Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-12-31
ECLI:NL:GHARL:2024:7975
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,311 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.347.720
(zaaknummer rechtbank Gelderland 437537)
beschikking van 31 december 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. B.M.A. Kersten te Amsterdam,
en
de raad voor de kinderbescherming,
regio Gelderland, locatie Arnhem,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad,
en
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. D. van Haaften te Ermelo.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Arnhem,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 6 augustus 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 4 november 2024;
het verweerschrift van de vader, en
het verweerschrift van de raad.
2.2
De minderjarige [de minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft aangeven daarvan geen gebruik te willen maken.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 3 december 2024 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
een vertegenwoordiger van de raad;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
twee vertegenwoordigers van de GI, en
[de stiefvader] (hierna: de stiefvader) als informant.
Feiten
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van:
[de minderjarige1] , geboren [in] 2016, en
[de minderjarige2] , geboren [in] 2018,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
De kinderen wonen bij de moeder en de stiefvader.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld voor de termijn van een jaar ofwel tot 6 augustus 2025.
4.2
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot ondertoezichtstelling alsnog af te wijzen dan wel voor een kortere duur toe te wijzen.
4.3
De vader voert verweer en hij vraagt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De raad voert verweer en hij vraagt het hof, naar het hof begrijpt, het verzoek van de moeder af te wijzen en, de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Motivering
Positie stiefvader
5.1
Het hof ziet zich – gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 12 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2665) – ambtshalve voor de vraag gesteld of de stiefvader belanghebbende is, nu hij met de moeder en de kinderen in gezinsverband samenwoont maar over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geen gezag heeft. Uit voormelde uitspraak van de Hoge Raad volgt dat de maatregel van ondertoezichtstelling ingrijpt in de rechtsbetrekking tussen de met het gezag beklede ouder(s) en de minderjarigen en aldus rechtstreeks betrekking heeft op de uit het ouderlijk gezag voortvloeiende rechten en verplichtingen. De rechten en verplichtingen van de niet met het gezag beklede stiefvader worden daardoor niet rechtstreeks geraakt in de zin van artikel 798 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Gelet op het voorgaande merkt het hof – anders dan de kinderrechter – de stiefvader aan als informant.
Ondertoezichtstelling
5.2
Volgens het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.3
Het hof is met de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor een ondertoezichtstelling aanwezig zijn.
De moeder voert aan dat de samenwerking tussen de ouders (inmiddels) is verbeterd en zo goed is dat een ondertoezichtstelling niet (langer) nodig is. De vader vindt de samenwerking echter nog steeds niet goed (genoeg) en wijst op de rol van de GI: omdat die ‘ertussen zit’, gaat het nu wel beter, maar hij verwacht dat als de GI niet meer betrokken is, de moeder het contact met hem direct weer verbreekt. De ouders delen de opvatting dat er zorgen zijn rondom [de minderjarige2] , maar volgens de moeder kunnen die worden opgelost met hulp in het vrijwillige kader. Echter de vader heeft dat vertrouwen niet en dat is voor het hof wel ook een gegeven.
Verder verschillen de ouders van mening over de vraag of er grote zorgen zijn over [de minderjarige1] en of hij hulp nodig heeft. De moeder vindt van niet maar de vader vindt van wel. Ook op dit punt is dus duidelijk dat de ouders niet op één lijn zitten.
5.4
Op de mondelinge behandeling heeft de raad betoogd dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] veel hebben meegemaakt en dat zij beiden uit dezelfde opvoedingssituatie komen maar op hun eigen manier daarop reageren. Bij [de minderjarige2] zijn duidelijke signalen en ook [de minderjarige1] laat aangepast gedrag zien. De ouders erkennen dat de kinderen veel hebben meegemaakt maar verschillen van mening wat het gevolg daarvan voor de kinderen is.
5.5
Het hof is met de raad van oordeel dat zicht moet komen op de opvoedingssituatie en dat moet worden onderzocht of en in hoeverre sprake is van kindfactoren. De GI is pas recent – half november – gestart en heeft nog niet met de kinderen gesproken. Zij heeft dan ook nog geen beeld van de opvoedingssituatie bij beide ouders. Dit inzicht zal de komende periode moeten worden verkregen. Ook zal binnenkort een plan van aanpak worden opgesteld. De door de raad geformuleerde – en door de kinderrechter overgenomen – doelen vormen hierbij een onderwerp van gesprek met de jeugdbeschermer en dienen nog nader uitgewerkt te worden. Het hof onderschrijft deze doelen en merkt op dat de gedachtestreepjes naar zijn oordeel een uitwerking zijn van de (hoofd)doelen. Het hof acht de ondertoezichtstelling een passend middel om aan deze doelen te werken en heeft er geen vertrouwen in dat deze in een vrijwillig kader kunnen worden bereikt. Het is de ouders in het verleden namelijk ook niet dan wel onvoldoende gelukt om hierin door te pakken en een goede samenwerking aan te gaan met verschillende betrokkenen, zoals [naam1] en de kindercoach. De ouders kunnen dit nu doen onder regie van de jeugdbeschermer.
Het hof ziet in het vorenstaande geen aanleiding om de duur van de ondertoezichtstelling te verkorten, zoals de moeder heeft verzocht.
6De slotsom
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 6 augustus 2024;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, J.B. de Groot en K. Hermsen, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 31 december 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.