Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-02-01
ECLI:NL:GHARL:2024:792
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
4,804 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.330.375/01
CJIB-nummer
: 245676930
Uitspraak d.d.
: 1 februari 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 9 juni 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 302,- voor: “30 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 november 2021 om 08.28 uur op de A12 in Overberg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de correctie niet juist is toegepast. De juiste correctie is 4 km/h en niet 5 km/h. Het is een onjuist uitgangspunt van de ambtenaren dat bij een gemeten snelheid van 131 tot 165 km/h de correctie 5 km/h bedraagt. Immers, 3 procent van 135 km/h is 4 km/h. De gemachtigde merkt op dat als de juiste correctie wordt toegepast de betrokkene 31 km/h te hard reed in plaats van 30 km/h. Dit heeft tot gevolg dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. De ambtenaren geven verder aan dat zij een juiste meting hebben uitgevoerd op beide voertuigen maar deze enkele toelichting is onvoldoende en niet controleerbaar. De gemachtigde geeft aan dat er slechts één meting is uitgevoerd en dat is niet mogelijk op twee voertuigen tegelijkertijd. Bovendien is niet duidelijk of de ambtenaren de snelheid van het voorste voertuig hebben gemeten of die van het voertuig van de betrokkene. Daarnaast volgt uit de verklaring van de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal dat de bestuurder van het voorste voertuig is staandegehouden. Dit brengt mee dat er nog een voertuig tussen de twee (“bekeurde”) voertuigen reed. In dat geval kan geen sprake zijn geweest van een gelijkblijvende tussenafstand tussen het dienstvoertuig en het voorste voertuig dat uiteindelijk is staandegehouden. Tot slot is het de gemachtigde niet duidelijk waarom de ambtenaren niet tussen de beide voertuigen in zijn komen rijden en voor en achter een volg- en stopbord hebben aangezet, zoals in de praktijk vaker gebeurt. De gemachtigde verzoekt de inleidende beschikking dan ook te vernietigen.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig, door bestuurder met een gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen.
Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 140.
Snelheid volgens kalibratietabel: 135.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 130.
Toegestane snelheid: 100.
Overschrijding met: 30.
Meetafstand: 1200,00 m.
Tussenafstand: 100 m.
Goedkeuring kalibratie boordsnelheidsmeter geldig tot: 30-11-2021 (…)
De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de geldende Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen van het college van Procureurs-Generaal, uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid, volgens de kalibratietabel van het dienstvoertuig met het kenteken (…)
Overtreden artikel: 62 jo. bord A1 RVV 1990
soort weg: autosnelweg (…).
Reden geen staandehouding: andere staandehouding zelfde snelheidsovertreding.”
5. In het dossier bevindt zich verder de kalibratietabel van het betreffende dienstvoertuig geldig tot 30 november 2021.
6. Daarnaast bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar van 8 juni 2022. Hierin wordt onder meer het volgende verklaard:
“Tijdens surveillance in een onopvallend dienstvoertuig reden verbalisanten achter genoemde personenauto voorzien van kenteken [kenteken] . Vóór genoemde personenauto reed een personenauto met beide een hogere snelheid dan toegestaan. Verbalisanten rijden in een onopvallend dienstvoertuig met geijkte snelheidsmeter. Volgens de snelheidsmeter reden beide voertuigen een afgelezen snelheid van 140 km/h. Volgens de ijktabel is dit zonder de wettelijke correctie 135 km/h. Na de wettelijke correctie van in deze 5 km/h komt de snelheidsmeting op 130 km/h. De plusstrook was tijdens de snelheidsmeting geopend, borden met maximum snelheid waren geopend met snelheidsaanduiding 100. Verbalisanten hebben er voor gekozen om (naar het hof begrijpt: de bestuurder van) het voorste voertuig staande te houden, omdat 2 voertuigen tegelijk uit het verkeer halen vaak leidt tot onveilige situaties op de weg.”
7. Uitgangspunt bij het meten via een boordsnelheidsmeter is dat het voertuig van de ambtenaar het voertuig waarvan de snelheid moet worden vastgesteld, volgt waarbij wordt gezorgd voor een (vrijwel) gelijkblijvende tussenafstand. Uit de verklaringen van de ambtenaren volgt dat het voertuig van de betrokkene met (vrijwel) gelijkblijvende tussenafstand van 100 meter voor het dienstvoertuig van de ambtenaren reed en dat de andere personenauto - waarvan de bestuurder door de ambtenaren is staandegehouden - zich direct voor het voertuig van de betrokkene bevond. Het hof ziet in wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de met betrekking tot het voertuig van de betrokkene gedane meting. Dat tegelijkertijd ook de snelheid van een ander voertuig is gemeten, leidt niet tot een ander oordeel.
8. Verder wordt overwogen dat in de ten tijde van de gedraging geldende 'Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen' - waar in het zaakoverzicht naar wordt verwezen - onder 2.1. 'Maximale fout' met betrekking tot de gekalibreerde boordsnelheidsmeter in een dienstvoertuig van de politie het volgende is vermeld:
“De maximale fout voor gekalibreerde boordsnelheidsmeters bedraagt 3 km/h voor snelheden niet hoger dan 100 km/h en 3 procent van de werkelijke snelheid voor snelheden hoger dan 100 km/h. De in de kalibratietabel onder gemeten snelheid opgenomen waarden (zie de bijlage) moeten daarom ook met deze waarden worden gecorrigeerd.”
9. De hierboven genoemde bijlage is de onder 2.1.1. opgenomen correctietabel. Daarin staat dat bij een gemeten snelheid van 131 t/m 165 km/h de correctie 5 km/h bedraagt. Dit brengt mee dat de ambtenaren in deze zaak de juiste correctie hebben toegepast. Dat 3 procent van 135 km/h in feite 4,05 km/h bedraagt, maakt dat niet anders. Het is namelijk gebruikelijk dat de correctiewaarde - in het voordeel van een betrokkene - naar boven wordt afgerond. Ook deze grond slaagt niet.
10. Voor zover de gemachtigde zich op het standpunt stelt dat de ambtenaren de bestuurder van het voertuig van de betrokkene ten onrechte niet hebben staandegehouden, wordt als volgt overwogen.
11. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
12. Uit de hierboven onder 4 en 6 weergegeven verklaringen volgt dat de ambtenaren alleen de bestuurder van het voorste voertuig hebben staandegehouden en niet ook de bestuurder van het voertuig van de betrokkene, omdat het vaak tot onveilige situaties op de weg leidt als twee voertuigen tegelijkertijd uit het verkeer (moeten) worden gehaald.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.330.375/01
CJIB-nummer
: 245676930
Uitspraak d.d.
: 1 februari 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 9 juni 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 302,- voor: “30 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 november 2021 om 08.28 uur op de A12 in Overberg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de correctie niet juist is toegepast. De juiste correctie is 4 km/h en niet 5 km/h. Het is een onjuist uitgangspunt van de ambtenaren dat bij een gemeten snelheid van 131 tot 165 km/h de correctie 5 km/h bedraagt. Immers, 3 procent van 135 km/h is 4 km/h. De gemachtigde merkt op dat als de juiste correctie wordt toegepast de betrokkene 31 km/h te hard reed in plaats van 30 km/h. Dit heeft tot gevolg dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. De ambtenaren geven verder aan dat zij een juiste meting hebben uitgevoerd op beide voertuigen maar deze enkele toelichting is onvoldoende en niet controleerbaar. De gemachtigde geeft aan dat er slechts één meting is uitgevoerd en dat is niet mogelijk op twee voertuigen tegelijkertijd. Bovendien is niet duidelijk of de ambtenaren de snelheid van het voorste voertuig hebben gemeten of die van het voertuig van de betrokkene. Daarnaast volgt uit de verklaring van de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal dat de bestuurder van het voorste voertuig is staandegehouden. Dit brengt mee dat er nog een voertuig tussen de twee (“bekeurde”) voertuigen reed. In dat geval kan geen sprake zijn geweest van een gelijkblijvende tussenafstand tussen het dienstvoertuig en het voorste voertuig dat uiteindelijk is staandegehouden. Tot slot is het de gemachtigde niet duidelijk waarom de ambtenaren niet tussen de beide voertuigen in zijn komen rijden en voor en achter een volg- en stopbord hebben aangezet, zoals in de praktijk vaker gebeurt. De gemachtigde verzoekt de inleidende beschikking dan ook te vernietigen.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. de gekalibreerde boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig, door bestuurder met een gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen.
Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 140.
Snelheid volgens kalibratietabel: 135.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 130.
Toegestane snelheid: 100.
Overschrijding met: 30.
Meetafstand: 1200,00 m.
Tussenafstand: 100 m.
Goedkeuring kalibratie boordsnelheidsmeter geldig tot: 30-11-2021 (…)
De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de geldende Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen van het college van Procureurs-Generaal, uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid, volgens de kalibratietabel van het dienstvoertuig met het kenteken (…)
Overtreden artikel: 62 jo. bord A1 RVV 1990
soort weg: autosnelweg (…).
Reden geen staandehouding: andere staandehouding zelfde snelheidsovertreding.”
5. In het dossier bevindt zich verder de kalibratietabel van het betreffende dienstvoertuig geldig tot 30 november 2021.
6. Daarnaast bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar van 8 juni 2022. Hierin wordt onder meer het volgende verklaard:
“Tijdens surveillance in een onopvallend dienstvoertuig reden verbalisanten achter genoemde personenauto voorzien van kenteken [kenteken] . Vóór genoemde personenauto reed een personenauto met beide een hogere snelheid dan toegestaan. Verbalisanten rijden in een onopvallend dienstvoertuig met geijkte snelheidsmeter. Volgens de snelheidsmeter reden beide voertuigen een afgelezen snelheid van 140 km/h. Volgens de ijktabel is dit zonder de wettelijke correctie 135 km/h. Na de wettelijke correctie van in deze 5 km/h komt de snelheidsmeting op 130 km/h. De plusstrook was tijdens de snelheidsmeting geopend, borden met maximum snelheid waren geopend met snelheidsaanduiding 100. Verbalisanten hebben er voor gekozen om (naar het hof begrijpt: de bestuurder van) het voorste voertuig staande te houden, omdat 2 voertuigen tegelijk uit het verkeer halen vaak leidt tot onveilige situaties op de weg.”
7. Uitgangspunt bij het meten via een boordsnelheidsmeter is dat het voertuig van de ambtenaar het voertuig waarvan de snelheid moet worden vastgesteld, volgt waarbij wordt gezorgd voor een (vrijwel) gelijkblijvende tussenafstand. Uit de verklaringen van de ambtenaren volgt dat het voertuig van de betrokkene met (vrijwel) gelijkblijvende tussenafstand van 100 meter voor het dienstvoertuig van de ambtenaren reed en dat de andere personenauto - waarvan de bestuurder door de ambtenaren is staandegehouden - zich direct voor het voertuig van de betrokkene bevond. Het hof ziet in wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de met betrekking tot het voertuig van de betrokkene gedane meting. Dat tegelijkertijd ook de snelheid van een ander voertuig is gemeten, leidt niet tot een ander oordeel.
8. Verder wordt overwogen dat in de ten tijde van de gedraging geldende 'Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen' - waar in het zaakoverzicht naar wordt verwezen - onder 2.1. 'Maximale fout' met betrekking tot de gekalibreerde boordsnelheidsmeter in een dienstvoertuig van de politie het volgende is vermeld:
“De maximale fout voor gekalibreerde boordsnelheidsmeters bedraagt 3 km/h voor snelheden niet hoger dan 100 km/h en 3 procent van de werkelijke snelheid voor snelheden hoger dan 100 km/h. De in de kalibratietabel onder gemeten snelheid opgenomen waarden (zie de bijlage) moeten daarom ook met deze waarden worden gecorrigeerd.”
9. De hierboven genoemde bijlage is de onder 2.1.1. opgenomen correctietabel. Daarin staat dat bij een gemeten snelheid van 131 t/m 165 km/h de correctie 5 km/h bedraagt. Dit brengt mee dat de ambtenaren in deze zaak de juiste correctie hebben toegepast. Dat 3 procent van 135 km/h in feite 4,05 km/h bedraagt, maakt dat niet anders. Het is namelijk gebruikelijk dat de correctiewaarde - in het voordeel van een betrokkene - naar boven wordt afgerond. Ook deze grond slaagt niet.
10. Voor zover de gemachtigde zich op het standpunt stelt dat de ambtenaren de bestuurder van het voertuig van de betrokkene ten onrechte niet hebben staandegehouden, wordt als volgt overwogen.
11. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
12. Uit de hierboven onder 4 en 6 weergegeven verklaringen volgt dat de ambtenaren alleen de bestuurder van het voorste voertuig hebben staandegehouden en niet ook de bestuurder van het voertuig van de betrokkene, omdat het vaak tot onveilige situaties op de weg leidt als twee voertuigen tegelijkertijd uit het verkeer (moeten) worden gehaald.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.