Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-01-14
ECLI:NL:GHARL:2025:107
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,588 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.342.341/01
CJIB-nummer
: 256518055
Uitspraak d.d.
: 14 januari 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 februari 2023 om 9.43 uur op de Spaarndammerstraat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene van meet af aan de gedraging heeft ontkend en reeds bij de staandehouding heeft aangegeven dat zijn telefoon in een houder hing. Hij heeft zijn telefoon wel bediend, maar niet vastgehouden.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat de bestuurder zijn iPhone (het hof begrijpt: in zijn) rechterhand vast had tijdens het rijden. (…)
Verklaring betrokkene: ik heb (het hof begrijpt: de) telefoon niet (het hof begrijpt: in) mijn handen gehad (het hof begrijpt: De telefoon) zat in de houder. Onmogelijk (het hof begrijpt: de telefoon) in handen te hebben en ook in (het hof begrijpt: de) lader te doen in zo’n korte afstand.”
5. Gelet op wat door en namens de betrokkene de gehele procedure consistent en vasthoudend is aangevoerd, is bij het hof gerede twijfel ontstaan of de gedraging is verricht. De betrokkene heeft reeds bij de staandehouding naar voren gebracht dat hij de mobiele telefoon niet heeft vastgehouden, maar dat het toestel zich in een telefoonhouder bevond. In de verklaring in het zaakoverzicht komt niet naar voren of de ambtenaar dit ter plaatse heeft geverifieerd. De ambtenaar heeft niet zijn verklaring in het zaakoverzicht op dit punt aangevuld maar heeft volstaan met de door het systeem gegenereerde verklaring. De advocaat-generaal heeft aan de ambtenaar gevraagd om door middel van een aanvullend proces-verbaal te reageren op de grond van de betrokkene, maar een reactie is uitgebleven. Zonder een nadere verklaring acht het hof de stelling van de gemachtigde dat de betrokkene geen mobiele telefoon heeft vastgehouden onvoldoende weerlegd. Dat de ambtenaar er voor gekozen heeft om de sanctie op te leggen is, anders dan de advocaat-generaal stelt, niet een voldoende reden om zonder aanvullende verklaring ervan uit te gaan dat de gedraging wel is verricht. Bij deze stand van zaken kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen een van hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647,- en voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandeling niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.230,50(= (1 x € 647,- x 0,5) + (2 x € 907,- x 0,5)).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van €1.230,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.