Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-09-30
ECLI:NL:GHARL:2024:8202
Strafrecht; Penitentiair strafrecht
Hoger beroep
5,489 tokens
Inleiding
P24/227
Beschikking van 30 september 2024
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie
heeft te beslissen op de vordering van de officier van justitie tot verlening van een
machtiging als bedoeld in artikel 37a, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht voor het
gebruik van persoonsgegevens van verdachte
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
verblijvende in de penitentiaire inrichting [PI] .
Het hof heeft de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag ontvangen op 18 juni 2024.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
het procesdossier en de aanvullende processen-verbaal van de politie in het onderzoek tegen verdachte;
de verhoren van verdachte voorafgaand aan de beslissingen over de voorlopige hechtenis van 8 april 2023, 11 april 2023 en 19 april 2023;
een consult strafrechtspleging van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie van 2 juni 2023;
de dagvaarding in de strafzaak van verdachte onder parketnummer 09-094940-23;
het proces-verbaal van verhoor verdachte ex artikel 197 Wetboek van Strafvordering en de beslissing van de rechter-commissaris tot het afgeven van een bevel overbrenging van verdachte ter observatie;
de processen-verbaal van de pro forma zittingen bij de rechtbank van 7 juli 2023, 29 september 2023, 8 december 2023 en 1 maart 2024;
een pro Justitiarapportage van het Pieter Baan Centrum (verder: PBC) van 29 januari 2024, opgemaakt door psychiater [deskundige 1] , psychiater [deskundige 2] en klinisch psychoog [deskundige 3] ;
een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 5 februari 2024;
De processen-verbaal van verhoor van getuigen bij de rechter-commissaris van 27 mei 2024;
het advies van de Adviescommissie Gegevensverstrekking Weigerende Observandi van 10 juni 2024.
Het hof heeft in de raadkamer van 19 september 2024 gehoord verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.G. Eckhardt, advocaat te Den Haag, en de advocaat-generaal
mr. A. Kooij. Tevens heeft het hof gehoord [naam] , voorzitter van de Adviescommissie Gegevensverstrekking Weigerende Observandi (verder: AGWO).
Overwegingen
1De vordering
Het hof heeft kennisgenomen van een op 18 juni 2024 gedateerde vordering van de officier van justitie te Den Haag op grond van artikel 37a lid 7 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr). De vordering strekt tot een schriftelijke machtiging voor het gebruik van persoonsgegevens - daaronder begrepen persoonsgegevens over de gezondheid – betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte tijdens het begaan van het feit.
Deze vordering is op 19 september 2024 in raadkamer behandeld. De voorzitter van de AGWO heeft het aan de vordering ten grondslag gelegde advies nader toegelicht, door en namens verdachte is verzocht de vordering af te wijzen en de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering. Van de behandeling in raadkamer is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.
2Het advies
Het advies van de AGWO houdt onder meer in:
“Beoordeling
(…)
De commissie heeft in totaal 21 documenten ontvangen, waarvan zij 11 documenten bruikbaar acht. Hieronder volgt een toelichting op de geselecteerde gegevens.
1. [PI]
Naar het oordeel van de adviescommissie zijn er in het dossier persoonsgegevens van betrokkene aanwezig die bruikbaar kunnen zijn voor het opstellen van een nadere rapportage. Dit betreft vier unieke documenten (volgens onze nummering nrs. 1, 3, 9 en 10), welke inzicht geven in klachten en interventies in de periode na het delict.
2. GGZ [vestiging] en [PI]
Naar het oordeel van de adviescommissie zijn er in het dossier persoonsgegevens van betrokkene aanwezig die bruikbaar kunnen zijn voor het opstellen van een nadere rapportage. Dit betreft drie unieke documenten (nrs. 4 en 7 van [PI] en nr. 12 van GGZ [vestiging] ). Deze gegevens zien kort gezegd op het volgende:
Informatie over de aard van de zorgbehoefte.
Diagnostiek:
- er is een diagnose aanwezig.
- er zijn gegevens aanwezig over de ontwikkeling van de persoonlijkheid van betrokkene, die bruikbaar kunnen zijn bij het vaststellen van een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.
- er zijn diagnostische classificaties aangetroffen.
3) Context van behandeling/onderzoek/begeleiding:
- waar was sprake van: behandeling, onderzoek en begeleiding.
- plaats van behandeling: extramuraal.
- behandelingsniveau: tweede lijn.
- kader van behandeling: vrijwillig.
4) Aard van de behandeling/onderzoek/begeleiding:
- de aard van de verleende zorg betreft geestelijke gezondheidszorg.
5) Type behandeling/onderzoek/begeleiding:
- farmacotherapeutische behandeling.
- gedragstherapeutische behandeling.
6. Betrokken discipline(s) en eindverantwoordelijke (regiebehandelaar): psychiater, psycholoog en sociaal psychiatrisch verpleegkundige.
7. Beloop van de behandeling/onderzoek/begeleiding:
- de periode van behandeling strekt zich uit van februari 2006 tot 29 juli 2021.
- er is informatie over de behandelbereidheid en de behandeltrouw van betrokkene.
3. [instelling 1] en [instelling 2]
Naar het oordeel van de adviescommissie zijn er in het dossier persoonsgegevens van betrokkene aanwezig die bruikbaar kunnen zijn voor het opstellen van een nadere rapportage. Dit betreft vier unieke documenten (nr. 13 van [instelling 1] en nrs. 14, 15 en 18 van [instelling 2] ), welke inzicht geven in klachten en interventies in de periode voor het delict.
(…)
Conclusie
De adviescommissie acht bovenstaande geselecteerde gegevens afkomstig van [PI] , GGZ [vestiging] , [instelling 1] en [instelling 2] bruikbaar vanuit medisch en psychologisch perspectief, mede bezien in samenhang met het PBC rapport.
Advies
(…) er zijn wel persoonsgegevens aanwezig die bruikbaar kunnen zijn voor nader onderzoek naar de aan-, dan wel afwezigheid van een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens tijdens het begaan van het strafbare feit waarvan de weigerende observandus wordt verdacht.”
3Wettelijke voorwaarden voor het verstrekken van de machtiging
3.1.
De verdenking van het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr
Aan de vordering is een verdenking van twee op (of omstreeks) 7 april 2023 gepleegde feiten ten grondslag gelegd: moord (impliciet subsidiair doodslag) zoals strafbaar gesteld in artikel 289 Sr (impliciet subsidiair artikel 287 Sr) en het in bezit hebben van kinderpornografie zoals strafbaar gesteld in artikel 240b Sr.
Moord is een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in artikel 38e Sr. Dat is reeds toereikend om te oordelen dat aan de wettelijke voorwaarde is voldaan en het hof laat het in het licht van HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:116 en de inhoud van het aan het hof verstrekte strafdossier aan de rechter in de strafzaak om te oordelen of in dit geval de omstandigheden meebrengen dat voor wat betreft kinderpornografie eveneens sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr.
3.2.
Weigering medewerking te verlenen aan enig onderzoek als bedoeld in artikel 37a lid 4 Sr en aan de verstrekking van persoonsgegevens
In de rapportage van het PBC van 29 januari 2024 komt naar voren dat verdachte zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd. Door de weigering had de forensisch milieuonderzoeker, die zich richt op het in kaart brengen van de levensgeschiedenis van verdachte, geen inhoudelijke gesprekscontacten met hem. Wel werd gesproken met enkele referenten. Door de weigering kon ook geen schriftelijke informatie worden ontvangen van diverse zorg/behandelinstellingen en verkregen de rapporterend psychiater en psycholoog nauwelijks informatie uit eigen gesprekken. Evenmin werd test- en neuropsychologisch en medisch onderzoek verricht.
In raadkamer heeft verdachte verklaard dat hij in het PBC overal aan heeft meegewerkt, behalve aan het onderzoek, en tevens te kennen gegeven dat hij ook thans geen toestemming verleent voor het gebruik van zijn (medische) persoonsgegevens. Aan die weigering heeft hij ten grondslag gelegd dat deze (medische) persoonsgegevens te oud zijn en dat het geen stukken betreffen die van gedragsdeskundigen afkomstig zijn, zodat die stukken niet volwaardig genoeg zijn om hem op basis daarvan te beoordelen, alsmede dat hij door het opvragen van die gegevens in zijn privacy wordt aangetast.
Naar het oordeel van het hof is voldaan aan de voorwaarde dat verdachte heeft geweigerd medewerking te verlenen aan enig onderzoek als bedoeld in artikel 37a lid 4 Sr en aan de voorwaarde dat hij niet bereid is om medewerking te verlenen aan de verstrekking van zijn persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.
3.3.
De klinische observatie
Verdachte is van 5 oktober 2023 tot 16 november 2023 gedurende zes weken ter observatie opgenomen geweest in het PBC, zodat ook is voldaan aan de in artikel 1.1 aanhef en onder i, sub a van het Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi (verder: Bagwo) gestelde eis dat verdachte op grond van een bevel als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering ter observatie opgenomen is geweest in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting tot klinische observatie bestemd.
3.4.
De bruikbaarheid van de gegevens
Nu in deze machtigingsprocedure de persoonsgegevens zelf niet ter beoordeling voorliggen, ligt in de wettelijke regeling besloten dat het hof behoudens contra-indicaties moet varen op het advies van de AGWO (hierna: het Advies). Het hof begrijpt uit hetgeen verdachte naar voren heeft gebracht over de reden tot weigering dat hij van oordeel is dat de gegevens onbruikbaar zijn. Mede in het licht van hetgeen de voorzitter van de AGWO in raadkamer naar voren heeft gebracht volgt het hof dit standpunt niet. Naar het oordeel van het hof kunnen de gegevens die zich uitstrekken over de periode van februari 2006 tot 29 juli 2021 (met een accent in 2015) een beeld geven van de mogelijke ontwikkeling van een (kort gezegd) stoornis en in zoverre van belang zijn voor een oordeel over de aan- dan wel afwezigheid daarvan ten tijde van het delict. Dat het geen stukken zou betreffen van gedragsdeskundigen is een stelling van verdachte waarvoor het hof noch in hetgeen verdachte naar voren heeft gebracht, noch in het Advies of anderszins enige steun heeft gevonden. In het Advies is immers vermeld als betrokken discipline(s) en eindverantwoordelijke (regiebehandelaar) zowel een psychiater, een psycholoog als een sociaal psychiatrisch verpleegkundige.
Naar het oordeel van het hof is voldaan aan de voorwaarde dat de in het Advies als bruikbaar aangemerkte gegevens gebruikt kunnen worden voor aanvullend onderzoek naar een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis.
4Afweging van belangen
4.1.
De maatstaf bij de afweging
Het hof hanteert de maatstaf die eerder is gegeven in de beschikking van het hof van 3 februari 2022, nr. P21/420. De Hoge Raad heeft het tegen die beschikking gerichte cassatieberoep verworpen in een arrest van 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1200, NJ 2022/384.
Het bedoelde arrest van het hof houdt onder meer in:
“Uit artikel 8 EVRM en het stelsel van de wet, zoals toegelicht in de parlementaire geschiedenis, volgt dat het hof dient te beoordelen of de doorbreking van het medisch beroepsgeheim ook in het individuele geval proportioneel is, dat wil zeggen wordt gerechtvaardigd door een dwingende eis in het algemeen belang. Naar het oordeel van het hof dienen daartoe alle omstandigheden van het geval te worden betrokken, zoals de aard en de ernst van het feit waarvan verdachte wordt verdacht (in ieder geval een zogenoemd geweldsmisdrijf), de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de voor de vordering tot verstrekking aangevoerde gronden, de reden voor de weigering tot medewerking aan het onderzoek, het advies van de commissie, de aard en beschreven inhoud van de in het advies genoemde gegevens alsmede de visie van verdachte hierop, aanwijzingen dat bij verdachte sprake is van een stoornis die nader onderzoek vergt en aanwijzingen voor het gevaar dat verdachte een strafbaar feit zal begaan.
Bij die beoordeling dient te worden betrokken dat, zoals hiervoor uiteengezet en anders dan in de parlementaire geschiedenis is betoogd, de aan de rapporteurs verstrekte gegevens ook buiten de kring van de Adviescommissie en de rapporteurs openbaar kunnen worden. Zodra deze gegevens in een rapport voor de strafrechter worden verwerkt zijn de gegevens immers kenbaar. Dit is een verschil met het aangehaalde arrest van het EHRM van 25 februari 1997 (Z. tegen Finland) waarin belang werd gehecht aan waarborgen om de medische gegevens geheim te houden (ro. 103 en 107). Verder is in deze zaak de noodzaak voor de doorbreking van het medisch beroepsgeheim gevonden in het onderzoek naar gepleegde strafbare feiten en de vervolging van de daders (ro. 97).
Conclusie
Het hof zal alle omstandigheden in aanmerking genomen de vordering toewijzen omdat het van oordeel is dat de doorbreking van het medisch beroepsgeheim wordt gerechtvaardigd door een dwingende eis in het algemeen belang. Daarbij heeft het zwaarwegend en daarmee overwegend gewicht toegekend aan het hetgeen hierboven in de eerste twee rubrieken van onderdeel 4.2 is vermeld.
Dictum
Het hof:
- Wijst toe de vordering tot verlening van een machtiging voor het gebruik van de persoonsgegevens van [verdachte] .
Aldus gedaan op 30 september 2024 door
mr. M. Keppels, voorzitter,
mr. W.A. Holland en mr. P.C. Vegter, raadsheren,
en dr. E.L.M. Klein Haneveld en drs. R.A. Graaff, raden,
in tegenwoordigheid van mr. I.H. Scharrenberg, griffier,
en ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Conclusie
Doorbreking van het beroepsgeheim op grond van artikel 37a Sr vindt zijn reden in het minder concrete en minder acute belang van het voorkomen van een toekomstig strafbaar feit door oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, terwijl nog niet is vastgesteld dat aan de voorwaarden voor oplegging is voldaan. Dat wordt juist onderzocht. Dit dient te worden meegewogen in het oordeel of verstrekking van de persoonsgegevens ook in het individuele geval proportioneel is.
Bij het antwoord op de vraag of een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, komt daarom ook betekenis toe aan omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat een zodanige noodzaak bestaat tot het onderzoeken van het bestaan van een stoornis, met het oog op het opleggen van een maatregel ter bescherming van anderen en ter vermindering van recidive, dat doorbreking van het medisch beroepsgeheim gerechtvaardigd is. Het hof wijst er in dit verband op dat artikel 1.1, onder i, aanhef, Bagwo onder een weigerende observandus de verdachte verstaat ten aanzien van wie de rechter al oplegging van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege overweegt.”
4.2.
Afweging in het kader van de onderhavige vordering
Het misdrijf en de omstandigheden van het geval
Het betreft hier een van de zwaarste in het Wetboek van Strafrecht voorkomende strafbare feiten nu een voltooide moord kan worden bestraft met een levenslange gevangenisstraf. In het verband van deze vordering zijn daarbij als bijzondere, uit het strafdossier blijkende, omstandigheden in aanmerking te nemen: het slachtoffer is de ex-partner van verdachte; door de relatief kort aan het delict voorafgaande beëindiging van de relatie met zijn partner verkeerde verdachte in een zodanige gemoedstoestand dat hij het noodzakelijk vond daarvoor hulp te zoeken; verdachte was ten tijde van het delict in het bezit van een aanzienlijke hoeveelheid (deels gewelddadige) kinderpornografie; er is (dodelijk) letsel (naar het voorlopig oordeel van het hof) veroorzaakt door opmerkelijk veelvuldig gebruik van een mes (twintig steken en twaalf sneeën).
Aanwijzingen voor een stoornis en voor gevaar voor herhaling in de toekomst
In het PBC rapport wordt geconcludeerd dat “er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van enigerlei psychische problematiek, en daarmee samenhangend, een nu niet te specificeren mate van risicofactoren binnen en buiten detentie. (…) Verdachte komt naar voren als een in cognitief en sociaal emotioneel opzicht beperkte man bij wie er sterke aanwijzingen bestaan voor de aanwezigheid van psychopathologie”. In het consult strafrechtspleging van 2 juni 2023 was door psycholoog [psycholoog] reeds geoordeeld dat op basis van de aard en ernst van het ten laste gelegde alsmede de aanwijzingen voor mogelijke psychopathologie in het dossier onderzoek geïndiceerd is om meer zicht te verkrijgen op de diagnostiek en mogelijke doorwerking van eventuele stoornisfactoren in het ten laste gelegde. Naar het oordeel van het hof is die conclusie toereikend onderbouwd.
Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat verdachte eerder is veroordeeld. In raadkamer heeft verdachte niet ontkend dat hij in 2004 ter zake van vernielingen is veroordeeld, maar wel dat hij deze feiten heeft gepleegd.
Naar het oordeel van het hof zijn er duidelijke aanwijzingen dat bij verdachte sprake is van een stoornis. De voorzitter van de AGWO heeft toegelicht dat in het Advies genoemde persoonsgegevens uitermate bruikbaar zijn voor de rapporteurs van het PBC als aanvulling op de informatie die al bekend is. Hij is ook van oordeel dat bij beschikbaarheid van die gegevens de rapporteurs tot een duidelijke conclusie kunnen komen over de aan- of afwezigheid van een stoornis. De klachten die de rapporteurs benoemen kunnen dan in onderlinge samenhang en door de tijd heen worden bezien waardoor zij zullen zien dat er bepaalde constante bevindingen zijn die ook relevant zijn ten tijde van het ten laste gelegde. In die zin kan er uit de stukken ook iets opgemaakt worden ter beantwoording van de vraag of er sprake was van persoonlijke problematiek en zo ja of dit doorwerkte ten tijde van het tenlastegelegde. Uit het voorgaande leidt het hof tevens af dat de te verstrekken gegevens een substantiële toegevoegde waarde zullen hebben voor het nadere onderzoek naar de aan- of afwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de eventuele toerekenbaarheid van het tenlastegelegde en het mogelijke recidivegevaar.
De redenen voor de weigering tot medewerking aan het onderzoek
In het voorgaande kwam al naar voren dat het hof verdachte niet volgt in zijn stelling dat de te verstrekken gegevens niet bruikbaar zijn omdat ze niet volwaardig genoeg zouden zijn. In raadkamer is namens verdachte daaraan alleen toegevoegd dat zijn persoonlijke levenssfeer (privacy) wordt aangetast en dat dit voor hem zelfs betekent dat hij zich in de toekomst niet meer tot hulpverleners zal wenden. Dit is weliswaar legitiem, maar het gewicht van dit belang is relatief licht nu verdachte daarmee vooral een beroep op zijn eigen belang doet. Eerder heeft verdachte zich overigens ook nog beroepen op een te snelle overplaatsing naar het PBC. Enig gewicht kent het hof daaraan niet toe. Voorts is wel door en namens verdachte eerder gewezen op het voeren van een verweer, te weten noodweer(exces). Naar het oordeel van het hof staat aanvullend onderzoek op basis van eventueel te verstrekken gegevens niet in de weg aan een dergelijk beroep.
Overige factoren
Het hof heeft voorts nog gelet op de redenen die door de officier van justitie aan de vordering ten grondslag zijn gelegd en die door de Advocaat-Generaal in raadkamer zijn toegelicht. In de kern betreft het de factoren, zoals hierboven onder 4.2 vermeld. Voorts heeft het hof het Advies van de AGWO in aanmerking genomen. Daaruit blijkt dat het gaat om gegevens over diagnostiek, de aard en het verloop van de behandeling en ook verleende hulp in de fase kort voorafgaande aan de (verdenking van) moord. Het hof heeft bovendien gelet op het standpunt van de raadsman inhoudende dat de noodzaak voor een machtiging tot het verstrekken van de gegevens niet bestaat.