Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-12-24
ECLI:NL:GHARL:2024:7936
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,612 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.342.340
(zaaknummer rechtbank Gelderland 10890218)
beschikking van 24 december 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. C.L. Berkel,
en
[verweerster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: [verweerster] .
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[zoon1]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: [zoon1] ,
en
[zoon2]
,
wonende te [woonplaats3] ,
verder te noemen: [zoon2] ,
advocaat: mr. C.L. Berkel,
en
[zoon3]
,
wonende te [woonplaats3] ,
verder te noemen: [zoon3] .
Als informant is aangemerkt:
[naam1]
,
gevestigd te [vestigingsplaats2] ,
verder te noemen: [naam1] .
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, team bewind, zittingsplaats Zutphen, van 12 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 juni 2024;
- het journaalbericht van 24 juni 2024 van mr. Berkel met producties;
- de brief van [verweerster] van 17 juli 2024;
- de brief van 20 november 2023 van mr. Berkel.
2.2
De mondelinge behandeling van deze zaak heeft (met instemming van partijen) samen met de zaak met nummer 200.342.334 op 28 november 2024 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de rechthebbende bijgestaan door haar advocaat;
- [naam2] namens [verweerster] ;
- [zoon1] ;
- [zoon2] ;
- [zoon3] .
- [naam3] namens [naam1] .
Feiten
3.1
Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 15 mei 2013 is een bewind in de zin van artikel 1:431 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingesteld over alle tegenwoordige en toekomstige goederen die aan rechthebbende (zullen) toebehoren wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand. Op dit moment is [verweerster] de bewindvoerder.
3.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 17 januari 2024, heeft de rechthebbende verzocht [verweerster] te ontslaan als bewindvoerder en [naam1] te benoemen als opvolgend bewindvoerder.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij voornoemde beschikking van 12 maart 2024 heeft de kantonrechter het verzoek van de rechthebbende tot ontslag van de bewindvoerder afgewezen.
4.2
De rechthebbende is het niet eens met deze beslissing en komt daarom in hoger beroep. Zij verzoekt het hof de beschikking te vernietigen en haar verzoek tot ontslag van [verweerster] en benoeming van [naam1] als (opvolgend) bewindvoerder alsnog toe te wijzen, kosten rechtens.
4.3
[verweerster] voert mondeling verweer tegen het verzoek van de rechthebbende en vraagt het hof primair om het verzoek van de rechthebbende af te wijzen.
Motivering
5.1
Op grond van artikel 1:448 lid 2 BW wordt een bewindvoerder ontslag verleend hetzij op eigen verzoek hetzij wegens gewichtige redenen of omdat de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van een medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.
5.2
In dit hoger beroep is de vraag aan de orde of er gewichtige redenen zijn om [verweerster] te ontslaan als bewindvoerder van de rechthebbende. Het hof is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Net als de kantonrechter is het hof van oordeel dat [verweerster] de klachten die de rechthebbende heeft gemeld voldoende heeft toegelicht en weerlegd. Niet is gebleken dat [verweerster] bij de uitvoering van zijn werkzaamheden fouten heeft gemaakt die een grondslag kunnen vormen voor een gewichtige reden voor ontslag.
5.3
De advocaat van de rechthebbende heeft toegelicht dat het vooral gevoelsmatig is dat de rechthebbende liever [naam1] als bewindvoerder wil. De omgang en werkwijze met [verweerster] ervaart de rechthebbende als formeel en het contact dat er tot nu toe is geweest met [naam1] voelde direct prettiger. [verweerster] heeft ter zitting bij het hof toegelicht dat niet altijd gehoor kan worden geven aan verzoeken om financiële middelen van de rechthebbende, omdat de rechthebbende moet worden beschermd (bijvoorbeeld in verband met de gokverslaving van [zoon3] ). Voor zover verantwoord worden de verzoeken wel toegewezen. [verweerster] vraagt offertes en bonnen op om te controleren of het geld daadwerkelijk aan het (gevraagde) doel is besteed. Het hof kan zich voorstellen dat de rechthebbende zich hierdoor beperkt voelt, maar dit brengt een onderbewindstelling nu eenmaal met zich mee. Dat zal bij een andere bewindvoerder in principe niet anders zijn.
5.4
Op grond van het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat het verzoek van de rechthebbende moet worden afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.
5.5
Ten overvloede overweegt het hof dat het hof ook vraagtekens zet bij de geschiktheid van [naam1] als beoogd opvolgend bewindvoerder. [naam1] is een professionele bewindvoerder maar uit de stukken blijkt dat in een privécontact tussen de rechthebbende en [naam1] (in de persoon van [naam3] ) het functioneren van de huidige bewindvoerder ter sprake is gekomen. Vervolgens heeft [naam3] het initiatief genomen voor het indienen van een verzoek tot ontslag van de bewindvoerder van de rechthebbende en benoeming van [naam1] als opvolger, zonder hierover eerst contact te hebben gehad met de huidige bewindvoerder.
Deze gang van zaken is niet in overeenstemming met de op [naam3] rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor haar als bewindvoerder geldende professionele standaard (Aanbevelingen meerderjarigenbewind G.4.).
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, team bewind, zittingsplaats Zutphen, van 12 maart 2024;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, P.B. Kamminga en I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door de griffier, en is op 24 december 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.342.340
(zaaknummer rechtbank Gelderland 10890218)
beschikking van 24 december 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. C.L. Berkel,
en
[verweerster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: [verweerster] .
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[zoon1]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: [zoon1] ,
en
[zoon2]
,
wonende te [woonplaats3] ,
verder te noemen: [zoon2] ,
advocaat: mr. C.L. Berkel,
en
[zoon3]
,
wonende te [woonplaats3] ,
verder te noemen: [zoon3] .
Als informant is aangemerkt:
[naam1]
,
gevestigd te [vestigingsplaats2] ,
verder te noemen: [naam1] .
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, team bewind, zittingsplaats Zutphen, van 12 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 juni 2024;
- het journaalbericht van 24 juni 2024 van mr. Berkel met producties;
- de brief van [verweerster] van 17 juli 2024;
- de brief van 20 november 2023 van mr. Berkel.
2.2
De mondelinge behandeling van deze zaak heeft (met instemming van partijen) samen met de zaak met nummer 200.342.334 op 28 november 2024 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de rechthebbende bijgestaan door haar advocaat;
- [naam2] namens [verweerster] ;
- [zoon1] ;
- [zoon2] ;
- [zoon3] .
- [naam3] namens [naam1] .
Feiten
3.1
Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 15 mei 2013 is een bewind in de zin van artikel 1:431 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingesteld over alle tegenwoordige en toekomstige goederen die aan rechthebbende (zullen) toebehoren wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand. Op dit moment is [verweerster] de bewindvoerder.
3.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 17 januari 2024, heeft de rechthebbende verzocht [verweerster] te ontslaan als bewindvoerder en [naam1] te benoemen als opvolgend bewindvoerder.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij voornoemde beschikking van 12 maart 2024 heeft de kantonrechter het verzoek van de rechthebbende tot ontslag van de bewindvoerder afgewezen.
4.2
De rechthebbende is het niet eens met deze beslissing en komt daarom in hoger beroep. Zij verzoekt het hof de beschikking te vernietigen en haar verzoek tot ontslag van [verweerster] en benoeming van [naam1] als (opvolgend) bewindvoerder alsnog toe te wijzen, kosten rechtens.
4.3
[verweerster] voert mondeling verweer tegen het verzoek van de rechthebbende en vraagt het hof primair om het verzoek van de rechthebbende af te wijzen.
Motivering
5.1
Op grond van artikel 1:448 lid 2 BW wordt een bewindvoerder ontslag verleend hetzij op eigen verzoek hetzij wegens gewichtige redenen of omdat de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van een medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.
5.2
In dit hoger beroep is de vraag aan de orde of er gewichtige redenen zijn om [verweerster] te ontslaan als bewindvoerder van de rechthebbende. Het hof is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Net als de kantonrechter is het hof van oordeel dat [verweerster] de klachten die de rechthebbende heeft gemeld voldoende heeft toegelicht en weerlegd. Niet is gebleken dat [verweerster] bij de uitvoering van zijn werkzaamheden fouten heeft gemaakt die een grondslag kunnen vormen voor een gewichtige reden voor ontslag.
5.3
De advocaat van de rechthebbende heeft toegelicht dat het vooral gevoelsmatig is dat de rechthebbende liever [naam1] als bewindvoerder wil. De omgang en werkwijze met [verweerster] ervaart de rechthebbende als formeel en het contact dat er tot nu toe is geweest met [naam1] voelde direct prettiger. [verweerster] heeft ter zitting bij het hof toegelicht dat niet altijd gehoor kan worden geven aan verzoeken om financiële middelen van de rechthebbende, omdat de rechthebbende moet worden beschermd (bijvoorbeeld in verband met de gokverslaving van [zoon3] ). Voor zover verantwoord worden de verzoeken wel toegewezen. [verweerster] vraagt offertes en bonnen op om te controleren of het geld daadwerkelijk aan het (gevraagde) doel is besteed. Het hof kan zich voorstellen dat de rechthebbende zich hierdoor beperkt voelt, maar dit brengt een onderbewindstelling nu eenmaal met zich mee. Dat zal bij een andere bewindvoerder in principe niet anders zijn.
5.4
Op grond van het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat het verzoek van de rechthebbende moet worden afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.
5.5
Ten overvloede overweegt het hof dat het hof ook vraagtekens zet bij de geschiktheid van [naam1] als beoogd opvolgend bewindvoerder. [naam1] is een professionele bewindvoerder maar uit de stukken blijkt dat in een privécontact tussen de rechthebbende en [naam1] (in de persoon van [naam3] ) het functioneren van de huidige bewindvoerder ter sprake is gekomen. Vervolgens heeft [naam3] het initiatief genomen voor het indienen van een verzoek tot ontslag van de bewindvoerder van de rechthebbende en benoeming van [naam1] als opvolger, zonder hierover eerst contact te hebben gehad met de huidige bewindvoerder.
Deze gang van zaken is niet in overeenstemming met de op [naam3] rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor haar als bewindvoerder geldende professionele standaard (Aanbevelingen meerderjarigenbewind G.4.).
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, team bewind, zittingsplaats Zutphen, van 12 maart 2024;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, P.B. Kamminga en I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door de griffier, en is op 24 december 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.