Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-03-06
ECLI:NL:GHARL:2025:1261
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,862 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.349.837
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 581493)
beschikking van 6 maart 2025
in het hoger beroep van:
[verzoekster] (de moeder)
woonplaats: [woonplaats1]
advocaat: mr. R. Dijkstra
Belanghebbenden zijn:
(1) raad voor de kinderbescherming (de raad)
(in Utrecht)
(2) de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI)
(in Amsterdam)
Informant is:
[de vader] (de vader)
woonplaats: bekend bij het hof
1Onderwerp
Het gaat in deze zaak om de ondertoezichtstelling van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2023, en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2024.
2Belangrijke informatie
2.1
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn de kinderen van de moeder. De vader is de biologische ouder van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Hij heeft de kinderen niet erkend. De moeder heeft nog een oudere zoon ( [de minderjarige3] ) uit een eerdere relatie. Hij verblijft in een gezinshuis.
2.2
De moeder heeft het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Dat betekent dat de moeder belangrijke beslissingen over hen kan nemen.
2.3
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen bij hun moeder. De vader verblijft (ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof) deels in het gezin en deels in de [naam1] met een tbs met voorwaarden.
Dictum
De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) heeft op 16 oktober 2024 [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op verzoek van de raad onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 16 oktober 2024 tot 16 oktober 2025.
4Het hoger beroep
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij is in hoger beroep gegaan. Zij vindt dat het hof het verzoek van de raad alsnog moet afwijzen.
5De rechtszaak bij het hof
5.1
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift van 10 januari 2025
- het verweerschrift van de raad.
5.2
De zitting bij het hof was op 18 februari 2025. Hierbij waren aanwezig:
- de moeder, met haar advocaat
- een vertegenwoordiger van de raad.
6De redenen voor de beslissing
6.1
Het hof zal de beslissing op het verzoek van de moeder aanhouden en de moeder in de gelegenheid stellen om informatie aan het hof te overleggen. Hierna zal het hof uitleggen waarom.
Wat staat er in de wet?
6.2
De kinderrechter mag een kind onder toezicht stellen als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij werken de ouders niet of niet genoeg mee aan vrijwillige hulpverlening. Het moet wel zo zijn dat de ouders de verzorging en opvoeding na een tijdje weer helemaal zelf kunnen gaan doen (artikel 1:255 BW).
Wat vindt de moeder?
6.3
De moeder stelt dat de kinderen niet ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Het klopt dat beide ouders een belast verleden hebben, maar dat maakt de draagkracht van de moeder ten opzichte van de kinderen niet minder. De incidenten tussen de ouders hebben plaatsgevonden voordat de kinderen geboren zijn. Hiervoor zijn de ouders in therapie gegaan en de huidige situatie waarbij de vader bij de moeder en kinderen verblijft is langzaam opgebouwd, waarbij ook is gekeken naar de draagkracht voor de kinderen. Naast de relatietherapie bij [naam2] hebben de moeder en de vader ook los van elkaar hulp: de moeder bij een (online) psycholoog en de vader via de Reclassering. Volgens de moeder heeft de GI, nu de moeder en de vader al hulp hebben, geen toegevoegde waarde. Daarbij heeft de GI, sinds de kinderen onder toezicht zijn gesteld, nog geen contact met de moeder opgenomen.
Op de mondelinge behandeling heeft de moeder aan het hof verteld dat het goed gaat met de kinderen. [de minderjarige1] gaat al langer twee dagen per week naar de kinderopvang en nu ook nog twee dagen naar de VVE-klas (voor- en vroegschoolse educatie). [de minderjarige2] groeit, eet en slaapt goed. Dat wordt bevestigd door het consultatiebureau. De geplande verhuizing van de moeder (met de kinderen) naar de woonplaats van haar oudste zoon [de minderjarige3] is niet doorgegaan. Spanningen die met een verhuizing gepaard kunnen gaan, zijn daarmee uitgebleven, zodat ook dat geen reden is voor een ondertoezichtstelling.
Wat vindt de raad?
6.4
De ouders zijn gek op de kinderen, daarin zit geen ontwikkelingsbedreiging. De ernstige ontwikkelingsbedreiging komt voort uit de opvoedomgeving. De moeder heeft in de relatie met de vader (en met haar vorige partner) te maken gehad met geweld. Het is goed dat de moeder en de vader los van elkaar hulp hebben en dat de ouders relatietherapie volgen, maar al deze hulp is gericht op de moeder en de vader zelf. De raad vindt dat de ontwikkeling van de kinderen gevolgd moet worden, zeker nu de vader weer in het gezin gaat wonen. Hiervoor is de GI nodig.
De situatie waarin de kinderen zich bevinden is op dit moment te kwetsbaar voor het vrijwillig kader. Hierbij zijn de volgende aspecten van cruciaal belang: de moeder was tijdens de zwangerschap van [de minderjarige2] een periode onbereikbaar voor de verloskundige, door de geboorte van [de minderjarige2] is de gezinsdynamiek veranderd, de veroordeling van de vader met tbs en het verlof van de vader in dat kader dat pas recent gestart is en het kleine netwerk van de moeder De raad erkent dat er positieve ontwikkelingen zijn, maar deze zijn erg pril. Zicht vanuit de GI op de gezinssituatie is van groot belang om een positieve lijn te kunnen continueren.
Dat de moeder niet gaat verhuizen naar de woonplaats van [de minderjarige3] maakt niet dat er geen ernstige ontwikkelingsbedreiging (meer) is. De verhuizing is voor de raad een meewegende factor bij het oordeel dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen, maar het is niet de enige factor waarop de ernstige ontwikkelingsbedreiging is gebaseerd.
Beoordeling
6.5
De vader heeft in het verleden (fors) geweld gebruikt tegen de moeder. Het lijkt erop (het hof beschikt immers niet over de strafrechtelijke stukken) dat de vader hiervoor is veroordeeld en aan hem een Tbs-maatregel is opgelegd. In augustus 2024 is de tbs met twee jaar verlengd; de vader heeft nu een tbs met voorwaarden. Doordat de vader in de afgelopen jaren in een tbs-kliniek heeft verbleven, hebben de ouders sinds de geboorte van de kinderen (bijna) niet als gezin samengewoond. De moeder heeft op de mondelinge behandeling aan het hof verteld dat de vader in de afgelopen periode eerst drie overnachtingen per week in het gezin verbleef en dat dit vanaf februari 2025 is uitgebouwd naar vijf overnachtingen per week. Met ingang van maart 2025 zal de vader weer helemaal thuis bij het gezin gaan wonen, aldus de moeder.
Het hof overweegt dat dit voor de moeder en de vader een nieuwe (onbekende) situatie zal zijn. De moeder heeft aan het hof verteld dat zij voor zichzelf wekelijks hulp heeft geregeld van een (online) psycholoog, dat de vader hulp heeft van de reclassering en dat zij samen relatietherapie volgen bij [naam2] . Ook heeft zij verteld dat zowel [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zich goed ontwikkelen. Uit wat de moeder aan het hof heeft verteld, begrijpt het hof dat de moeder vertrouwen heeft dat met de hulp die de moeder en de vader hebben zij samen een stabiele basis voor de kinderen kunnen vormen en dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De moeder heeft echter van alle hiervoor genoemde hulp geen informatie aan het hof overgelegd, zodat het hof niet kan vaststellen sinds wanneer de ouders deze hulp hebben, wat de voortgang en het vooruitzicht is. Ook over de ontwikkeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] heeft het hof geen informatie. Omdat er – sinds de kinderrechter de ondertoezichtstelling heeft uitgesproken – nog geen jeugdbeschermer is aangewezen, heeft de GI ook geen recente informatie aan het hof overgelegd. Naast het raadsrapport van 23 september 2024 waarin de zorgen van de raad zijn genoemd, heeft het hof dus geen andere door stukken onderbouwde (recente) informatie. De advocaat van de moeder heeft – na vragen van het hof – op de mondelinge behandeling aangeboden om binnen twee weken alsnog informatie aan het hof te verstrekken
6.6
Het hof acht zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen geven. Het hof zal de moeder daarom in de gelegenheid stellen om informatie te overleggen waaruit blijkt welke hulp de moeder en de vader los van elkaar en samen hebben en wat daarvan de stand van zaken is. Van belang is in dit kader ook rapportage van de reclassering waaruit blijkt hoe de reclassering aankijkt tegen het feit dat de ouders op dit moment al (grotendeels) samenwonen, anders dan – naar het hof begrijpt – het aanvankelijke plan dat de vader (eerst) apart zou gaan wonen. Daarnaast wil het hof informatie over (de ontwikkeling van) de kinderen. Voor [de minderjarige1] houdt dat in een verslag van de kinderopvang en/of de VVE-klas waar zij enkele dagen per week naar toe gaat en voor [de minderjarige2] informatie van het consultatiebureau.
6.7
Het hof zal de beslissing, in afwachting van de in rechtsoverweging 6.6 genoemde informatie, aanhouden. Dit betekent dat, totdat het hof een andere beslissing heeft genomen, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht van de GI blijven. Dat betekent dat als de GI in de tussentijd in het gezin is gekomen, van de GI ook wordt verwacht dat er informatie wordt verschaft over de stand van zaken.
6.8
Na ontvangst van de informatie van de moeder zullen de raad en de GI in de gelegenheid worden gesteld op deze informatie te reageren, waarna het hof een beslissing zal nemen.
Dictum
Het hof:
alvorens verder te beslissen:
verzoekt de moeder om binnen twee weken na de datum van deze beschikking de informatie zoals genoemd in rechtsoverweging 6.6 aan het hof (en in afschrift aan de overige belanghebbenden) over te leggen:
verzoekt de raad en de GI binnen twee weken na ontvangst van de informatie van de moeder hierop een reactie te geven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, I.G.M.T. Weijers- van der Marck en A.T. Bol in samenwerking met de griffier. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2025.