Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-12-24
ECLI:NL:GHARL:2024:7954
Civiel recht
Hoger beroep
3,739 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.335.487
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland locatie Utrecht 546516
arrest van 24 december 2024
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld, ook in hoedanigheid van rechtsopvolger van [de erflater] (overleden op 12 juli 2023)
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: [appellante]
advocaat: mr. L.A. de Vries
tegen
1 [geïntimeerde1]
die woont in [woonplaats2]
2. [geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats3]
die ook hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als eisers
hierna ieder afzonderlijk: [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]
advocaat: mr. J.R. Gal
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank) op 13 september 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep tevens memorie van grieven, met producties
de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep houdende vermeerdering van eis, met producties
de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
het proces-verbaal (verslag) van de mondelinge behandeling van 13 november 2024
de akte na mondelinge behandeling van 3 december 2024 van [appellante] , met producties
de akte na mondelinge behandeling van 3 december 2024 van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] .
1.2.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
2De kern van de zaak
2.1.
Het hof gaat uit van de feiten zoals beschreven in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het bestreden vonnis, met de hierna volgende aanvullingen en verbeteringen.
2.2.
[geïntimeerde2] is de zoon van [geïntimeerde1] , [appellante] is de dochter van [de erflater] – die intussen is overleden – en [geïntimeerde1] en [de erflater] waren broers. [geïntimeerde1] en [de erflater] waren aandeelhouders van vennootschappen met in hun vermogen de percelen met opstallen in [plaats1] , [adres] 15A (hierna: perceel 15A) en [adres] 15C (hierna: perceel 15C). Perceel 15A is in 2012 overgedragen aan [de erflater] en [appellante] . Bij notariële akte van 31 december 2012 is op perceel 15A een opstalrecht gevestigd, en een koopoptie verleend, ten behoeve van Lukassen Food Group B.V. (hierna: Lukassen). Perceel 15A is in juli 2020 toebedeeld aan [appellante] . Perceel 15C is in 2016 overgedragen aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . Bij notariële akte van 1 juni 2016 is op perceel 15C een opstalrecht gevestigd, en een koopoptie verleend, ten behoeve van Lukassen (hierna: de akte van 2016). De koopoptie in de akte van 2016 houdt in dat Lukassen het recht heeft om de percelen 15A en 15C gezamenlijk te kopen voor een koopprijs van € 1.950.000,- en dat de koopprijs wordt voldaan in twee termijnen: de eerste termijn van € 1.300.000,- bij het verlijden van de akte van levering van perceel 15A, en de tweede termijn van € 650.000,- bij het verlijden van de akte van levering van perceel 15C.
2.3.
Op 30 juli 2019 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten (hierna: VSO). Daarin zijn zij overeengekomen dat indien en zodra de verkoop van perceel 15A en perceel 15C aan Lukassen plaatsvindt, de netto-opbrengst van deze verkoop zal toekomen aan [de erflater] en [appellante] samen voor 50% en aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] samen voor 50%. Lukassen heeft de koopoptie op de percelen 15A en 15C uitgeoefend. Na het aflopen van het opstalrecht op perceel 15A heeft [appellante] perceel 15A bij akte van levering van 13 juli 2022 geleverd aan Lukassen voor een bedrag van € 1.350.000,-. [appellante] heeft een bedrag van € 325.000,- aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] betaald.
2.4.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben, voor zover nog van belang in hoger beroep, bij de rechtbank gevorderd dat [appellante] hen nog € 350.000,- betaalt, dat is de helft van de verkoopopbrengst van perceel 15A minus het al door [appellante] betaalde bedrag. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat de toegewezen vordering alsnog wordt afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] is dat [appellante] de wettelijke rente moet vergoeden over het toegewezen bedrag.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen, behalve dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] een bedrag van € 25.000,- aan [appellante] moeten terugbetalen, en zal daarnaast de wettelijke rente toewijzen zoals in de beslissing weergegeven. Hierna legt het hof uit hoe het tot dit oordeel komt.
De partijen
3.2.
Bij de rechtbank was de vader van [appellante] , [de erflater] , ook gedaagde partij. [de erflater] is overleden in juli 2023. [appellante] heeft dit hoger beroep ingesteld voor zichzelf alsmede als rechtsopvolgster onder algemene titel (erfgenaam) van [de erflater] . Hier is geen bezwaar tegen gemaakt en ook het hof zal hiervan uitgaan.
Het moment van verdeling
3.3.
In hoger beroep is duidelijk geworden dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, Lukassen de koopoptie op beide percelen 15A en 15C samen heeft uitgeoefend. Er is een koopovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot beide percelen, zoals voorzien in de akte van 2016. Perceel 15A is, na het aflopen van het opstalrecht, geleverd aan Lukassen en de koopsom (eerste deelbetaling) is door [appellante] op 13 juli 2022 ontvangen. Perceel 15C zal, aldus [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] , conform de akte van 2016 worden geleverd aan Lukassen op 1 juni 2026 (dan loopt het opstalrecht op dat perceel af). Ter zitting bij het hof hebben [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] nogmaals bevestigd dat zij direct na ontvangst van de koopsom voor perceel 15C (tweede deelbetaling) de helft ervan zullen doorbetalen aan [appellante] . Partijen zijn het er verder over eens dat er tussen hen 50/50 moet worden afgerekend op de koopsom, die (in totaal) € 1.950.000,- bedraagt. Wat partijen nog verdeeld houdt, is de vraag of de 50/50 verdeling van de koopsom per deelbetaling is overeengekomen, zoals [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] betogen, of alleen voor de koopsom als geheel, zoals [appellante] betoogt. Het hof overweegt hierover als volgt.
3.4.
Artikel A.1.c.3 VSO bepaalt dat de netto-opbrengst van de verkoop aan Lukassen van perceel 15A en 15C zal toekomen aan [de erflater] en [appellante] samen voor 50% en aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] samen voor 50%. In de tekst is geen voorwaarde of tijdsbepaling opgenomen voor de verdeling van de opbrengst. Hoewel de VSO in een notariële akte is neergelegd, dient de uitleg van de inhoud van deze afspraak te gebeuren volgens de Haviltex-maatstaf. Het gaat hier namelijk om een obligatoire afspraak, die alleen een rol speelt in de verhouding tussen de oorspronkelijke contractspartijen. Bij de uitleg komt het, kort gezegd, aan op wat partijen over en weer in redelijkheid van elkaar mochten verwachten. Naast de tekst van de afspraak is daarvoor de bedoeling van partijen van belang. Omdat de considerans van de VSO (onder 10) daar uitdrukkelijk naar verwijst moet die bedoeling blijken uit de e-mailwisseling die aan de akte is aangehecht. Daartoe behoort de e-mail van 26 april 2019 waarin [geïntimeerde2] schrijft: “De gezamenlijke koopsom van de panden [adres] 15a en 15c van EUR 1.950.000 wordt 50/50 naar rato verdeeld op het moment dat de twee deelbedragen betaald worden door Lukassen”. In reactie hierop schrijft de adviseur van [de erflater] en [appellante] bij e-mail van 5 mei 2019: “De koopsom van de panden 15a en 15c door Lukassen: zijnde Euro 1.950.000 worden 50-50 verdeeld na betaling door Lukassen. Akkoord”. Gelet hierop mochten partijen de afspraak redelijkerwijs zo begrijpen dat de verdeling tussen hen naar evenredigheid plaatsvindt op het moment dat een deelbedrag betaald wordt door Lukassen. Daarmee strookt dat in de tekst van de VSO niet een (andere) voorwaarde of tijdsbepaling is opgenomen voor de verdeling. Ook volgens [appellante] ligt het niet voor de hand om bij een VSO, waarin partijen weloverwogen beogen kwesties definitief te regelen, een aanvulling op de tekst in te lezen die meebrengt dat de 50/50 verdeling op een ander moment zou moeten plaatsvinden. Dit betekent dat, in aansluiting op de hoofdregel van artikel 6:38 BW, de vordering tot verdeling van elk van beide deelbetalingen terstond opeisbaar is. [appellante] moest dus direct na ontvangst van het deelbedrag de helft van het ontvangen geld aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] doorbetalen.
3.5.
Het hof betrekt bij het voorgaande dat [appellante] niet heeft gehandeld volgens de door haar verdedigde uitleg van de VSO. Zij beroept zich op een bepaling over plaatsing van de koopprijs in depot bij de notaris (art. B.8.8. van de akte van 2016), maar heeft de koopsom voor perceel 15A aan zichzelf laten uitkeren en niet in depot geplaatst. [appellante] heeft vervolgens een bedrag van € 325.000 overgemaakt aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . Zij kwam tot dit bedrag door de koopprijs van perceel 15C in mindering te brengen op de helft van de (totale) koopsom (€ 1.950.000:2 - € 650.000 = € 325.000). [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben echter op grond van de VSO ook de verplichting om 50/50 af te rekenen met [appellante] op de tweede deelbetaling. De handelswijze van [appellante] past dus niet bij een 50/50 afrekening over het geheel. Het zou ook het eventuele debiteurenrisico van de tweede deelbetaling eenzijdig bij [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] leggen. [appellante] stelt hier tegenover dat zij vreest, gezien de vele discussies binnen de familie, dat de afwikkeling van de tweede deelbetaling tot nieuwe juridische procedures zal leiden, en dat zij elk contact met [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] wil vermijden. Dat is naar het oordeel van het hof echter niet een voldoende rechtvaardiging om eigenmachtig af te wijken van de VSO, ook omdat er nu geen concrete aanwijzingen zijn dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hun verplichtingen uit de VSO niet zullen nakomen (zij hebben juist bevestigd dat zij dit wel zullen doen). Om die reden faalt ook het beroep van [appellante] op opschorting of verrekening. [appellante] heeft nog gesteld dat het oneerlijk is dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] de retributie voor perceel 15C blijven ontvangen tot de levering aan Lukassen, maar dat onderwerp is afzonderlijk geregeld in (artikel A.1.c.2 van) de VSO en staat los van de verdeling van de koopsom. Daar komt bij dat [de erflater] en [appellante] gedurende tien jaar de retributie voor perceel 15A hebben ontvangen en daarin niet benadeeld zijn ten opzichte van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . De in de tijd uiteenlopende leveringen van perceel 15A en perceel 15C aan Lukassen zijn daar ook op afgestemd.
Heeft [appellante] € 25.000 teveel betaald?
3.6.
De vordering van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] is gebaseerd op de koopsom van € 1.350.000,- die Lukassen blijkens de akte van levering van 13 juli 2022 heeft betaald voor perceel 15A. In de akte van 2016 is hiervoor echter een koopsom opgenomen van € 1.300.000,-. [appellante] heeft gesteld dat Lukassen door een vergissing € 50.000,- teveel betaald heeft voor perceel 15A, en dat zij dat bedrag intussen in vijf deelbetalingen van telkens € 10.000,- heeft teruggestort aan Lukassen. [appellante] heeft dit laatste onderbouwd met betalingsbewijzen. Volgens [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] staat de koopsom vast op grond van de akte van 13 juli 2022 en roepen de betalingsbewijzen teveel vragen op, omdat het gaat om betalingen aan verschillende ontvangers en er bij de omschrijving ‘15C’ staat (in plaats van 15A) en ‘Onvers.’, wat wijst op een betaling die onverschuldigd is gedaan. De bevestiging van de advocaat van Lukassen dat er is terugbetaald zegt volgens [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ook te weinig, omdat deze geen opheldering heeft gegeven over het voorgaande.
3.7.
Het hof is van oordeel dat [appellante] voldoende heeft onderbouwd dat zij de € 50.000,- aan Lukassen heeft terugbetaald.
Dictum
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 13 september 2023, behalve de beslissing onder 4.1 die hierbij wordt vernietigd en beslist:
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] een bedrag van € 325.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 13 juli 2022 tot en met 17 november 2023;
4.2.
veroordeelt [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] tot terugbetaling van een bedrag van € 25.000,- aan [appellante] binnen 14 dagen na vandaag;
4.3.
veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] :
€ 1.780,- aan griffierecht
€ 8.856,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] (2 procespunten x appeltarief VI)
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.R. den Dekker, Th.C.M. Willemse en J.G.J. Rinkes, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 december 2024.
ECLI:NL:RBMNE:2023:6257.
Vgl. (o.a.) HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.