Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-03-13
ECLI:NL:GHARL:2025:1458
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,904 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.347.171
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 556702)
beschikking van 13 maart 2025
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de verzoekster,
advocaat: mr. B.S. Bernard,
en
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit het beroepschrift met producties, ingekomen op 21 oktober 2024.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 10 februari 2025 plaatsgevonden.
Aanwezig waren verzoekster en haar advocaat. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2.3
De moeder van verzoekster is door de rechtbank als belanghebbende aangemerkt. Het hof is van oordeel dat de moeder niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Het hof heeft de moeder abusievelijk een verweertermijn gegeven en opgeroepen voor de mondelinge behandeling bij dit hof. De moeder is bijzondere toegang verleend voor de mondelinge behandeling.
Feiten
3.1
De vader en de moeder hebben een relatie gehad. Verzoekster is geboren [in] 2001 in [woonplaats1] . De vader is de verwekker (biologische vader) van verzoekster en de vader heeft verzoekster destijds erkend.
3.2
Verzoekster heeft een oudere zus. Zij heeft een andere biologische vader dan verzoekster. De vader heeft deze zus destijds ook erkend. Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 15 oktober 2020 is het verzoek van de zus om haar erkenning door de vader te vernietigen toegewezen.
3.3
Verzoekster heeft op 6 juni 2023 een verzoek tot vernietiging van de erkenning door de vader bij de rechtbank ingediend.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de beschikking van 24 juli 2024 is het verzoek van verzoekster om de erkenning door haar vader te vernietigen door de rechtbank afgewezen.
4.2
Verzoekster is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en komt daarom in hoger beroep. Zij verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank van 24 juli 2024 te vernietigen en:
primair
verzoekster toe te laten tot het bewijs van haar stellingen door het horen van haar zus als getuige;
subsidiair
de erkenning door de vader te vernietigen.
Motivering
de wettelijke regel van artikel 1:205 BW
5.1
De vader is de biologische vader van verzoekster. Op grond van artikel 1:205 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan uitsluitend een verzoek tot vernietiging van erkenning op grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is worden gedaan door het kind zelf binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de erkenner vermoedelijk niet haar biologische vader is. Indien het kind gedurende haar minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek uiterlijk drie jaren nadat zij meerderjarig is geworden worden ingediend. De wet biedt geen grondslag voor vernietiging van de erkenning in een situatie dat de erkenner, zoals in deze zaak, wel de biologische vader is van het kind.
waarom wil verzoekster vernietiging van de erkenning?
5.2
Verzoekster voert aan dat er op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ruimte is voor een belangenafweging tussen haar belang en het belang van de vader. De rechtbank heeft volgens verzoekster geen deugdelijke belangenafweging gemaakt.
Zij stelt dat zij voldoende nader heeft onderbouwd en toegelicht dat de erkenning door de vader dermate negatieve invloed op haar privéleven heeft gehad en nog steeds heeft dat dit een ongerechtvaardigde inmenging in haar privéleven vormt die niet-proportioneel en niet noodzakelijk is. Zij heeft dagelijks last van haar achternaam en afstamming. Elke keer als zij haar achternaam opschrijft voelt zij pijn, afwijzing en haat richting haarzelf. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat haar persoonlijke, psychische en mentale situatie problematisch is. Haar persoonlijke situatie maakt dat zij moeilijk een studiekeuze kan maken en zij een zogeheten ‘breekjaar’ moest inlassen. Zij wordt nog steeds behandeld bij GGZ en volgt het traject ‘Vinger aan de pols’. Haar aanvraag om een WAJONG-uitkering is afgewezen, maar het UWV heeft wel beslist dat zij op dit moment geen arbeidsvermogen heeft.
Verder stelt verzoekster dat de rechtbank ten onrechte ervan uitgaat dat tot de scheiding van haar ouders sprake was van een liefdevol en respectvol contact tussen haar en de vader. Dit was niet het geval, zoals volgens haar ook blijkt uit de brief van de vader in 2015. Daarin vermeldt de vader dat er al meerdere jaren sprake was van een ‘gebroken gezin’. De overweging van de rechtbank dat zij na de scheiding nog contact met de vader heeft gehad als vader en dochter vindt geen steun in deze brief van de vader.
De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) heeft verzoekster in een brief van 6 augustus 2019 bericht dat DUO bij de berekening van de hoogte van haar studiefinanciering geen rekening zal houden met het inkomen van de vader. Dit bevestigt volgens verzoekster dat geen sprake meer is van contact met de vader en vormt een bewijs voor verbroken ‘family life’.
Verzoekster heeft de vader bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank na een periode van ruim tien jaar voor het eerst weer ontmoet en dat was overweldigend voor haar. Zij was daardoor niet goed in staat om adequaat te reageren. Zij voelde zich overvallen door de mededeling van de vader dat hij ervoor openstaat om met haar in gesprek te gaan. De vader heeft vervolgens tot heden niets meer van zich laten horen, zijn voorstel moet daarom niet serieus worden genomen.
het primaire verzoek van verzoekster in hoger beroep (bewijsaanbod)
5.3
Verzoekster doet een bewijsaanbod en verzoekt haar zus te horen over haar stelling dat de vader nimmer stappen heeft ondernomen om de band met haar te herstellen.
Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat het hof het primaire verzoek om verzoekster toe te laten tot bewijs van haar stellingen door het horen van haar zus afwijst. Verzoekster betwist de stellingen van de vader in eerste aanleg over contacten tussen de vader en verzoekster. De bewijslast van die stellingen rust niet op verzoekster. Zij hoeft wat zij ter betwisting aanvoert niet te bewijzen; zij voert ook geen bevrijdend verweer op dit onderdeel.
het beroep van verzoekster op artikel 8 EVRM
5.4
Op grond van artikel 8 EVRM heeft een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens lid 2 van artikel 8 EVRM is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De stelling van verzoekster komt erop neer dat de wettelijke regel dat vernietiging van een erkenning alleen kan als de man die erkend heeft niet de biologische vader is een inbreuk vormt op haar privé leven.
is inmenging in het recht op respect van privé leven van verzoekster noodzakelijk?
5.5
Het hof gaat ervan uit dat in dit geval de onmogelijkheid om de erkenning te vernietigen een inmenging zou kunnen vormen in de uitoefening van het recht op respect voor het privé leven van verzoekster Het hof verwijst naar hetgeen verzoekster daarover heeft gesteld (rov. 5.2.). De wettelijke regel dat vernietiging van de erkenning alleen mogelijk is als de erkenner niet de biologische vader is, is een gerechtvaardigde inmenging in de zin van artikel 8 lid 2 EVRM: zij is bij wet voorzien en beoogt bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, in dit geval de vader. Het doel van artikel 1:205 BW is immers om in de gevallen die dit artikel noemt vernietiging van een erkenning mogelijk te maken maar alleen als de erkenner niet de biologische vader van het kind is. Het artikel beschermt aldus de rechten en vrijheden van de biologische vader die erkend heeft en de familierechtelijke betrekking die tussen de vader en het erkende kind bestaat. Vernietiging van de erkenning door de biologische vader is ook een inmenging in het door artikel 8 lid 1 EVRM beschermde respect voor zijn privé-, familie- en gezinsleven. De vervolgvraag is of de inmenging in het recht op respect van het privé leven van verzoekster in dit concrete geval, waarin verzoekster de familierechtelijke betrekking met haar biologische vader wenst te verbreken, met het oog op dat doel ook noodzakelijk is. Daarbij moet er een ‘fair balance’ zijn tussen het belang van verzoekster en het belang van de vader.
de belangen van de vader
5.6
Verzoekster stelt dat al vele jaren sprake is van een ‘gebroken gezin’ maar vaststaat dat dat verzoekster, de moeder, de zus en de vader tot de scheiding van de vader en de moeder een gezin hebben gevormd en dat sprake is geweest van gezinsleven of ‘family life’. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank verklaard dat hij gedurende de samenleving met de moeder en de eerste jaren na de scheiding in 2009 een leuk contact heeft gehad met verzoekster. In de door verzoekster overgelegde brief van de vader uit 2015 geeft de vader aan dat hij langere tijd niet goed heeft gefunctioneerd vanwege psychische problemen. Daarom heeft hij destijds besloten om zich te laten opnemen en geen contact met verzoekster en de zus te onderhouden zolang hij niet geestelijk gezond was. Hij geeft in deze brief ook aan dat hij nog een lange en zware weg te gaan heeft en zich heel goed kan voorstellen dat verzoekster en haar zus niet staan te springen om hem weer te zien, maar dat zij in ieder geval zijn reden van bestaan zijn en dat hij van hen houdt.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juli 2024;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, J.H. Lieber en M.E.L. Klein, bijgestaan door de griffier, en is op 13 maart 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.