bijvoorbeeld Altrecht.
Niet de kindsignalen, maar wel de interactie tussen ouders en het effect hiervan op de kinderen, zijn een zorg. Het hoofddoel is dan ook om eerst te werken aan de communicatie tussen de ouders, aldus de GI.
Beoordeling
6.6
Anders dan de ouders hebben betoogd, is het hof van oordeel dat wel is voldaan aan de in de wet opgenomen vereisten voor een ondertoezichtstelling.
6.7
Uit het raadsrapport van 22 april 2024 volgt dat al vanaf 2016 door zowel de politie als andere instanties ( [naam6] , [naam7] , [naam8] , [naam9] , [naam1] ) meldingen worden gedaan over ruzies tussen de ouders. In het raadsrapport van 14 augustus 2024 zijn meldingen door het Buurtteam en [naam1] van (hoogoplopende) ruzies tussen de ouders in de periode tussen mei 2024 en juli 2024 opgenomen. Dat dit slechts discussies of onenigheden waren, zoals de ouders stellen, is door hen, in het licht van de hoeveelheid, de aard en de ernst van de meldingen, onvoldoende onderbouwd.
Het hof overweegt dat uit deze meldingen kan worden afgeleid dat [de minderjarige1] (sinds hij drie jaar is) en [de minderjarige2] (sinds zijn geboorte) in een gezin opgroeien waarin vaak grote spanningen en ruzies zijn tussen de ouders. De ouders hebben aangevoerd dat dit gegeven geen ernstige ontwikkelingsbedreiging is. Het hof oordeelt hier anders over. Het hof is van oordeel – in navolging van het betoog van de raad – dat de aanhoudende ruzies en spanningen tussen de ouders een directe ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen zijn. Volgens de raad geeft dit aan kinderen een basaal gevoel van onveiligheid, waardoor zij voortdurend angstig en alert zullen zijn en onvoldoende toekomen aan hun eigen ontwikkeling. Concreet betekent dit voor [de minderjarige1] dat hij voortdurend alert zal zijn op nieuwe conflicten, wat hem veel energie kost en stress geeft, waardoor hij onvoldoende toekomt aan zijn ontwikkelingstaken. [de minderjarige2] kan als baby aanvoelen wanneer de ouders zelf spanningen en onrust ervaren. Hierdoor komen de ouders en de kinderen onvoldoende toe aan het opbouwen van een veilige hechtingsrelatie. Dat het met de kinderen goed lijkt gaan, zoals de ouders stellen en door de GI is bevestigd, doet gezien het bovenstaande niet af aan het oordeel van het hof dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd.
6.8
Zoals hierboven reeds is opgemerkt, heeft de raad in april 2024 bij de afsluiting van het onderzoek besloten om geen verzoek tot ondertoezichtstelling te doen. Het hof overweegt dat de ouders hiermee de kans hebben gekregen om in het vrijwillig kader hulp in gang te zetten voor hun eigen problemen en hun onderlinge communicatie. Al twee maanden na de afsluiting van het raadsrapport heeft het Buurtteam opnieuw contact opgenomen met de raad, omdat de zorgen binnen het gezin niet afgenomen, maar eerder toegenomen waren. Het is het Buurtteam niet gelukt om met de ouders samen te werken. In de stukken en op de mondelinge behandeling heeft de vader verteld dat de ouders hulp voor zichzelf en voor hen samen willen. Het hof overweegt dat het goed is dat de ouders dat willen, maar dit heeft nog niet geleid tot de daadwerkelijke inzet van hulp. De vader staat op de wachtlijst van [naam3] , de moeder heeft – voor zover het hof bekend – nog geen verwijzing van de huisarts voor traumatherapie en de ouders hebben geen instantie gevonden die hulp kan bieden om hun onderlinge communicatie te verbeteren. Het hof is van oordeel dat hieruit blijkt dat het de ouders zelfstandig niet lukt om de noodzakelijke hulp in te zetten binnen het vrijwillig kader, en daarmee de hiervoor beschreven zorgen over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] weg te nemen. De GI heeft op de mondelinge behandeling verteld dat zij aan de ouders zowel VIB als begeleiding door [naam5] heeft voorgesteld, maar ook dat heeft nog niet tot de inzet van hulp geleid, omdat de ouders deze vorm van hulp/ instantie niet vertrouwen. De ouders zijn kritisch op de inzet van hulpverlening, waardoor het inzetten van hulp verdere vertraging oplevert. Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat de zorg die noodzakelijk is niet of onvoldoende wordt geaccepteerd.
6.9
Het hof verwacht wel dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te dragen.
6.10
Kortom, het hof vindt dat de beslissing van de kinderrechter moet blijven gelden. Het hof zal die beslissing daarom bekrachtigen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) van 26 september 2024.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en A.T. Bol in samenwerking met de griffier. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025.